+ Meer informatie

RIJK ALS NIET BEZITTEND

13 minuten leestijd

Als ‘rijkdom’ een zaak van overweging wordt, gaan de gedachten vele kanten uit. Wat is ware rijkdom? De vraag alleen al verraadt de mogelijkheid van ‘newspeak’. Dat wil zeggen dat je zo met de woorden jongleert, dat ze wel sprekend zijn, maar niet meer gaan waarover ze zouden moeten gaan. Toch is rijkdom meer dan een materiële aangelegenheid. Dus het woord ‘rijkdom’ boort verschillende lagen aan. Het is de kunst de vragen rond materiële rijkdom en geestelijke rijkdom niet tegen elkaar uit te spelen, maar aan elkaar te verbinden. In dit artikel zal ik daartoe op mijn manier een poging doen. Ik mediteer over de vraag hoe ik evangelisch verantwoord kan leven in rijkdom. De vraag zo gesteld verraadt een ‘calvinistische’ (zoals dat woord in onze taal gemeengoed is geworden) grondhouding: het moet kennelijk verantwoord worden en de vraag of het wel kan, staat voorop. Onbekommerd genieten en aanvaarden wat het leven aan rijkdom biedt, is er niet zomaar bij. Er is sprake van een zekere geprangdheid, een geweten dat op meerdere fronten spreekt. Welnu, dat is ook het geval. Of dat nu komt door een bijbels-calvinistische opvoeding, of door een maatschappij-kritische interesse, beide snijden hetzelfde thema aan: kun je wel onbekommerd genieten van rijkdom in een wereld vol onrecht, armoede en gebrokenheid?

Leven in rijkdom in een wereld vol armoede

Zelf ben ik van ruim ‘na de oorlog’. Er is maar een klein staartje ‘jaren vijftig’ in mijn herinnering achtergebleven. Mijn ouders konden (alle twee betaald werkend) goed meekomen in de welvaartsontwikkeling na de wederopbouw van Nederland. In de jaren zestig raakte ons huishouden compleet, tot wat nu ongeveer standaard is: ruimere woning, centrale verwarming, auto, tv, automatische huishoudmachines, jaarlijkse (buitenlandse) vakanties enz. Alleen de magnetron, videorecorder, cd-speler en computer zijn later gekomen. Ik werd ruim in staat gesteld te studeren en vervolgens flink in het zadel geholpen bij de start als predikant. Wij zijn inmiddels door de gang van mijn loopbaan (zelfs als predikant) in de positie gekomen dat er sprake is van een ruim inkomen (ook mijn echtgenote heeft betaald werk). Kortom: materieel gesproken hoor ik bij de rijke kant van de wereld, en bij de ‘rijke’ kant van Nederland. In de Nederlandse context betekent dat: aan de bovenkant van de middenklasse. Wereldwijd betekent dat: met een ongekende koopkracht, nog los van de luxe die we ons collectief in Nederland permitteren (infrastructuur, onderwijs, zorg enz.).

Hoe voelt dat, als je je dit realiseert, en wat blijft er over van kritische ideeën uit de jaren zeventig en tachtig, toen de schaduwkanten van westers economisch expansionisme en de doorgaande welvaartsontwikkeling in eigen land zichtbaar werden? Welvaart is nog geen welzijn, werd er toen gezegd. En: de achterkant van de rijkdom is de armoede. Ik sta qua denken en analyse nog steeds in de kritische lijn van toen. En dat is in rapport met het profetisch getuigenis van de bijbel, denk ik dan. Nog steeds houd ik er een soort ideaal van ‘binnenwereldlijke ascese’ op na: in de wereld leven, maar maat weten te houden, een economie van het genoeg proberen toe te passen in je eigen leven ter wille van ruimte voor anderen en terwille van persoonlijke geestelijke groei. Maar wat komt er van terecht?

De analyse en de ideeën van mensen als J. Tinbergen, H.M. de Lange en B. Goudzwaard (1) spraken en spreken mij zeer aan. Wel zijn we we minder overtuigd geraakt van de maakbaarheid van de wereld. Het hebben en willen realiseren van idealen kan zelfs contraproductief werken. Het boek De erfenis van de utopie van Hans Achterhuis opent daarvoor de ogen (2). Utopische bevlogenheid (ook gebaseerd op concepten van het Koninkrijk van God) kan leiden tot maatschappelijke ongelukken, als progressiviteit (op weg naar een andere, betere toekomst) farizeïstische en zelotische trekken krijgt (in de negatieve zin van deze woorden). Toch is er een zeker kritisch, op verandering gericht engagement gebleven.

Visie en levensstijl: een spanningsveld

Ik had ernstige kritiek in de jaren zeventig en tachtig op de generatie ervoor, die na crisis- en oorlogstijd zo kritiekloos leek mee te gaan met de materiële welvaartsontwikkeling en het economische groeidenken van toen (3). Eigenlijk is er sinds die tijd niet veel veranderd met betrekking tot armoede en milieudegradatie als schaduwkanten van eenzijdige economische ontwikkeling. De opkomst van de informatieve netwerkmaatschappij en het denken in termen van duurzaamheid lijken wel enig perspectief te bieden, maar de agenda 2001 wordt nog steeds bepaald door milieu, armoede en ondervoeding. In de afgelopen periode overleed mijn leermeester H.M. de Lange. Een leven lang heeft hij de urgentie van de problemen armoede en teloorgang van belangrijke milieuwaarden aangekaart. Hij combineerde het met een niet te doven inzet, optimisme en hoop. Er was nimmer sprake van berusting. Maar ook was er (net als bij zijn leermeester J. Tinbergen) een volgehouden sobere levensstijl, die respect afdwong.

Ondertussen leven wij zelf met onze kinderen niet merkbaar anders dan een gemiddeld Nederlands middenklasse gezin. Ik denk dat ik daarin ongeveer het zelfde doe als wat mijn oma in de stad deed in de crisistijd. Zij keerden de winterjassen van haar kinderen en naaide er ‘nieuwe’ van die niet te onderscheiden waren van echt nieuwe. Dat alles om er voor te zorgen dat je kinderen ‘goed voor de dag konden komen’. Het ‘gij geheel anders’ vertalen we ook vandaag in ieder geval niet zo, dat we in ons bestedingspatroon erg afwijken van wat er om ons heen gebeurt. Sommige dingen zullen niet zo gauw gebeuren (bezoek aan het casino bijvoorbeeld, overigens erg in trek bij personeelsverenigingen e.d.). Alles zal ook misschien een tikje bescheidener gebeuren. Ik vermoed, dat we relatief gesproken wat meer dan gemiddeld van ons inkomen en onze tijd afzonderen ter besteding buiten ons gezin, hoewel dit beslist niet een exclusief christelijke hebbelijkheid is. Ik ken heel wat niet-christenen die hierin menig regelmatig kerkganger voorgaan.

Alibi’s voor de rijken

Voor mezelf ga ik nog eens de visies na die het leven in rijkdom rechtvaardigen. Zijn ze houdbaar en op welke manier? “Het gaat er om dat je er niet aan hangt”. Dat was steevast de reactie die ik als maatschappij-kritische jongere kreeg van well-to-do medechristenen die zich de materiële welvaart na crisis- en oorlosgtijd goed lieten smaken. “Je mag wel rijk zijn, kijk naar de aartsvaders in de bijbel, als je je hart er maar niet op zet en God niet gaat vergeten”. Of: “Het gaat er niet om wat je hebt, maar wat je er mee doet”. Terecht bleef iemand als De Lange in zulke type gesprekken altijd vragen naar de herkomst van de welvaart, individueel, maar ook ingebed in de maatschappelijke verhoudingen. Een andere reactie: “Ik heb er hard voor gewerkt, dus mag ik er ook volop van genieten”. Waarop de wedervraag gesteld kan worden: en hoeveel geluk heb je gehad, de kansen, een goed stel hersens, gezondheid, enz.? Of de vraag: werkt een arme boer in India er dan niet hard voor? Hoe komt het dat hij er dan niet van kan ‘genieten’ (gesteld dat materiële welvaart hetzelfde is als ‘kunnen genieten’)? Ik stel me de vraag hoe ik — nu zelf dik aan de goede kant van de materiële welvaartsstreep — zelf sta in dat soort uitspraken. Zijn ze geen gemakkelijk alibi voor rijke mensen: ik ben wel rijk, maar ik ben het (echt waar) als niet bezittend!? Ik hang er niet aan. Ik ben niet (geestelijk) afhankelijk van het comfort. Ik sta er vrij tegenover. Ik ben niet verslaafd aan het geld, aan de mogelijkheden, aan het reizen enz. Ik denk dat het de moeite waard is voor (rijke) christenen dit regelmatig daadwerkelijk te toetsen. Waar uw schat is, daar zal uw hart zijn, heeft Jezus gezegd. Je meent er wel los van te zijn, maar in welke mate ben je toch niet ingepakt door wat zich in je leven ‘gewoon’ ontwikkeld heeft?

In één van zijn boeken beschrijft John Grisham hoe een jonge jurist in snel tempo gelijmd wordt aan het bedrijf waar hij is komen te werken. Hij raakt betrokken bij de minder oirbare praktijken, maar vanwege de goede arbeidsvoorwaarden die opgestapeld worden (inkomen, huis, auto, reizen, bonussen), waardoor in een hoog tempo een gewenning aan een comfortabel leven ontstaat voor hem in zijn gezin, wordt het razend moeilijk zich hiervan nog los te maken. Het leven gedraagt zich als een web. Hoe kun je deze positie nog opgeven? (4)

Tekenend zijn ook de ervaringen van ‘rijke’ Nederlanders, die in de campagnes van ‘De arme kant van Nederland’ (waarin stille armoede in Nederland in de jaren tachtig en negentig op de agenda werd gezet) uitgedaagd werden een tijdlang van een bijstandsinkomen rond te komen. Verbijsterende ervaringen leverde dat op. Zelf proberen we in de veertigdagentijd regelmatig een aantal zg. ‘magere weken’ te houden, als evangelische actualisering van de vastentijd. Het levert steevast discussie op in het gezin, omdat niet alle gezinsleden op dezelfde manier gemotiveerd zijn voor een (tijdelijke) sobere levensstijl. Hoe doe je dat eigenlijk: samen met je gezin een levensstijl ontwikkelen, die afwijkt van de grootste gemene deler, gesteld dat je dat al zou willen?

Nuchterheid van Calvijn

Veel ambivalenties spelen daarbij een rol. Calvijn heeft zich hier mee bezig gehouden. “Als we tot het leven geroepen worden, moeten we natuurlijk ook alles wat daarvoor nodig is, gebruiken. En we ontkomen dan niet aan de dingen die er meer voor het plezier dan voor de noodzaak lijken te zijn. Het komt er dus op aan maat te houden, zodat we ze, of het voor de noodzaak of voor het genoegen is, met een zuiver geweten gebruiken.” Calvijn beveelt een middenweg aan. Degenen die van alle comfort afzien en zich willen beperken tot het noodzakelijke vindt hij te streng. Degenen die verontschuldigingen zoeken voor onmatigheid vindt hij teugelloos. “Weg dus met die onmenselijke filosofie die het gebruik van het geschapene tot het noodzakelijke wil beperken (…), maar evenzeer moeten we aan de andere kant de lust van het vlees weerstaan (…). Hij moet in de eerste plaats met deze regel beteugeld worden: alle dingen zijn voor ons geschapen, opdat wij de Gever leren kennen en zijn goedheid tegenover ons met dankzegging prijzen. Maar hoe moet het met de dankzegging als je je zo gulzig vollaadt (.…), dat je onbekwaam wordt om God te dienen en je roeping te vervullen (…)? Want velen genieten zo van marmer, goud en schilderijen, dat ze zelf als het ware marmer worden, in edelmetaal veranderen en gaan lijken op de figuren van hun schilderijen”. Naast het genieten van het geschapene en de zegeningen van God, is er de onthechting die past bij het vreemdelingschap, dat wij op doorreis zijn naar een betere, rijkere toekomst! (5)

Woorden van Jezus

Welke gevaren bedreigen de rijke? Jezus heeft er rijkelijk de vinger bij gelegd. Denk aan uitspraken als: “Je kunt geen twee heren dienen, God en de Mammon”. Denk aan zijn bespreking van de bezorgdheid (hiernaar gaat het verlangen der heidenen uit). Denk aan het gevaar van egoïsme (de rijke man de arme Lazarus). Denk aan de comfortverslaafde, of de workaholic (de rijke jongeling en de rijke dwaas). Uitmondend in de uitspraak: “Het is makkelijker dat een kameel gaat door het oog van een naald dan dat een rijke het Koninkrijk van God binnengaat”. En “Zalig de armen, wee u gij rijken!” (6). Dat staat echt allemaal in het evangelie, ondanks de slogans van de welvaartstheologie, dat Jezus zou staan voor ‘first class’, en niks te maken zou hebben met een armoedementaliteit (7).

Jezus laat wel degelijk zien dat rijkdom de suggestie brengt, dat je God minder nodig hebt, en dat materiële verrijking nogal eens samengaat met geestelijke verpaupering. Is de oplossing: afzien van een leven in welvaart? Niet zonder meer. De weg is die van toetsing, bewustwording van wat rijkdom met je doet, van onthechting en bekering waar nodig, het vrijmaken van je mogelijkheden voor het Koninkrijk van God (denk aan Nicodemus en Zacheüs). Omgekeerd gaat het om het besef, dat in de verbondenheid met God er een schat te vinden is die alles te boven gaat (vergelijk de schat in de akker en de kostbare parel). Paulus kan zeggen: als een arme zondaar met een rijke Christus kan ik iemand zijn, die niets heeft en toch alles bezit (vgl. 2 Kor. 6: 10).

Blijvend appèl

Ik eindig met een verhaal uit de gevangenis waar ik werk als dominee. Ik leerde een ‘grotere’ jongen kennen. Niets wees er op dat hij enige heilbegerigheid aan de dag legde. Toch bezocht hij trouw de kerkdienst en de activiteiten van de geestelijke verzorging. Na een tijdje vroeg ik hem waarom hij dat deed. Hij zei: Dominee, ik kom naar de kerk om te horen en ingepeperd te krijgen, dat geld niet gelukkig maakt, maar ongelukkig. Dat moet jij namens die Jezus van jullie blijven zeggen. Ik ben er nog niet aan toe, maar ik geloof dat mijn harde steen ook uitgehold zal worden, als die druppel er maar op blijft vallen. Er komt een dag, dan geloof ik het. Dan word ik een ander mens!

Om dat appèl op mij zelf blijvend te laten uitgaan, heb ik op mijn studeerkamer naast beeltenissen van Calvijn, Luther en Willem van Oranje ook een lijstje hangen met daarin de heilige Franciscus, de minderbroeder, die in navolging van Jezus, de armoede verkoos boven de rijkdom.

Ds. Aarnoudse (1956) is justitiepredikant in Scheveningen en geestelijk verzorger in IGGZ De Geestgronden te Bennebroek. Eerder was hij o.a. als industriepredikant werkzaam.

Noten:

(1) H.M. de Lange. Werkelijkheid en hoop. Nieuwe dimensies van een verantwoorde wereldmaatschappij. Baarn 1975

B. Goudzwaard en H.M. de Lange. Genoeg van te veel. Genoeg van te weinig. Wissels omzetten in de economie. Baarn 1986. Herziene, uitgebreide druk: 1991

J. Tinbergen. Kunnen wij de aarde beheren?. Kampen 1987.

H.M. de Lange. Wij moeten ons haasten. Meedoen met het Conciliair Proces. Kampen 1988

(2) Hans Achterhuis. De erfenis van de utopie. Amsterdam 1998.

(3) Een artikel van o.a. mijn hand uit die tijd is: J.M. Aarnoudse en K.T. de Jonge ‘Diaconaat wereldwijd. Over de dienst van de kerk aan de armen’, in J.P. Versteeg (e.a.). De Geest schrijft wegen in de tijd. Opstellen over samen leven in kerk en wereld. Kampen 1984, p. 161–173

(4) John Grisham. Advocaat van de duivel (Engelse titel: The Firm, ook verfilmd)

(5) Afkomstig uit Calvijns Institutie, boek III, hoofdstuk X, geciteerd in: G.G. de Kruijf. Christelijke ethiek. Een inleiding en sleutelteksten. Zoetermeer 1999, p. 119–121.

(6) Vergelijk: Coen Boerma. Kan ook een rijke zalig worden? Een onderzoek naar bijbelse gegevens over arm en rijk. Baarn, 1978.

(7) Vergelijk het verslag over het optreden van de Nigeriaanse ‘succes’-voorganger Charles Ndifon in: Trouw, 27 oktober 2001, p. 16.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.