+ Meer informatie

Zorg voor verstotenen in Bethlehem

10 minuten leestijd

In Huize Jemima in Bethlehem worden gehandicapte Arabische kinderen verzorgd. De meeste bewoners van Jemima zijn verstoten door de eigen familie, omdat ze een schande heten te zijn. In Jemima worden ze liefdevol opgevangen door het echtpaar Ed (48) en Heleen (55) Vollbehr.

Bethlehem hoort officieel nog bij Israël, maar wordt voornamelijk bevolkt door Arabieren. Om in het zogenaamde bezette gebied te komen moet je eerst de Israëlische controlepost passeren. Ik rijd met Ed mee in het busje dat aan Jemima toebehoort.

Op deze hoogzomerse dag schijnt de natuur haar best te doen om deze heuvelachtige omgeving er zo vriendelijk mogelijk uit te laten zien. Jemima is een groot huis, opgetrokken uit zachte, gele stenen. Het doet vriendelijk aan en het is er heerlijk koel. Op de drempel ligt Ibrahim, alias Muis. „Muis, ga eens aan de kant, er moeten mensen langs." Muis is Oostindisch doof en blijft rustig waar hij is, tot een van de verzorgers hem optilt.

In de eetzaal is het een drukte van belang. Gekletter van bestek op de borden en schuivende stoelen. De maaltijd wordt beëindigd met het zingen van "Hemelse Vader, wij danken U." De Arabische kinderen met hun pikzwarte haren en donkere bruine ogen schijnen geen moeite met het Nederlands te hebben. Heleen legt uit hoe dat komt.

„De kinderen groeien hier drietalig op. Ze spreken van huis uit natuurlijk Arabisch. Wij hebben ze per ongeluk Nederlands geleerd. Mijn man Ed en ik probeerden in het begin Arabisch met de kinderen te spreken. Met elkaar spraken we Nederlands en de kinderen namen dat heel snel over. Het is erg praktisch. Als hier Nederlandse vrijwilligers komen, hoeven ze niet eerst een cursus Arabisch te volgen.

Dat is een heel moeilijke taal. Vaak duurt het jaren voordat je het goed onder de knie hebt." Er zijn ook helpers uit Amerika en Duitsland. Zij hebben de kinderen Engels geleerd. Soms hutselt iemand de talen wel eens door elkaar. Zo ging Heleentje tante Ruth die in de keuken werkt om een mes vragen. „Aunt Ruth, I want a mess" (Tante Ruth, ik wil een puinhoop).

Pippie Langkous
In de theekamer zou je haast denken dat je verdwaald bent in een huis in Nederland. Er slingeren boeken rond die ik ken van mijn lagere-schooljaren. "Ratje een jongen van de straat" en op de piano staat "Goud Elsje". Alleen het uitzicht op de Arabische huizen en moskeeën herinnert je eraan dat je in Bethlehem bent.

Rasha toont haar kunsten op de piano. „Hai Pippie Langkous" klinkt het door de kamer. „Dat speelt ze altijd als ze geen zin heeft", lacht Heleen. Rasha werd twaalf jaar geleden samen met haar zusje in verwaarloosde toestand bij Ed en Heleen gebracht. Rasha was blind. Haar zusje had dezelfde handicap en was daarbij ook nog doof.

Hun ouders wisten niet wat ze met deze kinderen aan moesten. Ze kwamen nooit buiten en kregen alleen wat melkpap te eten. Er werd niet met ze gepraat. In de twaalf jaren is Rasha compleet veranderd. Ze leerde onder andere pianospelen, omdat ze daar een groot talent voor bleek te hebben. Deze zomer gaf ze met succes haar eerste officiële pianoconcert.

Tineke (22) komt binnen met Nasser. Tineke is vrijwilligster en werkt inmiddels al een jaar in Jemima en wil voorlopig nog niet weg. Nasser is een baby'tje van acht maanden oud met een vergroeid ruggetje. Vanwege zijn handicap is hij ongewenst door zijn eigen ouders. Zijn eigen vader probeerde hem zelfs te vergiftigen. Nasser lag een poosje als ongewenste baby in een ziekenhuis totdat iemand van Jemima hem ontdekte.

Daar werd hij met open armen ontvangen. Tineke heeft de verzorging van Nasser op zich genomen. Dit betekent dat hij bij haar op de kamer slaapt en zij elke morgen vroeg uit de veren moet om "haar" baby de eerste voeding te geven.

„Eerst kon Nasser zelf niet eten en werd hij met een slangetje gevoed", vertelt Tineke. „Hij kon zijn eten niet doorslikken omdat zijn gehemelte te hoog is. Later hebben we er wat op gevonden. Als ik Nasser een lepel eten geef, duwt hij met zijn duim het voedsel tegen zijn gehemelte zodat hij zelf kan slikken."

Dronken directeur
Onder het genot van een Nederlands kopje koffie met een stroopwafel verhaalt Heleen over de beginjaren van Jemima. „Twaalf jaar geleden reageerden mijn man en ik op een advertentie van de Duitse zendingsorganisatie Siloa Mission in het tijdschrift Israël en de Bijbel. Er werd een echtpaar gevraagd dat de leiding wilde geven in een blindentehuis op de Westoever.

Ze moesten de huidige directeur vervangen die verslaafd was aan de drank. Wij werden uitgekozen om te gaan en lieten alles achter in Nederland. Onder andere ons werk als pleegouders in een gezinsvervangend tehuis."

In Bethlehem stond hun echter een onaangename verrassing te wachten. De directeur die zij moesten vervangen, dronk niet meer en had zijn baan weer teruggekregen. Ed en Heleen kregen het advies af te wachten omdat de directeur binnenkort wel weer drankproblemen kon krijgen.

„Wij waren niet van plan om bij de pakken neer te gaan zitten en stapten naar de plaatselijke sociale dienst. We vertelden dat we ervaring hadden met het verzorgen van verstandelijk gehandicapten en dat we graag iets op poten wilden zetten", vervolgt Heleen. „Er zijn hier in de buurt veel zendingsorganisaties aan het werk met blinden, doven enzovoorts, maar voor verstandelijk gehandicapten waren er helemaal geen voorzieningen.

In de Arabische wereld wordt een gehandicapt kind vaak als een straf van Allah gezien. De ouders schamen zich voor zo'n kind en tonen het het liefst zo weinig mogelijk aan de buitenwereld. Sommige kinderen worden opgesloten en krijgen alleen het hoognodige om in leven te blijven. In het ergste geval wordt het kind verstoten."

Onbegrip
Ed en Heleen begonnen met de hulp van de Nederlandse Ellen een heidens karwei toen ze de taak op zich namen om met deze ongewenste kinderen aan de slag te gaan. Onbegrip heerste alom. „We hadden geen huis en geen bestaansmiddelen. Bovendien versleten veel bewoners hier ons voor gek.

Onze eerste hulp kwam van blindentehuis genaamd "House of Hope". Daar kregen we elke dag een warme maaltijd." Heleen meent dat bij zendingsorganisaties geestelijk gehandicapten een ondergeschoven kindje zijn.

„Ik ben bang dat er een beetje de gedachte heerst dat je aan geestelijk gehandicapten het Evangelie niet kwijt kunt. Dat denken de Arabieren ook. Daarom vinden ze het niet erg om hun kinderen hiernaartoe te brengen. Ze denken dat we hun kinderen toch niets van Christus kunnen leren."

De praktijk leert het tegendeel. Eén vader heeft zelfs zijn dochtertje weer naar huis gehaald omdat hij wil dat ze moslim blijft. Ze mag alleen in de vakantie op bezoek komen in Jemima.

Waardeloos
„De beginjaren waren vreselijk moeilijk. Niets is hier makkelijk. We hadden problemen met de huisvesting en het is erg lastig om vergunningen te krijgen. Je wordt vaak van het kastje naar de muur gestuurd. We kregen wel langzamerhand meer geld uit Nederland en er werd een stichting voor ons opgericht, omdat het aantal gevers groeide. Maar sommigen vroegen zich af of Ed en ik hier wel goed bezig waren. We voelden ons soms net zo onbegrepen als Job uit de Bijbel."

De naam Jemima is dan ook niet zonder reden gekozen. Jemima was de eerste dochter die Job kreeg na al de ellende die hij had meegemaakt. De naam betekent zoiets als warmte, teerheid, zachtheid. Daarbij kozen Ed en Heleen bewust voor een meisjesnaam, omdat meisjes in de Arabische wereld niets waard zijn. Ze willen op deze manier zeggen dat God meisjes wel waardeert.

De dochters van Job zijn zelfs zo belangrijk dat ze in de Bijbel worden genoemd. De namen van hun broers vind je niet terug. Het is niet toevallig dat er in Jemima veel meer meisjes dan jongens wonen. Als je een meisje bent, is het nog vervelender als je geestelijk gehandicapt bent. Een jongen krijgt vaak nog een kans van zijn ouders, meisjes nauwelijks.

„Na een paar jaar kwam er voor ons een keerpunt. Er kwam een zekere Tjeerd Venema op bezoek. En hij vertelde dat wij een auto moesten hebben. Hij voegde de daad bij het woord en haalde op een koude avond rond de Kerst zo'n vijfduizend gulden op en hij maakte een langspeelplaat. In ieder geval kreeg EO-Metterdaad er lucht van en die hebben in 1985 hun kerstprogramma aan ons huis gewijd met het thema "In Bethlehem staat een huis".

Het probleem was dat dat huis er nog niet stond. De actie bracht meer dan één miljoen gulden op. Van dat geld werd dit prachtige huis gebouwd. De toekomst blijft nog onzeker. In de Arabische cultuur is het onmogelijk om de jongens en meisjes in één huis te laten wonen als ze volwassen worden. We zijn nu dus van plan een apart meisjeshuis te gaan maken. Maar dat kost natuurlijk wel weer handen vol geld."

School
Tineke en Marjan (20), ook een vrijwilligster, nemen me mee voor een rondleiding door het huis. In de kelder staan grote wasmanden en draait een wasmachine op volle toeren. „Ik zorg voor de was", vertelt Tineke. „Ik naai ook veel kleren voor de kinderen hier." In Nederland heeft ze een opleiding gevolgd als costumière en gaf ze naailessen. Die ervaring komt haar nu goed van pas.

Op de tafel staat haar dure computernaaimachine te pronken. „Het was nog een heel probleem om die naaimachine mee te krijgen. Op het vliegveld vertrouwden ze het niet en ze hebben de hele machine uit elkaar gehaald. Pas een paar dagen later kon ik hem weer ophalen uit Tel Aviv."

Gedurende onze tocht krijgen we wat kinderen op sleeptouw. Marjan legt uit hoe de dagelijkse gang van zaken is in Jemima. „Als vrijwilliger werk je in een soort ploegendienst, 's Morgens sta je al vroeg op. De ene keer ben je volop bezig met de kinderen en andere keren ga je schoonmaken of in de keuken werken. We hebben een dag in de week vrij. Als je in Jemima gaat werken, krijg je kost en inwoning gratis en een klein bedrag zakgeld. Tineke heeft hier een eigen kamer en ik woon verderop in een appartement."

Voor Marjan sluit dit werk goed aan op haar opleiding in Nederland. Ze deed daar agogisch werk. Een jaar buitenland leek haar wel wat. Vooral omdat ze hier nuttig bezig kan zijn. Tineke beaamt het. „Dit werk geeft heel veel voldoening."

We bekijken het schooltje. De Arabische leraar Basem komt elke dag om enkele kinderen les te geven. Er komen ook kinderen die niet in Jemima wonen. Zij worden wel door hun ouders geaccepteerd en zijn gewoon bij de familie thuis. De kinderen gaan elke dag naar het klasje van Basem om daar onderwijs te krijgen dat op hen afgestemd is.

Driewieler
Een gedeelte van de kinderen rent rond in de eetzaal die nu omgetoverd is tot speelzaal. Eén van de verzorgsters maakt de tafels schoon. Ibrahim scheurt rond op zijn driewielertje en besluit haar te plagen. Hij neemt een slok water en spettert haar nat. De verzorgster onderneemt daarop een wraakactie.

„Ibrahim is negen jaar oud", vertelt Tineke. Verbaasd kijk ik haar aan. Hij is net zo klein als een peuter. Ibrahim heeft echter een ziekte waardoor hij niet groter wordt. Hij schijnt er niet minder plezier in het leven om te hebben. Het is voor mij tijd om te vertrekken. Met moeite neem ik afscheid van de kinderen. Ik zou er zo een paar mee willen nemen.

In Jemima is de hulp van nog meer vrijwilligers dringend nodig. Inlichtingen hierover kunt u inwinnen door te bellen met mevrouw E. Huiberts, telefoon 033-806544.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.