+ Meer informatie

SAMENLEVINGSVORMEN BUITEN HET HUWELIJK

37 minuten leestijd

Verlegenheid, met gevaar van polarisatie

In de uitnodiging tot deze conferentie maakte de voorzitter melding van de verlegenheid rond het onderwerp, dat ons vandaag bezighoudt. In „De Wekker” van 24 juli schreef br. Koole: „Het wordt de kerk in haar nadenken over de hier liggende vragen ook van binnenuit moeilijk gemaakt. Binnen gereformeerde kring laten zich op dit terrein de grote verschillen in schriftbeschouwing gelden en dat leidt onontkoombaar tot uiteenlopende conclusies. Het valt velen in de kerk moeilijk in deze door oordeel en vooroordeel zwaar belaste materies objectief naar de Schrift te luisteren. De virtuositeit om nog vóór het onderzoek naar de boodschap van Gods Woord een conceptconstructie van ons gelijk gereed te hebben is onder ons niet gering. Die virtuositeit kan men links en rechts - als ik die ellendige onderscheiding nog eens mag maken - waarnemen. Er hangt ook rond deze zaken binnen de kerk een sfeer van onzekerheid. Absolute en duidelijk richtinggevende uitspraken worden zoveel mogelijk vermeden.” In deze tekening herken ik in belangrijke mate het beeld, dat onze kerken vertonen. Het zou misschien toch wat aangescherpt moeten worden. „Dia” heeft met betrekking tot homofilie bij alle zoeken en tasten toch wel bepaalde duidelijke uitgangspunten voor de te kiezen koers gewezen. De redactie van „Bewaar het Pand” liet aan duidelijkheid niets te wensen over; of de broederlijkheid er even duidelijk in sprak, laat ik als vraag staan.

Niet zonder opzet noem ik deze beide bladen. Hun namen zijn markeringspunten voor een manier van denken, die een zinvolle discussie en het naar elkaar willen luisteren, sterk bemoeilijken. Je kiest voor het ene standpunt óf voor het tegenovergestelde. En dan heb je de polaristatie in huis. Misschien zijn er, die uit reactie niet willen of uit verlegenheid niet kunnen kiezen. Zij staan er tussenin, maar weten dan ook niet hoe te handelen.

Met het oog op de mensen en het Woord

Ik kan me voorstellen dat er onder de aanwezigen zijn, die deze inleidende woorden een weinig gelukkige ingang vinden voor de behandeling van zulke delicate en tere aangelegenheden als welke nu onze aandacht vragen. Het onderwerp staat toch centraal, en niet polarisatie van standpunten. Het zou toch wel heel erg zijn, als we vandaag over het gelijk van eigen inzicht wilden discussiëren en geen oog zouden hebben voor hen, die uit welke nood en overguiging ook, tot een samenlevingsvorm besluiten, die niet de naam van wettig huwelijk kan dragen.

Welnu, dit bezwaar weegt mij zeer zwaar. Wij zullen als ambtsdragers - want in die kwaliteit bent u hier bijeengeroepen - in de eerste plaats aan de mensen moeten denken: schapen van de kudde. Het zou niet best zijn, als we hierheen gekomen zijn enkel om bevestigd te worden in het gelijk van eigen mening òf om argumenten te horen die we fervent met onze tegenargumenten kunnen bestrijden. Als dat onze intentie is, blijven we ver beneden de maat waaraan Christus Zijn ambtsdragers meet.

Deze opstelling betekent niet dat we aan de nood van mensen onze normen ontlenen. Het Woord van God is beslissend, in ethische én pastorale aangelegenheden. Het Woord van God is bestemd voor mensen en is gericht op mensen. Bezig zijn met het Woord mag ons nooit aan mensen doen voorbij zien. Dat zou misbruik van het Woord zijn! Anderzijds moet ook gezegd worden: wie mensen in hun situatie wil helpen, moet juist met het Woord van God bezig zijn. Dat Woord is immers heilsmiddel, en daarom ook hulpmiddel - hét middel bij uitstek.

Met deze zinnen heb ik geprobeerd het kader te schetsen, waarbinnen ik de mij opgedragen taak wil trachten uit te voeren. Niet polariserend, niet dicterend, maar de mens én het Woord van God in het oog hebbend, beter nog: in ons hart dragend.

Samenleven zonder gehuwd te zijn - modern levensgevoel

Samenlevingsvormen buiten het huwelijk. - Het gaat over mensen die kiezen voor het leven met elkaar, bij dag en nacht, zonder dat ze tot een voor de burgerlijke overheid gesloten en door haar als wettig erkend huwelijk komen. Het gaat ook over mensen, die van hetzelfde geslacht, voor deze samenlevingsvorm kiezen - hetzij twee vrouwen, hetzij twee mannen.

Het huwelijk vraagt onze aandacht èn alternatieven daarvan. Bij de bespreking van dit onderwerp moet ik me beperken. De verzoeking is groot om breed in te gaan op de ethiek van de sexualiteit of op het thema homosexualiteit. Wat ik daarover zeg, staat in het kader van samenlevingsvormen. Ik moet mij dus beperken.

Vanwaar de onzekerheid met betrekking tot het onderwerp? Vanwaar de neiging om tot voor tien jaar vrij algemeen aanvaarde antwoorden nu onvoldoende te achten?

Ik noem enkele factoren, die motieven zijn geworden. Wij spreken over dit onderwerp in ónze tijd. Dan moeten we ons ook bewust zijn, wat mensen van onze tijd beweegt. Het levensgevoel van een bepaalde tijd gaat aan kerkmensen, zeker aan de kerkjeugd, niet voorbij.

Vijf moderne motieven die onzekerheid veroorzaken

In de eerste plaats noem ik de verandering in visie op de sexualiteit. Er is zelfs gesproken over sexuele revolutie. Reactie op overmatige preutsheid en op veel schijnheiligheid (achter de schermen werd getolereerd, in elk geval gepraktizeerd wat in het publiek werd afgekeurd) leidde tot een grote mate van vrijheid en openheid in sexuele aangelegenheden. De tijd van democratisering is ook de tijd van openbaarheid, tot in het sexuele toe. Verzakeling van het leven vraagt ter compensatie om erkenning van het goed recht en de ruime plaats van gevoelens. Een mens moet zichzelf kunnen zijn. Zijn behoeften moeten bevredigd worden.

Sexualiteit is een wezenlijke behoefte van de mens. Wie heeft het recht hem de bevrediging daarvan te ontzeggen? Wie dat durft, zondigt, zo lijkt het, tegen het menszijn. Popularisering van het gebruik van anticonceptionele middelen heeft de sexualiteit uit de gevarenzone gehaald. Voor zwangerschap hoef je niet bang te zijn, als je de goede middelen maar gebruikt. Lustbeleving is iets waarop ieder mens recht heeft. Voor sexualiteit wordt geen uitzondering gemaakt.

Een tweede motief is dat van de gezindheid in tegenstelling tot het institutaire. Ik bedoel er dit mee. Met de sluiting van het huwelijk op het stadhuis is er nog niet het echte huwelijk. De overheid sluit het huwelijk toch niet. Dat doen de huwenden zelf. Liefde, toewijding, trouw en zelfverloochening zijn onmisbaar voor een goed huwelijk. Als deze er zijn, zo zegt men, dan is het huwelijk er. Waarom dan nog die vaste structuur van de huwelijkssluiting ten stadhuize, compleet met handtekening onder de opgemaakte akte. Het komt veel meer aan op de rechte gezindheid. Daartegenover is de officiële huwelijkssluiting slechts een formaliteit. Verstening van het huwelijk, verkilling en verkoeling vindt men juist daar, waar de buitenkant zoveel nadruk krijgt. Liever een gelukkig en echt samengaan zonder huwelijk dan een prachtig gesloten huwelijk dat gelijk staat met een dagelijks gevoerde koude oorlog.

Bovendien - wat hebben anderen met mijn liefdesrelatie te maken. Er wordt al zoveel voor mij geregeld. Er is nog maar zo weinig speelruimte voor de persoonlijke beleving. Dan zal de samenleving, de familie en de kerk zich toch zeker niet met mijn liefdesrelatie hebben te bemoeien. Het huwelijk is een privé-aangelegenheid, temidden van alle bindingen en verplichtingen die de verzorgingsstaat meebrengt.

Een derde motief is het slechte voorbeeld dat veel jongeren om zich heen zien. Er zijn niet zoveel geslaagde huwelijken. Enige tijd geleden was ik in een kring van kerkelijk meelevende jongeren (uit onderscheiden kerken). Hun recensie van het huwelijk, zoals ze dat om zich mee maken, was bepaald ongunstig. Als het zo moet, hoeft het van mij niet; als je er niets beters van maken kunt, dan ik om me heen zie, kun je er beter niet aan beginnen. En toch moet je wat. En toch wil je wat. Wat is dan het alternatief?

Mislukking en schuldbesef dringen tot andere samenlevingsvormen. Ik noemde in één adem schuldbesef. Wat heeft de kerk grote woorden gebruikt, zonder dat kerkmensen deze waar maakten. Wat is er van de hoge idealen terechtgekomen? Mensen zijn er aan kapot gegaan. Zo noem ik nadrukkelijk de homofielen. Heeft de kerk zich iets van hun eenzaamheid en ellende aangetrokken? Veroordeling was hun deel. Zelf heb ik kritiek gehoord op deze zin uit het gebed met de gemeente zondags: „Wij bidden U voor hen die anders zijn dan anderen, en die de eenzaamheid en de moeite daarvan ondervinden”. Als het zo in de kerk toegaat, heeft zij dan niet het recht verspeeld om kritiek te oefenen? Laat de kerk voorlopig maar zwijgen en mensen die een andere oplossing zoeken voor problemen, waarop de kerk zelf geen antwoord gaf, met liefde omringen, in plaats van met kritiek en afwijzing.

Een vierde motief is dat van het experiment. Er is zoveel onzeker en onduidelijk, dat je eerst eens moet proberen. Je moet testen. Als de proef geslaagd blijkt, kun je tot vaste vormen besluiten. Het huwelijk van velen is kapot gegaan, waarom zouden we het eerst niet eens proberen. Lukt het niet, dan behoef je in elk geval niet een echtscheidingsprocedure op gang te brengen. Je kunt zonder veel moeite uit elkaar gaan. Lukt het wel, dan is er meer zekerheid voor de toekomst.

Bovendien wordt vanuit de psychologie gezegd: de leeftijd waarop vele jongeren trouwen, is een leeftijd waarop zij wel volwassen zijn, maar nog geen maatschappelijke verantwoordelijkheid dragen. Een relatieve ongebondenheid, vrij van het ouderlijk gezag en nog niet gebonden door maatschappelijke verplichtingen. In zo’n tussenperiode past samenleven zonder de vaste band van een huwelijk heel goed.

Een volgend motief is de onzekerheid omtrent het gebruik van de Heilige Schrift. Kun je nog wel allerlei teksten aanvoeren om standpunten te bepalen en vast te houden? Moeten we niet een heel andere kant uit, door het liefdegebod tot het doorslaggevende gebod te maken, terwijl wat er verder in de Schrift aan voorschriften staat, daaraan ondergeschikt is? Met name ten aanzien van homosexualiteit is deze redenering voor velen beslissend. Niet wat bepaalde teksten zeggen, maar wat de liefde eist in omgang en opvang van de homosexuele medemens, moet onze houding bepalen. Hierachter ligt veelal een veranderde visie op betekenis en bedoeling van de Heilige Schrift.

Dit alles komt samen in de praktische vraag: moet de kerk niet veel meer open staan voor veranderingen in de moraal? Moet de kerk niet meehelpen bevrijding te brengen, door mensen de ruimte te geven, die ze voor hun zelfontplooiing nodig hebben? Door alternatieve samenlevingsvormen niet slechts te tolereren, maar zelfs te stimuleren? Op zijn minst zonder enige terughoudendheid daarover te spreken en met haar (jonge) leden mee te denken?

Tot zover het overzicht van motieven, die tot een andere benadering en opstelling leiden. Ik ben niet volledig geweest. Slechts de voornaamste heb ik genoemd.

Alternatieve vormen

Met deze opsomming heb ik u en mijzelf aan een zelfonderzoek willen onderwerpen. Deze motieven doen ons iets. Wat de jeugd van de kerk beweegt, staat niet buiten onze ervaringswereld, al wordt dat wel vaak beweerd. Wij zijn er ook mee bezig. Deze motieven houden ook ons bezig. Dat maakt de discussie zo aangrijpend en existentieel. We moeten nu komen tot een standpuntbepaling. Achtereenvolgens spreek ik over het ongehuwd samenwonen van twee mensen van verschillend geslacht en dan van twee mensen van hetzelfde geslacht. Onder samenwonen versta ik het met elkaar leven, ook in sexueel opzicht. Het is mogelijk om samen een huis te bewonen en veel samen te doen, zonder dat men samen leeft als alternatief van het huwelijk. Ons gaat het vandaag om een samenlevingsvorm die duplicaat van het huwelijk is, maar de officiële verbintenis en daarom ook rechtsgeldigheid in de zin van de wet mist.

Bijbelse gegevens

Hoe spreekt de Bijbel over huwelijk en sexualiteit?

Temidden van lichtvaardige echtscheidingspraktijken grijpt de Here Jezus in Mattheüs 19: 5-6 terug op het begin: „Daarom zal elk mens zijn vader en moeder verlaten en zijn vrouw aanhangen en die twee zullen tot één vlees zijn”. Men mag deze tekst beschouwen als het fundament voor de bijbelse visie op het huwelijk. Ik weet van polygamie bij Abraham, Jacob en David. Dat is geen eenvoudige zaak. Zij hadden meer dan één vrouw. Om dat feit werden ze niet bestraft. Wel om het overspel dat David pleegde, door de vrouw van een ander tot zijn vrouw te nemen.

Hoe dit echter zij: De grondregel van de Bijbel is met een beroep op Genesis 2 door Jezus geformuleerd. Vader en moeder verlaten - zijn vrouw aanhangen - tot één vlees zijn. Het loslaten van het ouderlijk huis, het stichten van een eigen gezin door het aangaan van een alles omvattend verband met één partner, waarbinnen ook de sexuele eenwording haar plaats heeft. Dat nieuwe verband komt in de plaats van het behoren tot het ouderlijk huis. Dat is geen voorlopig iets, geen provisorisch samenlevingsverband, in afwachting van wat beters of iets definitiefs. Dit is het definitieve. Men moge er de nadruk op leggen dat „een hulpe tegenover hem” (Genesis 2: 18) in de mannelijke vorm staat, en veel meer ziet op boezemvriend en metgezel, dan op sexuele partner. Men moet het verband tussen Genesis 2: 18 en 2: 24 wel goed zien. De hulp die God voor Adam schept, vindt bekroning in het samengaan binnen het huwelijk, waarover 2: 24 duidelijk spreekt.

Opvallend is dat we het werkwoord aanhangen (in Griekse vorm) ook gebruikt vinden in 1 Corinthe 6. Paulus gebruikt dit werkwoord daar voor het een hoer aanhangen (zich aan haar hechten, vs 16) en het de Here aanhangen (zich aan Hem hechten, vs 17). Die twee staan exclusief tegenover elkaar. Lichamelijke omgang met een hoer verdraagt zich niet met de gemeenschap, die een gelovige met Christus heeft. Nu wordt terecht tegengeworpen, dat sexuele gemeenschap tussen twee mensen die elkaar liefhebben, maar nog niet getrouwd zijn, toch iets anders is dan het plegen van hoererij. Ik ben het daarmee eens. Waar het mij nu om gaat is dit: het de ander aanhangen ziet op een allesomvattend levensverband, inclusief de sexualiteit. Dat levensverband is het huwelijk. Men mag sexueel verkeer niet tot een apart punt maken in de omgang en het een plaats geven buiten het huwelijksverbond.

Er zijn nog andere bijbelse gegevens die deze gedachte onderstrepen. In Leviticus 18 wordt het huwelijk in een te nabije graad van bloedverwantschap verboden. Er wordt niet gezegd: het huwelijk met bijvoorbeeld de zuster van uw vader of van uw moeder (vers 12 en 13) is verboden. Het verbod tot zulk een huwelijk wordt aldus omschreven: De schaamte van uws vaders zuster of van uw moeders zuster zult gij niet ontbloten. Het ontbloten van de schaamte is derhalve een „technische term” voor het huwelijk. Ik kan hieruit geen andere conclusie trekken dan dat sexueel verkeer én gehuwd zijn elkaar volledig dekken. Ook het omgekeerde geldt: sexueel verkeer is alleen geoorloofd binnen het huwelijk. Verderop behandel ik de vraag of de belofte van trouw, zonder officiële huwelijkssluiting, niet voldoende basis is voor geslachtsverkeer.

Ik herinner ook aan Efeze 5: 22-33. Daar spreekt Paulus over het huwelijksleven. Ook hij citeert - evenals de Here Jezus in Mattheüs 19 - de bekende woorden uit Genesis 2: 24. Hij grijpt terug op de regel die God bij de schepping van man en vrouw heeft gesteld.

Hij verduidelijkt deze instelling van de Here God door te verwijzen naar de verhouding van Christus en Zijn gemeente. Paulus gebruikt hier zelfs het woord mysterion. Dat is een verborgenheid die in Christus’ verschijning is geopenbaard. De diepe en brede bedoeling van het huwelijk wordt verduidelijkt door het allesomvattende en tegelijk exclusieve van de relatie die Christus met zijn gemeente aangaat.

Daarin is geen plaats voor een ander. Daarin is ook geen sprake van voorlopigheid en het met een zekere vrijblijvendheid de relatie eens aanzien. In de geest van: we moeten nog maar zien of het wat wordt, of het lukt. Neen, daar is sprake van een keus, in wederkerigheid, die leidt tot een verband waarop beiden kunnen worden aangesproken. Het allesomvattende van dat verband wordt gekenmerkt door de sexuele eenwording. Deze is niet maar een bijkomend verschijnsel, dat je ook los van het huwelijk zou kunnen praktizeren. Neen, het niet-vrijblijvende van het huwelijk manifesteert zich juist in de sexuele gemeenschap. Zij is de bezegeling van het verbond dat gesloten wordt. Door het gebruik van anticonceptiva kan men zwangerschap voorkomen. Doch met het uitvinden en gebruiken van anticonceptiva is de sexuele gemeenschap niet van karakter veranderd. Werd zij vroeger als een bezegeling van de totale overgave aan elkaar beschouwd, dan is zij nu niet - door het gebruik van anticonceptiva - als een partieel gebeuren te beschouwen. Anticonceptiva veranderen de geslachtsdaad als zodanig niet. Wie dat wel meent, kan niet aan de conclusie ontkomen, dat sexueel verkeer nu van karakter is veranderd en uitdrukking wordt van sympathie koesteren voor iemand, van iemand aardig vinden, en een plezierige relatie - zij het niet voor het leven verbindend - met hem of haar te onderhouden. Het is dan zelfs de vraag, waarom men dat sexuele verkeer zou beperken tot de relatie met één partner. Waarom kan men dan niet afwisselend met ieder die men aardig vindt, sexueel verkeer onderhouden? Menigeen zal dit een dwaze gevolgtrekking vinden. Ik kan dat bezwaar begrijpen. Het is echter ingegeven door de radicale verandering in visie op betekenis en functie van geslachtsverkeer. Wie geslachtsverkeer van het huwelijk losmaakt en tot onderdeel van een goede relatie maakt - zonder dat deze relatie-een belofte van trouw voor het leven bevat, en nadrukkelijk als voorlopig en partieel wordt beschouwd -, kan niet langer de geslachtsgemeenschap zien als slechts geoorloofd met die ene partner aan wie men zich voor het leven binden wil.

Samenwonen als experiment

Nu kom ik aan het ongehuwd samenwonen. We kunnen, lijkt me, deze hoofdonderscheiding aanbrengen. Er is een groep jonge mensen die bewust experimenteert. Zij zijn niet zeker van zichzelf, noch van elkaar. En er is daarnaast een groep jonge mensen die wel zeker is van de hechtheid van de relatie, maar nog niet wil trouwen.

Eerst iets over de eerste groep. Zij voelen veel voor elkaar, maar weten toch nog niet of zij hun leven lang bij elkaar zullen blijven. Zij zoeken het verkeer met elkaar bij dag en nacht, omdat ze wel wat in elkaar zien. Zij willen het proberen. Zij achten zich ten volle gerechtigd uit elkaar te gaan, zodra blijkt dat het niet gaat of wanneer er een ander in hun leven verschijnt, met wie het nog beter gaat. Dit hoort bij de spelregels. Wie zo samen gaat wonen, erkent dat hij met een experiment bezig is, waarvan de afloop volstrekt onzeker is. Hij begint aan het samenwonen met het volstrekt openlaten van de uitkomst. Hij bindt zich dus niet, bij voorbaat niet en halverwege niet. Binding aan de ander door de belofte van trouw is een nieuw hoofdstuk, dat hoogstens resultaat van het voorafgaand samenwonen kan zijn. Zij is niet de vooronderstelling noch de basis van het samenwonen.

Hoezeer men ook begrip kan opbrengen voor onzekerheid van jonge mensen ten aanzien van het gelukken van een eventueel huwelijk, hoezeer men ook begrip kan opbrengen voor een gevoel van onmacht en onvermogen vanwege slechte voorbeelden in de directe omgeving - deze oplossing heeft iets zo voorlopigs, iets zo fragmentarisch en vrijblijvends dat er niet gesproken kan worden van een totale eenheid. Waar die totale eenheid ontbreekt, moet ook geslachtsverkeer achterwege blijven. Men grijpt dan over onzekerheden heen, naar datgene wat juist uitdrukking van de belofte van trouw en van het vaste voornemen om het hele leven blijvend met elkaar te delen, moet zijn. Men wil de vrucht, voordat het rijpingsproces ten einde is.

Daarmee devalueert men de gemeenschap. Men trekt die in het voorlopige en maakt er iets van, wat volgens de bijbelse huwelijksgedachte juist niet wil zijn. Men berooft het geslachtsverkeer en het hele samenleven van datgene wat hiervoor nu juist wezenlijk is: het vaste voornemen om elkaar in liefde trouw te zijn. Men devalueert het zegel van het verbond, doordat men het zegel gebruikt voor iets dat de naam verbond niet kan dragen. Men maakt datgene wat definitief wil zijn, tot iets voorlopigs, dat straks in een andere voorlopige relatie ook weer voorlopig kan functioneren. Men kiest voor een eigen orde tegenover Gods orde.

Wie zonder getrouwd te zijn toch wil samenleven, doet zichzelf, zijn partner en het onderlinge verkeer geweld aan. Hij geeft te weinig en vraagt te veel. Hij onthoudt de ander de zekerheid en vraagt toch wat als zegel bij de belofte van zekerheid hoort. Zo komt men niet verder. Zo houdt men juist vanwege de mogelijkheid om elkaar op elk moment los te kunnen laten, de groei naar de zekerheid tegen. Het geweld bestaat in het aanvaarden en overeind houden van de fundamentele onzekerheid.

Wel de belofte van trouw, toch niet getrouwd

Anders staat het met hen die elkaar wel de belofte van trouw hebben gegeven, maar niet willen trouwen voor de wet. Wat henzelf betreft zijn zij zeker van elkaar. Ze willen echter - misschien mede om financiële redenen - die belofte niet in een officiële akte, niet in een door de overheid gevraagde en gewettigde daad omzetten. Het gesprek met deze mensen moet een ander karakter dragen dan hetwelk ik zojuist omschreef.

Is het genoeg om elkaar de belofte van trouw te geven, als men voor getrouwd wil doorgaan? Is het huwelijk er metterdaad, als twee mensen elkaar, buiten aanwezigheid van anderen, trouw voor het leven beloofd hebben? Ik acht het geen geringe zaak, als dit gebeurt. Ik kan me voorstellen, dat gezegd wordt: beter oprechte liefde zonder huwelijk, dan een echt huwelijk zonder rechte liefde.

Toch is de tegenstelling vals. Het huwelijk is het sluiten van een verbond. Elk verbond, in welk verband ook gesloten, heeft een officieel en publiek karakter. Op dat verbond moet je de partners kunnen aanspreken. Zij moeten er zich op willen laten aanspreken. Dat is alleen mogelijk, als dat verbond naar buiten toe officieel gesloten wordt. Wat binnenskamers tussen twee mensen geschiedt, heeft geen geldigheid voor de samenleving.

Men kan terecht zeggen, dat de huwelijkssluiting in de wereld van het Oude en in die van het Nieuwe Testament anders verliep dan bij ons. De familieoudsten kwamen er in Israël aan te pas. Zij namen de plaats in die in onze dagen aan de ambtenaar van de burgerlijke stand wordt toegekend. De Here Jezus heeft Zelf de bruiloft in Kana met Zijn tegenwoordigheid geëerd. Uit andere nieuwtestamentische plaatsen blijkt dat de huwelijkssluiting een officieel, publiek gebeuren was. Nimmer kan in de Bijbel een huwelijk gesloten heten zonder dat de samenleving, met name de in die samenleving als representanten fungerende mensen, erbij betrokken is.

Het zij duidelijk erkend dat de vorm waarin het huwelijk publiek gesloten wordt, verschillend kan, naar de aard van de samenleving waarin het huwelijk plaatsvindt. Die vorm is betrekkelijk, in de zin van: betrokken op de cultuur van het desbetreffende volk.

Doch voor de Israëliet kon er geen twijfel over bestaan of iemand getrouwd dan wel ongetrouwd was. Het huwelijk als publieke zaak maakte het voor ieder duidelijk of iemand al dan niet getrouwd was. Trouwens, wetten waarin de ontbinding van het huwelijk (de echtscheiding) geregeld wordt, vooronderstellen, dat het huwelijk een officieel geregelde zaak is. Welnu, wie wel de belofte van trouw geeft en zich voorneemt met een ander zijn leven lang lief en leed te delen, doet de samenleving tekort door daarvan niet een publieke zaak te maken.

Hoezeer zij zelf het ook menen, niemand kan hen op een belofte aanspreken; niemand kan hen ook iets verwijten of als bezwaar voorleggen, wanneer ze alsnog uit elkaar gaan. Ze hadden het immers slechts aan elkaar beloofd. Er zijn geen getuigen. Er is geen zekerheid die zij ten overstaan van de gemeenschap, noch welke de gemeenschap ten overstaan van hen kan laten gelden.

Vandaar dat de regeling van verdeling van goederen, van de rechten van kinderen, bij het eventuele verbreken van de relatie slechts op onderlinge afspraak - zo deze al gemaakt is - kan berusten. Deze afspraak heeft geen rechtsgeldigheid. De samenwonenden zelf vonden het immers niet nodig de samenleving te betrekken in hun besluit om bij elkaar in te trekken. God heeft de overheid gegeven om het menselijk leven te bewaren tegen willekeur, ongebondenheid en chaos. Zo mag men de bedoeling van Romeinen 13 verstaan. We zullen het feit onder ogen moeten zien dat ook de overheid zich aan haar opdracht kan onttrekken. Zij kan regelingen maken die geen dam tegen willekeur en onzekerheid zijn, doch veeleer demonstratie van willekeur en onzekerheid zijn. We zullen de overheid vanuit de Heilige Schrift altijd weer kritisch moeten toetsen aan de haar door God gegeven opdracht.

Dit verhindert niet om gehoorzaamheid aan de overheid te vragen, met name ook als het gaat om het publiek karakter van een zo ingrijpende beslissing als welke het huwelijk is, dat voor het verdere leven lief en leed samen delen betekent.

De overheid heeft de taak een huwelijk door officiële registratie te beschermen tegen de willekeur van beide partners. Zij zelf kunnen elkaar, zij beiden kunnen de burgerlijke en kerkelijke samenleving aanspreken op de door hen genomen beslissing. Omgekeerd kan de overheid, gemeenschap en kerk hen beiden en ieder van hen afzonderlijk ook op hun beslissing aanspreken. Deze regeling is een groot goed.

Zij is niet maar de buitenkant, die er vergeleken bij de binnenkant eigenlijk niets toe zou doen.

Laat ik het voorbeeld mogen nemen van iemand die het in een werkkring geweldig naar zijn zin heeft, promotie maakt en het met zijn chef uitstekend kan vinden, als ook met de collega’s. Zij werk is hem een dagelijks plezier. Niemand zal er in onze tijd aan denken om te zeggen: dat is genoeg, leder weet hoe snel verhoudingen en omstandigheden kunnen veranderen, soms door factoren van buiten af. Daarom is het nodig en geruststellend deze bijzonder plezierige werkverhouding in een officiële overeenkomst vastgelegd te zien worden. De overeenkomst kan de goede sfeer niet maken. Zij is echter wel nodig om zelfs werknemers die in een goede sfeer werken, hun rechten en zekerheden te verzekeren. Men moet binnenkant en buitenkant niet tegen elkaar uitspelen. Evenmin de persoonlijke relatie tussen twee mensen en de officiële vastlegging van rechten en plichten, welke met die relatie gegeven zijn. Ze horen bij elkaar.

Zo hoort de officiële huwelijkssluiting ook bij het verlaten van vader en moeder, bij het aanhangen van zijn vrouw en het tot één vlees worden. Waarom naar buiten toe onzekerheid laten bestaan over een relatie die de partners zelf als definitief zien? Waarom niet publiek uitspreken wat men tegenover elkaar wel uitspreekt? Wat moet de overheid en wat moet de kerkelijke gemeenschap van zulk een belofte denken?

Zulk een belofte is voor het leven bedoeld, maar draagt het karakter van voorlopigheid. Er moet toch nog iets gedaan worden dat de relatie naar buiten toe definitief maakt. Waarom die voorwaardelijkheid, die voorlopigheid, waarom die mogelijkheid van een excape, van er toch nog onderuit en vanaf te kunnen? Zeker, wie na jaren van ongehuwd samen gewoond te hebben, uit elkaar gaan, zullen dat als een scheiding ervaren die ook emotioneel diep ingrijpt. Niettemin is dit uit elkaar gaan naar buiten toe gemakkelijker. De vrijblijvendheid van het ongetrouwd samenwonen voorkomt op zijn minst de noodzaak van officiële echtscheiding.

Niemand kan het ons kwalijk nemen dat we zeggen: wie niet wil trouwen, maakt het uit elkaar gaan gemakkelijk. Ook wie het opneemt voor de legitimiteit van het ongehuwd samenwonen, kan niet ontkennen dat hij een relatie aangaat of aanprijst die naar buiten toe vrijblijvend is, hoe zeer de partners zelf zich door de gegeven trouwbelofte gebonden weten. Overheid noch kerk kan de partners op deze belofte aanspreken. Wij leven in een breder verband dan alleen die van de intieme relatie binnenshuis. Over het ongehuwd samenwonen van oudere gemeenteleden wil ik kort zijn. Meestal zullen financiële motieven hen van een huwelijk terughouden (verlies van pensioen, A.O.W., enz.). Deze broeders en zusters geven aan de gemeente, vooral aan jongeren, wel een heel slecht voorbeeld met hun ongehuwd samenwonen. Zij verlammen het vermaan van de kerkeraad aan jonge mensen. Moet ook voor hen de orde van het huwelijk niet een offer, in dit verband een financieel offer, waard zijn? Hun hoge(re) leeftijd stelt hen toch niet buiten de orde! Zij mogen toch niet meer, omdat ze oud(er) zijn?

Samenwonen van twee mensen van hetzelfde geslacht

Het probleem van het ongehuwd samenwonen van twee mensen van hetzelfde geslacht stelt zo mogelijk voor nog moeilijker vragen. Hier speelt de waardering van homofiele en van homosexuele contacten een belangrijke rol. Voor de beantwoording van deze vraag is beslissend of we met de bijbelse gegevens vandaag nog iets te maken hebben of niet. Velen die ten gunste van praktizering van een homofiele aanleg pleiten, erkennen dat de beschikbare bijbelse gegevens negatief staan tegenover deze praktijken. Hun argument is in de eerste plaats dat we nu met andere vormen van homofilie te doen hebbben dan welke de bijbelschrijvers kenden. Daar zou het vooral om een religieuze pervertering van de homofilie gaan; zeker in de oudtestamentische teksten. In onze tijd is meer bekend geworden, zo zegt men, over homofele aanleg. Over dit punt zou de Bijbel zich niet uitgesproken hebben. De gegevens uit het oude Rome en uit Griekenland mogen dan niet meer zo religieus gekleurd zijn als die in het Oude Testament, ze slaan toch op andere feiten dan waarmee wij te maken hebben. Dit betekent het buiten werking stellen van bijbelse verboden, terzake van homosexuele praktijken. Men moet zich dan toch op zijn minst afvragen of er in de dagen van het Oude en Nieuwe Testament geen zogenaamde kern-homofielen waren. Dateert de kern-homofilie pas uit de laatste eeuwen? Als kern-homofilie in de tijd van de bijbelschrijvers zich voordeed - ook al kende men dit verschijnsel niet onder deze naam - dan hebben bijbelse gegevens wel degelijk iets te zeggen, ook over kern-homofilie. Het is ondenkbaar dat kern-homofilie eerst in de laatste eeuwen zou zijn ontstaan.

Het ene gebod dat naar het oordeel van velen bij afwijzing van de geldigheid van ouden nieuwtestamentische teksten voor vandaag dan overblijft is dat van de liefde. Men mag in de benadering van homosexuele medemensen niemand kwetsen. Men moet hen aanvaarden. Dan rijst wel de vraag of een homofiel op sexueel gebied mag doen, wat hij maar wil. Is de beleving van zijn homofiele geaardheid ook aan regels gebonden? Of gelden er voor hem geen regels, omdat hij nu eenmaal anders is dan anderen?

Ik heb ooit een pleidooi gelezen voor een sexuele ethiek voor homofielen. Het maximum waartoe zij zich verplicht moeten weten is dan dat zij slechts met één vriend of vriendin contact mogen hebben. Dat naar analogie van de monogame huwelijksrelatie. Een uitwerking van deze ethiek ben ik tot heden niet tegengekomen. Het komt mij voor dat deze ook bijzonder moeilijk is.

Hoe men hierover ook denkt, vooropgesteld moet worden dat een homofiel in een moeilijke positie verkeert. Zijn homofiele geaardheid is niet maar een aspect van zijn leven. Zoals homofielen het zelf zeggen: het is hun zijnswijze, die zich in alles demonstreert. Hun benadering van de medemens, hun opstelling in de samenleving is bepaald door hun homofiel zijn. Zij beoordelen en benaderen de anderen vanuit hun zo zijn. Alleen al hierom lijkt mij de vergelijking met linkshandigheid bijzonder oppervlakkig. Wie linkshandig is, heeft met een bepaalde aanleg te maken. Deze werkt niet in heel het aanvoelingsvermogen, noch in heel het emotionele leven door.

Ik wil nog een stap verder gaan. De kerk heeft zich de nood van de homofiele medemens veel te weinig ingedacht. De nood van het alleen zijn, de nood van het moeten aanvaarden dat men homofiel is, de nood van door de ander, door de kerkelijke gemeenschap eigenlijk niet aanvaard worden. Ik weet wel dat deze negatieve benadering voor een deel bepaald wordt door praktijken die men om zich heen ziet en waartegen terecht bezwaar kan worden ingebracht. Het is echter een grof onrecht en tegelijk een verschrikkelijk leed, als men iedere homofiel beziet door de bril van bepaalde praktijken die sommigen van hen uitoefenen. Dat is ongeoorloofd en afkeurenswaardig.

Er komt nog een punt bij: hoe rein zijn deze kritici in hun heterofiele relaties? Hebben zij geen moeite met de woorden van Jezus, dat wie een vrouw aanziet om haar te begeren, reeds overspel heeft gepleegd? Zou het niet nodig zijn, dat heterofielen erkennen dat zij in sexuele zaken evenzeer hun strijd hebben? leder heeft deze, naar zijn eigen geaardheid. Er zou al heel wat gewonnen zijn als de extreme en exclusieve aandacht die aan homosexuele praktijken wordt gewijd, evenzeer aan heterofiele praktijken wordt gewijd. Er zou al heel wat gewonnen zijn, als homofielen in dat opzicht geen uitzondering zouden vormen. Ook heterofielen hebben hun strijd en hun zonden. Dan zou een stuk vooroordeel en hoogmoedige kritiek worden weggenomen. De critici komen dan zelf onder de kritiek. Homofielen zouden uit hun uitzonderingspositie zijn gehaald, alsof zij alleen moeite zouden hebben met sexualiteit.

Ik zeg dit niet, omdat ik zou menen dat homosexuele praktijken te verdedigen zijn. Ik zeg dit wel, omdat ik meen dat tal van kritici eerst naar zichzelf moeten kijken voordat ze naar anderen wijzen. Het zijn niet alleen de homofielen die spanningen, zorgen en zonden kennen op het gebied van de sexualiteit.

Juist nadat ik dit zo gesteld heb, meen ik te mogen zeggen dat homofielen geen uitzonderingspositie moeten claimen, met de daaraan verbonden rechten om regels naar eigen goeddunken of begeren op te stellen. Heterofielen hebben ook hun problemen. Zij kennen ook verlangens en begeerten waartegen ze te strijden hebben. Zij zijn aan regels van Godswege gebonden.

Als - om het maar eens heel gewoon te zeggen - een homofiel zich in zijn begeerte en lust aangetrokken voelt tot iemand van hetzelfde geslacht, moet hij bedenken dat een heterofiel, getrouwd of niet getrouwd, met zijn geaardheid net zo goed de begeerte naar een (heterofiel) medemens kan hebben. In dat opzicht lijkt mij de strijd voor beiden gelijk, alsook de verzoeking.

De moeite zit naar mijn oordeel in de vraag of een homofiel aan zijn verlangens naar een partner gevolgen mag verbinden, zoals een heterofiel dat mag doen binnen het kader van een huwelijk en binnen de grenzen van het op weg zijn naar een huwelijk. Hier staan we voor een raadsel in de schepping. Het lichaam is bestemd voor het contact met een persoon van het andere geslacht. Ook bij homofielen is de lichamelijke structuur er een van of man of vrouw zijn. De innerlijke geaardheid en gerichtheid gelden de partner van hetzelfde geslacht. Hier ligt het probleem. Tot een huwelijk, tot gezinsvorming als vrucht daarvan kan het in een homofiele relatie niet komen. Vanuit dit lichamelijke aspect spreekt Paulus over de tegennatuurlijke omgang (Rom. 1: 26). Welke genegenheid homofiele partners voor elkaar koesteren, hun sexuele beleving is fysiek tegennatuurlijk. We staan hier voor een breuk in de schepping, die diepe sporen trekt in het leven, voelen en denken van homofielen.

Reeds eerder heb ik erop gewezen dat geslachtelijk verkeer binnen het alomvattende levensverband van het huwelijk past. Een homofiel kan het huwelijk in de bijbelse zin van het woord niet sluiten. Daarmee is ook gegeven dat hij niet het door de Bijbel bedoelde gebruik van sexualiteit kan maken! Psyche en sexuele constitutie botsen op elkaar. Wie het lichamelijke contact bij de psychische geaardheid wil aanpassen, komt tot een verwrongen sexuele relatie. Dat ligt opgesloten in het woord tegennatuurlijk. Hier zijn mensen die niet op de natuurlijke wijze sexueel contact met elkaar oefenen. Zij hebben een andere aanleg. Het past ons niet hen daarom te veroordelen. Zij zijn, althans er zijn er onder hen, die aldus van zeer vroeg af zijn opgegroeid.

Zij worden echter wel voor de vraag gesteld, hoe zij hun geaardheid sexueel zullen beleven. Het feit dat zij homofiel zijn, geeft hun niet het recht te eisen dat er voor hen andere regels gelden dan die aan heterofielen worden gesteld. Zij hebben vanwege hun homofiele aanleg maar niet het recht zich uit te leven. Dat hebben heterofielen immers evenmin, als zijn er onder hen stellig ook die dat wel zouden willen. Er zijn onder heterofielen ook, die niet tot een huwelijk komen, hoezeer zij dat begeren. Vele ambtsdragers weten hoe met name ongehuwde zusters veel strijd moesten en vaak nog moeten voeren om te aanvaarden dat ze als ongehuwden haar sexualiteit niet kunnen beleven. Men moet zich daarvan geen geringe voorstelling maken.

Ook niet-homofielen hebben problemen

Op dat punt zijn het niet alleen de homofielen die in een moeilijke positie verkeren. Er zijn heel wat meer mensen in de christelijke gemeente van wie dit geldt. Wat te denken van de weduwe die haar man verloor, toen zij beiden nog maar begin of midden dertig waren. Zij heeft al kinderen. Of het tot een tweede huwelijk komt, is de vraag. In elk geval kunnen er jaren zijn, waarin de sexualiteit die niet bevredigd wordt, een kwelling is. Het punt dat mij geweldig aangrijpt, is de opmerking dat homofielen - in de gedachtengang die ik volg - er „van nature” toe veroordeeld zijn om van sexuele beleving af te zien, terwijl de sexualiteit in het leven van homofielen zo mogelijk een grotere rol speelt dan in het leven van heterofielen. Met opzet formuleer ik het zo. Er zijn heterofielen in wier leven sexuele verlangens en behoeften een geweldige grote plaats innemen. Er zijn homofielen in wier leven het sexuele een minder grote plaats inneemt dan bij de zojuist bedoelde heterofielen.

Wie zijn wij dat wij elkaar een wet zouden opleggen? Hoe kan men echter de bijbelse gegevens anders verstaan, zeker de nieuwtestamentische teksten als Romeinen 1: 26, 27, 1 Corinthe 6: 9 en 1 Timotheüs 1: 10, dan dat het praktizeren van homofielen niet te verdedigen is? Zij leiden tot een vorm van lustbeleving waarin de geslachtelijkheid los staat van de sexuele eenwording, die zegel is op het huwelijk van man en vrouw. Nogal eenvoudig zullen zij zeggen: wij zijn zo. Wij kunnen niet anders. Legt juist dit zo zijn dan in het geslachtelijke leven geen beslissende beperkingen op?

Trouwens, ook heterofielen hebben - gehuwd of ongehuwd - in sexuele zaken beperkingen te aanvaarden. Niemand mag sexualiteit naar eigen lust uitleven. Terecht wordt er gesproken over verkrachting binnen het huwelijk als de vrouw door de man gedwongen wordt tot sexueel verkeer, terwijl zij zelf om welke reden daartoe niet geneigd of bereid is.

De moeite van homofielen is dat geslachtelijk verkeer en geslachtelijke prikkelingen plaats vinden in een verband dat fysiek gezien niet een tweeëenheid maar de eenheid als „één plus één” doet beleven. Ook heterofielen zullen soms niet verder komen dan een sexuele beleving van één plus één. Dan schort er iets aan hun relatie en blijven ze beneden de maat die het huwelijk bedoelt. Voor homofielen is het fysiek onmogelijk de gewenste en bedoelde schepselmatige tweeëenheid te beleven. Het lichaam zal in hun relatie een rol spelen. Het is echter niet het lichaam van de een als complement van de ander. Het zijn en blijven, hoe pijnlijk het ook is te zeggen, twee afzonderlijke, niet op harmonie ingestelde lichamen. Hier zie ik de moeite. Een samenleven van twee homofielen staat in hetzelfde onverplichte kader als wat hiervoor werd opgemerkt over ongehuwd samenwonen. Het is een relatie die in zich met onvruchtbaarheid is geslagen. De angst van veel homofielen (om hun partner kwijt te raken) lijkt mij ook met deze intrinsieke onvruchtbaarheid samen te hangen. Het tegennatuurlijke trekt het spoor van het gewrongene. Ik zeg er direct bij dat het gewrongene net zo goed bij heterofielen kan voorkomen, zij het in een andere context.

Het zou een goed ding zijn als er in onze kerken een gespreksgroep van homofielen werd gevormd. Misschien zou „de Brug” hiervoor het initiatief kunnen nemen. Deze broeders en zusters zouden elkaar kunnen ontmoeten. Wellicht kan zo’n ontmoeting ook voor ouders van homofielen in het leven geroepen worden. Er is hulp nodig. Te lang hebben we niets gedaan.

Helpen wij homofielen door hen de ruimte te geven, eventueel zelfs aan te sporen om hun homofiele sexualiteit te beleven? Draagt dit sexuele leven niet juist de spanning van het alleen zijn, van het onvruchtbaar zijn sexualiteit beleven in zich? Helpen wij hen niet beter door hen begrijpend te benaderen en hen te wijzen op de zegen van de strijd die wettig en waardig gestreden wordt. Een strijd die heterofielen, ook getrouwde heterofielen, hebben te strijden? De strijd tegen het bloed en tegen de begeerten. De strijd tegen de schending van de orde die God heeft gegeven, en waaraan onze begeerten, ook van heterofielen, zich niet willen houden?

Er zijn gehuwden die op dit gebied evenzeer als homofielen hun hele leven lang een strijd moeten voeren. Er zijn gehuwden én ongehuwden die in deze strijd de kracht van Gods genade in vergeving en heiliging van begeerten ondervinden, zij het met vallen en opstaan.

Taak van de kerk

Op dat punt moet de kerk in liefde met haar leden omgaan. Dat geldt van de ambtsdragers. Het geldt evenzeer de leden onderling.

Hoe gaan wij als ambtsdragers om met hen die ongehuwd samenwonen?

Hoe met hen die homofiele praktijken beoefenen? Moet een huwelijk kerkelijk bevestigd worden van hen die ongehuwd hebben samengewoond? Gelukkig is er nog een inleider. Hij zal daar het zijne over zeggen; niet alleen maar vanuit de kerkrechtelijke kant. Kerkrecht is immers een zaak van pastoraat. Er is geen tegenstelling tussen kerkrecht en pastoraat. Ze zijn eikaars keerszijden.

Wel wil ik pleiten voor geduld en liefde, voor de bereidheid tot gesprek. Wel wil ik vragen om van voortijdige veroordeling af te zien en de anderen in liefde te benaderen. Trouwens hoeveel zonden zijn er in de kerk niet, die zelden genoemd worden, doch die even verwoestend voor de gemeenschap zijn als zonden op het gebied van de sexualiteit. Geroddel, liefdeloosheid, het elkaar negeren, het elkaar ondergronds of zelfs bovengronds tegenwerken. In al deze zonden steekt minstens zoveel schuld als in die op het gebied van de sexualiteit. En terecht kan gevraagd worden, waarom wordt er in de kerk zo weinig gesproken over zonden op sexueel gebied binnen het huwelijk? Wordt niet vaak de indruk gewekt dat alles geoorloofd en goed is, als men maar eenmaal getrouwd is?

Wanneer heeft de man zijn vrouw voor het laatst bedankt dat zij zo goed voor hem zorgt? Was het op de trouwdatum, die al weer enkele maanden of vele maanden achter ons ligt? Wanneer heeft de vrouw voor het laatst God gedankt dat ze haar man van God ontvangen heeft? Ik stel deze vragen de laatste tijd weieens, als het in de preek zo te pas komt. Je merkt dan dat mensen zo’n vraag in de kerk niet verwachten, al stemt hij gelukkig wel tot nadenken.

De kerk zit zelf met een geweldig vraagstuk in deze zaak. Dat moet wel eerlijk gezegd worden. Hoe zal ze als kerk over het huwelijk oordelen? Zal ze zich aanpassen bij het moderne levensgevoel, de normen laten varen die God heeft gegeven? Of zal ze een andere kijk - onder invloed van de moderne veranderingen - op de Bijbel krijgen, waardoor ook de visie op wat God als norm stelt verschuift?

Moet ook dit aspect van het probleem niet in het gesprek met ongehuwd samenwonenden betrokken worden? Moet ook niet in gesprekken over homosexuele praktijken erop gewezen worden, dat het pleidooi voor homosexuele praktijken besmettelijk kan werken op jonge mensen die geen homofiele aanleg hebben van jongsaf? Er zijn tal van jonge mensen die door de propaganda, niet in het minst via de TV, tot zulke praktijken worden aangespoord. Er is een door praktijk en navolging aangeleerde en zo verkregen homofilie. Het is taak van de kerk daarop te wijzen en daartegen te waarschuwen.

Ambtsdragers zullen zich in gesprekken en beslissingen altijd gezonden moeten weten. Door hun woorden en daden is de grote, de goede Herder bezig in het leven van mensen. Aan die norm moeten ze ook op dit gebied zich laten meten. Kan mijn optreden de toets van de grote, de goede Herder doorstaan? Ben ik Zijn dienaar en Zijn vertegenwoordiger geweest in het gesprek over problemen die ons vandaag bezig hielden?

Ik pleit ervoor dat de kerk haar koers duidelijk kiest. Ik pleit ervoor dat de kerk op herderlijke wijze ook in deze problemen te werk gaat. De kerk kan neen moeten zeggen. Dat neen moet altijd gepaard gaan met een ja tot de mens, over wiens handelingen neen gezegd moet worden. Dat is de spanning waarin ambtsdragers staan. Het is niet best als de mens achter de zaak schuil gaat. Als het gelijk willen hebben in ons standpunt ons de mens over wie het gaat, uit het oog doet verliezen. God beware ons ervoor dat dit in de discussie zou gebeuren.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.