+ Meer informatie

Genesis 2 en 3

6 minuten leestijd

23

Prof. Oosterhoff besluit zijn boek met de paragraaf over Assen 1926. Daarmee was hij ook begonnen.

Eerst wijst hij er op, dat aan de kwestie-Geelkerken in 1926 de zaak-Netelenbos in 1920 was voorafgegaan. „Ds. J. B. Netelenbos, toen gereformeerd predikant in Middelburg, nam inzake de organische inspiratie het standpunt in, dat God de schrijvers van de Heilige Schrift in hun gedachtengang geleid had bij de teboekstelling van zijn Woord, maar dan zó, dat daardoor de menselijke faktor niet werd uitgesloten en daarom rekening moet gehouden worden met het menselijk onvolkomene in de Schrift. Er moet onderscheiden worden in de Heilige Schrift tussen haar wezen en haar uitwendige gestalte, tussen de waarheid, die God heeft geopenbaard en de beelden en vormen, waarin de bijbelschrijvers die waarheid uitdrukken. Die beelden heeft God niet ingegeven. Wat Gen. 2 en 3 betreft betekent dat, dat Netelenbos vast hield aan de feiten, dat er een val geweest is door verleiding en dat de zonde uit de duivelenwereld in de mensheid is gekomen, maar dat dit wordt meegedeeld in oosterse inkleding, d.i. in mythische vorm. En deze vorm moet wel beschouwd worden als door God gewild en staande onder zijn providentiële leiding, maar niet gerekend worden tot het geïnspireerde, zodat deze vorm feilbaar is.” Zo schrijft prof. Oosterhoff. En even verder:

„Ook wanneer de feiten in een bijzondere vorm worden meegedeeld, is er toch tussen feit en vorm een zodanige eenheid dat het een van het ander niet kan worden losgemaakt en niet alleen de mededeling van de feiten, maar ook de vorm waarin dit geschiedt als door God gewild en ingegeven moet worden beschouwd. Netelenbos wilde scheiden van wat God zelf heeft samengevoegd. Bovendien leidde het standpunt van Netelenbos tot een gevaarlijk subjektivisme. Van een onderscheiding tussen inhoud en vorm, feit en inkleding wilde dan ook dr. J. G. Geelkerken terecht niets weten. Beide zijn door God geïnspireerd, maar dit neemt niet weg dat er vragen zijn omtrent de wijze waarop de feiten in Gen. 2 en 3 worden meegedeeld en hoe allerlei bijzonderheden, die deze hoofdstukken ons berichten, moeten worden uitgelegd.”

Verder zegt prof. Oosterhoff: „De feiten en het historisch karakter van Genesis 3 stonden voor Geelkerken vast. Alleen over de wijze waarop een en ander verstaan moet worden kan verschil van mening bestaan.”

„Geelkerken kan onmogelijk die Schriftopvatting onder de Gereformeerden aanvaarden, die alles letterlijk neemt en daaruit rationalistisch en scholastisch van alles afleidt.”

Prof. Oosterhoff meent, dat het zwakke punt bij Geelkerken is dat hij niet zelf een exegese van Gen. 1-3 gegeven heeft en de juistheid van zijn standpunt en de onhoudbaarheid van een letterlijk verstaan van deze hoofdstukken vanuit de Schrift zelf heeft aangetoond. „Hij wil ruimte laten voor een andere dan de traditionele exegese van de bewuste hoofdstukken” „Het gevaar dat de synode vreesde door het standpunt van Geelkerken was juist, dat zijn exegese tot „willekeur” leiden zou. De gereformeerde synode wilde allerminst de vrijheid van exegese aan banden leggen, maar zij zag niet in dat de Schrift zelf aanleiding geeft tot een andere dan een letterlijke verklaring van Gen. 1-3, waarom ze tegenover Geelkerken staande hield, dat niet slechts een kwestie van exegese, maar aantasting van het gezag der Schrift aan de orde was. En daartegen had Geelkerken niet voldoende verweer.”

Hier is de geleerde schrijver weer bij zijn eigen standpunt terecht gekomen.

Hij bespreekt verder de gang van zaken op de synode te Assen en zegt dan: „Dat wij in Gen. 1-3 met een bijzondere wijze van geschiedbeschrijving zouden kunnen hebben te doen, omdat ook sprake is van een andere dan gewone geschiedenis en dat wat gebeurd is in het paradijs op profetische wijze kan zijn verhaald, wordt door de synode niet serieus genomen. Zonder meer wordt dit in strijd geacht met het art. 4 en 5 der Ned. Gel. Bel. beleden gezag der Heilige Schrift.”

Verder schrijft prof. Oosterhoff: „Voor Geelkerken lagen de vragen rondom Gen. 2 en 3 in het vlak van de exegese. Voor de synode in het vlak van Gods Woord. Ze heeft de letterlijke interpretatie van Gen. 2 en 3 zozeer met het goeddelijk gezag van de H. Schrift op één lijn gezet, dat een andere interpretatie van meetaf als een aantasting van het Schriftgezag wel beschouwd moest worden.

De synode meende, dat men aan het goddelijk gezag van Gen. 2 en 3 niet kan vasthouden en dat men de grenzen van de schriftgebonden exegese overschrijdt, wanneer men de vier „bijzonderheden” in Gen. 2 en 3 (de boom der kennis des goeds en des kwaads, de boom des levens en de slang en zijn spreken) niet letterlijk opvat en niet voor zintuigelijk waarneembaar houdt. Maar daarin kon wel eens een typisch intellectualistische trek naar voren komen. Want de klaarblijkelijkheid van de letterlijke en exakt-historische opvatting van Gen. 2 en 3, als de enige juiste en alleen met het gezag der H. Schrift in overeenstemming, treedt uit de hoofdstukken niet zo evident naar voren als de synode suggereert.”

„Met Geelkerken” — aldus de schrijver — „vermag ik ook niet in te zien waarom in Gen. 1-3 wel het inblazen van de adem van God in de neusgaten van de mens en de mededeling omtrent de „rokken van vellen” in Gen. 3 :21 niet letterlijk, maar de zgn. vier „bijzonderheden” wel letterlijk behoren genomen te worden. De synode maakt dat ook nergens duidelijk. De scheiding tussen wat wel en niet letterlijk moet genomen worden, tussen wat werkelijkheid en symbool is, is typisch westers-intellektualistisch. Daarop waren de vragen van de synode aan Geelkerken gericht: wat is werkelijkheid en wat is symbool? Het is alles werkelijkheid wat ons in de hoofdstukken gegeven wordt, maar de werkelijkheid wordt op bijzondere wijze weergegeven.”

Prof. Oosterhoff haalt nog een uitspraak van Trimp aan: „Deze betrouwbaarheid van het spreken van de Heilige Schrift is het enige „axioma” van Assen, hét Schrift-beginsel ter Schriftverklaring. Dat wil dus tegelijk ook zeggen, dat elk, die op gronden, aan de Heilige Schrift zelf ontleend, in staat is de „klaarblijkelijkheid” van de letterlijke uitleg van de vier zgn. „bijzonderheden” uit Genesis 2 en 3 te bestrijden, legitiemgereformeerde arbeid verricht en in zijn argumentatie aangehoord zal dienen te worden. Dat ligt voor ons volstrekt in de lijn van Assen!”

En dan besluit zijn boek met: „En in die lijn heb ik bedoeld dit boek te schrijven.”

We hebben getracht in deze artikelen een inzicht te geven in de gedachtengang van de schrijver en zo hier en daar onze opmerkingen gemaakt. Het aantal artikelen is groter geworden dan we gedacht hadden. De zaak is het naar onze meaan de orde. We hebben niet alles naar voren gebracht. Dat was ook niet nodig. We hebben wel getracht te laten zien wat in verschillende opzichten de eigen mening van prof. Oosterhoff is. Dat het boek van de geleerde schrijver ons niet bevredigt behoeven we niet te zeggen. We vragen met zorg af wat hieruit nog voort zal vloeien.

We mogen wel bidden: En dat Uw Geest mij, ons, ware wijsheid leer”.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.