+ Meer informatie

De Jeugdouderling

8 minuten leestijd

De jeugdouderling is onder ons een nog weinig gekende figuur. Niettemin valt er iets voor te zeggen hem te creëren.

Onze tijd wordt wel een overgangstijd genoemd. Wij laten een verleden achter ons dat nooit meer terug zal keren. En we gaan een toekomst tegemoet waarvan we nu nog maar een flauw idee hebben. Wij hebben er grote moeite mee de versnelde beweging van de geschiedenis te volgen laat staan ze bij te houden.

Dit betekent dat er een algemeen gevoel van onzekerheid is. Wij krijgen met een dermate indrukwekkende schaalvergroting van onze samenleving te doen, dat ruimtevrees een begrijpelijk verschijnsel is. We kunnen het niet meer overzien. Het geheel wordt te gecompliceerd. Een heel levenspatroon wordt aangetast. En een nieuw loophek is nog niet geconstrueerd.

De levenssfeer van heden is totaal verschillend van die van voor de oorlog. De lezers van dit stukje zijn, evenals ik, voor het merendeel groot geworden in de vooroorlogse tijd. Wij dachten toen toch wel een beetje, dat wat toen bereikt was, zou blijven tot de wederkomst van Christus. Wij konden ons nauwelijks voorstellen, dat letterlijk alles nog eens in discussie zou komen, en dat we er nog eens toe zouden overgaan allerlei zonder veel verdriet los te laten. Kort gezegd: wat toen bijna absoluut was, is nu goeddeels gerelativeerd.

Mitsdien krijgen de jongemensen van nu aarzelende antwoorden op heel veel vragen. Radicaal als ze graag zijn, staat hun dat niet zo goed aan. Neiging om vrij soepel het leven zoals vader en moeder dat leven over te nemen ontbreekt vaak. De traditie staat niet hoog genoteerd.

De sfeer van vandaag leent zich er goed toe om wat in paniek te raken. En dat kan dan naar twee kanten: dat de ouderen het af laten weten en verstoppertje spelen óf dat er een kramptoesand optreedt waarin maar één parool meer geldt nl. het bestaande handhaven en zich afsluiten van de gang van het leven. Laten we allereerst gelovig nuchter zeggen, dat we nog niet uit ’s Heren hand gevallen zijn en dat Hij de wereld waarin wij met onze kinderen leven, liefgehad heeft. En indrukwekkend ook. Christus regeert en de Heilige Geest heeft het werkschort voorgedaan midden in de wereld.

Dat het er derhalve niet saai naar toe gaat, was te verwachten. Dat in deze wereld met God in ons midden de ondsterste steen gaat boven komen, verbaze niemand.

Daarom behoren we ons er ook niet al te zeer over te verwonderen, dat de vragen waarmee wij geconfronteerd worden scherper, harder en fundamenteler worden.

Bijvoorbeeld: in onze jeugd was onder ons dé grote vraag op kerkelijk en geestelijk gebied de vraag naar de toeëigenirg van het heil en hoe kom je „er” aan. Deze vraag is voor onze huidige generatie verbleekt en op de achtergrond gedrongen. Het gaat nu niet meer over de wég naar God maar over Godzelf. Is Hij er? Merk je, dat Hij er is? Is geloof wel mogelijk? Maakt het voor de gang van het leven nog ene syllabe uit of je gelooft of niet?

Zo worden we teruggeworpen op de allerlaatste vragen.

Dat betekent, dat we het gevoel krijgen het abc van wat altijd als vanzelfsprekend werd verondersteld, opnieuw te moeten leren. Het gaat om de bodemkwesties. En daarbij doen we de ontdekking, dat we in ons leven gebrek aan bodem hebben. Inderdaad — het gaat er om of we op de rots gebouwd hebben of op zand. De storm steekt op.

Dat geeft zorgen, ongetwijfeld. Maar — en nu heel eerlijk — hebben we heel eigenlijk gezegd misschien meer zorgen over onszelf dan over onze kinderen? Komen we wellicht tot de ontdekking, dat onze bagage te weinig bevat aan dingen, die we zelf nog op de toonbank van het leven durven leggen?

Laten we nóg een nuchtere constatering doen. De wezenlijke problemen van het menszijn zijn nog precies dezelfde als in de tijd van de Batavieren en in die van Karel de Grote. Ook nu sterven de mensen nog. En ze hebben hun angsten. En ze worden ziek. En ze stuiten op corruptie in de samenleving. En hun eigen hart is niet zo brandschoon als veel woorden wel willen doen geloven. En ze hebben nog de neiging om heel beste oogkleppen te kopen. Dan zie je lekker niets.

Laat ik bovenstaand verhaal niet langer maken. De bedoeling was slechts de weg wat te efenen voor het aanstellen van een jeugdouderling.

Daar moet niemand wonderen van verwachten. Maar evenmin betaamt het om er niets van te verwachten.

Laten we eerlijk zeggen, dat een goede catechese alvast rra;htig v:e! letekeren kan. Uit mijn praktijk in de gemeente heb ik de indruk, dat er een heel ritsje jonge mensen is, dat juist in het catechisatielokaal het spoor leerde ruiken. Als de catechese faalt, is er naar mijn inzicht iets in gang gezet, dat nauwelijks meer te herstellen is.

Zulke catechese — en dan maar met moderne hulpmiddelen — is het halve jeugdpastoraat.

Dat neemt echter niet weg, dat de kerkeraad er al jaren moeite mee heeft om de jongelui aan de jas te komen. En je kunt de predikant — gesteld al dat hij er voor geschikt is — niet eenzijdig met het achternazitten van de jonge mens belasten

Het zou wel eens heel dienstig kunnen zijn een broeder te vinden die er bij zonder zijn werk van maakt om de zorg van de goede Herder voor jongens en meisjes wat naar die schapen toe te brengen Zij hebben er ook met naar gesolliciteerd om uitgerekend in deze tijd middels hun vader en moeder op de wereld te komen Hun aandacht wordt naar alle kanten opgeëist si Ze n oeten allemaal als ’t kan wat leren, en sommigen zelfs heel veel jaren Ze zijn meer uithuizig dan inhuizig Allerlei specialisaties op vakgebied bemoeilijken een simpele communicatie met andere leeftijdgenoten

Zo’n jeugdouderlmg, die de vleugels wat heeft over de jeugd, kan goud waard zijn Maar als je er ooit een aanstelt, dan moet het een goeie zijn Want anders is de ramp met te overzien Als het b v op deze manier zou gaan Ja we zullen maar besluiten een ouderling met bijzondere opdracht voor de jeugd aan te stellen Wie van de broeders is het minst zwaar belast? Wie heeft de meeste vrije tijd” — dan moet men er nooit aan beginnen De man, die dit werk moet gaan doen, zal misschien wel net die broeder zijn, die al voor allerlei gestrikt wordt, omdat hij ’t nu eenmaal zo goed kan Ja, ik heb de idee, dat een onmisbare broeder uit de kerkeraad nu juist van alles zo ongeveer vrijgesteld moet worden om uitgerekend jeugdouderlmg te worden Voor de jeugd moet wel de beste man worden aangewezen Hij moet vrij jong van jaren zijn als regel Anders krijg je moeite met het generatieverschil HIJ moet een functie hebben m de maatschappij, die hem verplicht het leven niet langs zich heen te laten gaan Hij moet een groot incasseringsvermogen hebben want hij zal van alle kerkeraadsleden zo nu en dan de zwaarste laag te incasseren hebben Zijn hart moet zo wijd zijn, dat hij met direct begint te zedepreken als hij glashard dingen hoort zeggen die hij binnen de kerk nog nooit eerder gehoord heeft Hij moet cntisch staan tegenover de kerkelijke verworvenheden en besef hebben, dat veel dingen inderdaad anders kunnen en misschien ook wel beter En vooral moet het goed duidelijk zijn, dat hij het wezenlijke van wat geloven is begrepen en ervaren heeft Want anders veegt een aantal jongelui de vloer met hem aan Want er zijn vrij veel jongelui, die verstandelijk behoorlijk ontwikkeld zijn m hun vak en schijnbaar hun weetje weten, terwijl de schapen de eerste klas van de school van het echte leven nog nauwelijks betreden hebben Een jeugdouderlmg moet bij uitstek ergens door heen kunnen zien en tussen de regels door kunnen luisteren Hrj moet heel duidelijk het spoor kunnen wijzen

Daarmee bedoel ik in de verste verte niet, dat hij op alle vragen een antwoord moet weten Dat weet hij niet en de jongemens verlangt het nauwelijks Wat hij wel weergaloos goed moet snappen, is, dat zulke vragen kunnen ópkomen En dan is hij al voor driekwart klaar met zo iemand

Uit het bovenstaande vloeit voort, dat ik bovenaan zet mijn pastorale taak En dan een hele ijd mets en dan komt b v , dat hij er wat aan kan doen om iemand voor de gemeentelijke clubs etc te werven En weet ik welke klusjes er nog meer voor zo n man te doen zijn Daar zal wel geen eind aan zijn

Maar ik wou in dit artikel slechts drie dingen duidelijk trachten te maken: Ten eerste, dat zo’n man geen weelde is in deze tijd, ten tweede, dat het beslist een geschikte man moet zijn en geen stuk noodverband, en ten derde, dat zijn werk bovenal van pastorale aard is, en dat hij geen klusjesjongen van de verenigingen wordt. Hoewel dat laatste natuurlijk ook wel eens mag. Dat is echt niet verboden. Maar ‖ och, de welwillende lezer begrijpt mijn bedoeling wel.

Ik hoef niet meer hardop te zeggen, dat zo’n jeugdouderling een razend fijne taak heeft.


Ambtelijk contact met vakantie

Ook dit jaar weer zal „Ambielijk Contact” niet verschijnen in de maand augustus. De meeste ambtsdragers genieten in deze zomerdagen hun vakantie. Het is niet prettig daarna grote stapels post te moeten doorworstelen. De redactie wil U daarvan voor haar deel bevrijden en wenst U een in alle opzichten goede rustperiode.


Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.