+ Meer informatie

Enkele opmerkingen over het kerkverband

11 minuten leestijd

Op allerlei wijze is vandaag de vraag naar het wezen en de bedoeling van het kerkverband weer actueel geworden. De kerkelijke situatie van Nederland op dit moment confronteert ons heel sterk met de vraag: Wat is het wezen, waar liggen de grenzen van het kerkverband, zo zou men met het oog op de Gereformeerde Kerk (synodaal) kunnen vragen. Wat is het nut, welke zijn de voordelen van het kerkverband, en is dit wel zo noodzakelijk, zo kan men horen in de kringen van de z.g. buitenverbanders. Enkele losse, op zichzelf staande opmerkingen zou ik nu willen maken.

Spanning

Het kerkverband blijft een zaak van spanning. Deze hangt min of meer samen met het wezen van de kerk zelf. In het Nieuwe Testament wordt op tweeerlei manier over de kerk gesproken: soms kan het woordje Kerk aanduiding zijn van een plaatselijke gemeente, die samenkomt als een afzonderlijke eenheid. Soms wordt hetzelfde woordje gebruikt om de eenheid aan te duiden die bestaat tussen verschillende plaatselijke kerken. De kerk van een bepaald gebied, van een bepaalde landstreek kan dan in dit eenheidsbegrip worden aangeduid. Daarin wordt dan de gedachte aangeduid, dat de kerk in wezen één is, en dat de gemeenten zo zeer bij elkander behoren, dat zij als één gemeente kan worden aangeduid.

Men kan de zaak benaderen vanuit de plaatselijke kerk. Dan moet men zeggen in zulk een plaatselijke kerk komt daar en dáár, in die en die omstandigheden de gehele kerk van Christus tot openbaring. Christus is daar Zelf tegenwoordig met de volheid van Zijn genade en macht. Hijzelf verleent aan zulk een plaatselijke gemeente een volmacht, waardoor binnen die plaatselijke gemeente het leven wordt geschonken, de zonden worden vergeven, de zondaren worden getroost en geleid. Christus Zelf openbaart Zich daar en is er present.

Maar men kan de zaak ook benaderen vanuit de algemene kerk. En dan moet men zeggen: die plaatselijke kerken hebben elkander nodig. Zij zijn op elkander aangewezen. Zij hebben weliswaar het heil des Heren ten volle, maar zij hebben niet elk en een ieder alleen en op zichzelf staande het volle heil. Daarvan geldt dat het een zaak is van alle heiligen, en dat daarin de gemeenten of kerken elkander onderling niet kunnen missen.

Deze spanning tussen algemene kerk en plaatselijke gemeente is er een die met de tekening van de kerk in het Nieuwe Testament gegeven is. Het is dezelfde spanning als die, waarin elk christenleven staat: in Christus is er voor de gelovige de volmaaktheid maar diezelfde volmaaktheid blijft het doel, waarnaar zij jagen. Zo staat het met de kerk ook. In een plaatselijke gemeente is de Here Christus met Zijn volle heil tegenwoordig. En toch is het daar nog ten dele, omdat men niet samen met alle heiligen in het heil staat. Dit hangt samen met het „ten dele” waarover Paulus spreekt in 1 Cor. 13. Dit „ten dele” zal eenmaal voorbijgegaan zijn. Dan is ook de spanning tussen kerk en kerken, tussen de kerk in het enkelvoud en die in het meervoud verdwenen. Dan is alles teruggebracht tot de eenvoud der dingen, die met de volmaaktheid gegeven is.

Pendelbeweging.

Tot zolang zal er tussen kerk en kerkverband een spanning blijven bestaan in meer dan één opzicht. Op één facet daarvan wil ik nu even wijzen, omdat deze spanning soms wordt opgelost in een soort pendelbeweging. De geschiedenis van de laatste honderd jaren geeft daarvan een heel goed voorbeeld. Tenminste voor wat ons eigen land betreft. Wie de geschiedenis van de kerk in de vorige eeuw bestudeert, wordt getroffen door de kunstmatige eenheid, die als een maatregel van boven, op de Hervormde Kerk kwam te liggen. De éne kerk onder het éne bestuur, met het éne reglement, dat overal goldt. Kunstmatig was die eenheid, omdat zij van bovenaf werd opgelegd en meer nog, omdat zij niet gefundeerd was in de eenheid van het belijden. Deze had men sinds lang losgelaten. Nu slaat in de doleantietijd de beweging door naar de andere kant: alle nadruk komt te liggen op de plaatselijke kerk, met verwaarlozing van het kerkverband. Het z.g. doleantiekerkrecht gaat daarvan heel sterk uit. En dat is de kracht geweest van de doleantie. Natuurlijk had dit ook zijn schaduwkanten. En die kwamen aan het licht, toen in de jaren twintig van deze eeuw dat doleantiekerkrecht niet meer toegepast kon worden. In de procedure-Geelkerken kon men er ook niet veel mee beginnen. Daarom werd de kerkrechtelijke klok teruggedraaid. Nauwkeurige studie, vooral van Voetius, zou hebben aangetoond, dat het kerkverband méér betekenis had, dan men in de tijd van de doleantie wel had laten uitkomen. Het kerkverband trad in werking en schorste Geelkerken. De nadruk lag nu op de algemene kerk. Tot welke machtsoverschrijdingen dit wel moest leiden is helaas duidelijk gebleken in de tijd rond de Vrijmaking. ”Velen hebben zich in die dagen niet maar vrijgemaakt van de synodale bepalingen en besluiten vanwege de leerstellige inhoud van die besluiten, maar vanwege het verkeerde kerkrecht, dat er achter schuil ging. Zij waren kerkrechtelijk bezwaard. En terecht.

Maar wat geschiedde nu weer? De beweging sloeg opnieuw door naar het andere uiterste. Een bekend voorbeeld daarvan treft men aan in de theorie van het z.g. ratificatierecht: een synode mag wel een bepaalde beslissing nemen, maar de kerkeraden kunnen dat slechts voor vast en bondig houden, en het rechtkracht verlenen, wanneer zij zelf zulk een besluit overnemen. Men noemde dat met een vreemd woord: ratificeren. In feite is daarmee ieder besluit van een meerdere vergadering aanvechtbaar. Men kan deze reactie heel goed begrijpen tegen de achtergrond van het verleden, waarbij verschillende synodes zich aan machtsusurpatie hadden schuldig gemaakt, maar men zag daarbij toch over het hoofd, dat het „tenzij” (uitzondering) van art. 31 in werkelijkheid was geworden tot een permanente vooronderstelling voor alle kerkelijke besluiten door kerkelijke vergaderingen genomen: wij zullen eerst eens onderzoeken óf dit wel is te ratificeren, en blijkt een synodebesluit houdbaar, dan zullen wij het doen. Met deze redeneertrant kwam het accent weer geheel en al te liggen op de plaatselijke kerk.

Totdat er binnen de Vrijgemaakte Kerken de moeilijkheden kwamen, die de oorzaak vormden van het ontstaan der z.g. Buitenverbandse kerken. Voor de buitenstaander had het er in ieder geval alle schijn van, dat de synode der Vrijgemaakte kerken weer alle nadruk ging leggen op de macht van de meerdere vergadering, op de bevoegdheid van het kerkverband dus, om degenen, die met de Vrijgemaakte visie op de kerkstrijd niet geheel en al instemden, buiten het verband der kerken te plaatsen. Toen sloeg de beweging weer door naar de andere kant. Te voren had men reeds afgedongen op het ratificatie-recht der gemeenten, nu kwam het volle gewicht weer te liggen op het recht van een synode zonder meer.

Een laatste reactie in deze voortdurende pendelbeweging schijnt nu op te treden in de kring van de z.g. Buitenverbanders, waar men van de weeromstuit nu elke tendens naar het stellen van een kerkverband onder kritiek stelt. Wie deze groepering volgt ontkomt niet aan de indruk, dat de grote meerderheid van hen positief staat ten opzichte van kerkorde, kerkrecht en kerkverband. Maar hier en daar zijn er tekenen, die wijzen op een reactionair verwerpen van kerkorden en meerdere vergadering. Mogelijk wel begrijpelijk, maar niet te verdedigen. Wie in aanraking komt met een negatief gehanteerd kerkrecht zal negatief tegenover dat kerkrecht kunnen komen te staan. Maar is dat billijk? Is het kerkrecht veroordeeld, omdat er mensen zijn, de gehele geschiedenis door, die het verkeerd gebruiken? Misbruik van een zaak heft het goede gebruik niet op.

Een tussenweg?

Men zou, gezien het bovenstaande kunnen menen, dat het gereformeerd kerkrecht en de gereformeerde opvatting omtrent de verhouding tussen de zelfstandigheid van de plaatselijke kerk en het kerkverband, het midden houdt tussen het independentisme en de hiërarchie. Maar dit is ten onrechte gedacht.

Independentisme is die stroming in de geschiedenis, die op de autonomie van de plaatselijke kerk het volle gewicht plaatst. Onafhankelijk van een kerkverband stelt de plaatselijke gemeente zich op. De congregatio is volledig autonoom. Zij heeft met een verband van de kerken in zo verre niets uit te staan, dat dit laatste er niet wezenlijk bij behoort. Toch is het independentisme méér dan dat. Het raakt niet alleen de verhouding tussen de kerk en de kerken, maar ook die tussen de gemeente en de kerkeraad. De gemeente kan zich ten opzichte van de kerkeraad ook zelfstandig opstellen. Independentisme vertegenwoordigt een bepaalde visie op het gezag in de kerk. Dit wordt gezocht in de vergadering der gelovigen.

Hiërarchie is precies het tegenovergestelde. Het is de tendens, die de gehele geschiedenis door aan de oppervlakte komt, waar mensen zich stellen boven het erfdeel des Heren. In de roomse kerk is dat het geval. Een innerlijke, immanente macht onderscheidt daar de geestelijke van de leek. Daarom heeft de geestelijke ook, op een onverliesbare manier, zeggenschap over het erfdeel des Heren. De reformatie heeft deze hiërarchie op een duidelijke en besliste manier afgewezen. Maar is overal deze zuurdeeg geheel uitgebannen? Kan een synode niet hiërarchische trekken gaan vertonen? En kan — let op ! — een kerkeraad ook niet heersen over het erfdeel des Heren?

Wie zo de gevaren ziet zou kunnen menen, dat het gereformeerde standpunt een soort middenweg vormt tussen hiërarchie en independentisme, een juiste midden. Een niet-dit, maar ook nietdat. En zo kan het inderdaad wel lijken. Maar in feite is dit niet het geval. Wie een middenweg wil bewandelen loopt groot gevaar om permanent zo bezig te zijn met zijn eigen positie, dat hij het doel van de reis niet bereikt. Middenweg-houders lopen groot gevaar om in een kerkelijk-neurotische positie te geraken. Krampachtigheid is daarvan het gevolg. Neen, de gereformeerde visie op kerk en kerkverband is niet een juiste-midden-positie. Het is de weg van het Woord.

Op enigerlei wijze wordt én bij het independentisme én bij de hiërarchie het gezag vastgemaakt aan de mens of aan de mensen bij elkaar, aan mensen die in de kerk vergaderd zijn, of aan mensen die op een synode vergaderd zijn. En dat is nu juist hetgeen een gereformeerd mens verwerpen moet. Hij verwerpt alle gezag van de mensen. En hij begeert ten volle te buigen onder het gezag van het Woord, dat is onder het gezag van Hem, Die door Zijn Geest dat Woord spreekt. Hij is de Koning van Zijn kerk. En Hij zegt in Zijn Woord wat Zijn wil is.

Daarom wil het gereformeerde kerkrecht de weg openhouden voor het Woord van God. Dat is een koninklijke weg. Het is een ándere weg. Het is een heilzame weg. Het is de enige weg. Waar het woord van de Koning is, daar is heerschappij. Onder de gehoorzaamheid van dat Woord zal een ieder, die God vreest van hart willen buigen. En dat maakt vrij. De waarheid zal u vrijmaken.

De weg van de Heilige Geest.

Omdat de gereformeerde weg van de kerk naar de kerken, en van het kerkverband terug naar de plaatselijke kerk, de weg van het Woord is, daarom is het ook de weg van de Heilige Geest. Dat is zo oer-reformatorisch, dat wie dit vergeet terugvalt in het despotisme. Deze visie maakt moedig. Want nu kán één alleen het tegen een hele synode, ja, als het wezen moet, tegen een generaal concilie opnemen. De Reformatie is zonder dit uitgangspunt niet dankbaar. De moed van Luther, de onverzettelijkheid van Calvijn is hierin geworteld. Moedig maakt het Woord.

Deze visie maakt echter niet alleen moedig, maar vooral ook ootmoedig. De Heilige Geest geeft zijn wil niet aan één alléén te verstaan. Maar Hij verleent zijn gaven aan een ieder. En in het overleg, in het samen zoeken naar de weg, in het onderlinge biddende beraad wordt de wil des Heren gekend. De wortel van wat gereformeerde mensen in het begin hebben gezegd over de macht van synodes ligt in dit eigenaardige licht op het werk van de Heilige Geest. Men kan ook zeggen: in het geloof in de tegenwoordigheid van Christus zelf. Opmerkelijk is, dat in synodale uitnodigingsbrieven, die uit de begintijd bewaard zijn gebleven, dit een belangrijk motief is. Waar twee of drie in de naam van Christus bijeen zijn, daar is de Here zelf aanwezig en daar mogen wij samen bidden om Zijn leiding en daar wil Hij Zich niet onbetuigd laten. Wie dit niet geloven kan, moet nooit op een kerkelijke vergadering komen. Maar hij moet ook nooit met een broeder of zuster een eenvoudig gebed doen om de leiding van de Geest. Hij moet geheel alleen blijven staan. Hij moet zich van allen afkeren, en zeggen: ik weet het alleen, of eigenlijk weet ik het helemaal niet. Hij zou aan alles moeten vertwijfelen. Niet alzo degene, die weet heeft van de leiding van de Heilige Geest. Hij zal die leiding zoeken, voor zichzelf en alleen, maar ook voor anderen en mét anderen.

In de pluriformiteit van de gaven van de Heilige Geest ligt zo een belangrijk theologisch motief voor het samenkomen der kerken ook in meerdere vergaderingen. Maar er is nog meer over te zeggen. Bij leven en welzijn daarover de volgende keer.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.