+ Meer informatie

De Christinnereis is voor jong en oud

7 minuten leestijd

1

Met blijdschap wordt allerwege gedacht aan het ingaan van de Iblgrim met zijn edele vriend Hoop in de eeuwige rust. De Heere heeft Zijn werk bekroond en zo is het volharden beloond. Het is niet tevergeefs Hem te vrezen en in Zijn wegen te wandelen. Nooit kunnen wij met blijdschap denken aan degenen, die voortleven in hun onbekeerlijkheid. Want die niet gelooft, zal verdoemd worden. En: „De rook van hun pijniging gaat op tot in alle eeuwigheid”.

Daarom vond men het zo erg, dat de vrouw en de kinderen van de Rglgrim waren achtergebleven in de stad Verderf, door geen acht te slaan op de lokstem van het Evangelie. Biddende en wenende waren zij vermaand door hen te wijzen op het einde van de stad waarin zij geboren waren. Maar gelukkig bleef deze vader, door alles heen, werkzaam met zijn gezin aan de troon der genade. Het derven van de eeuwige zaligheid sneed hem door alles heen.

Daarom had het volk, waarmee hij zo innig leefde, vanuit diebijblijvende werkzaamheden een stille hoop, dat de Heere nog zou komen te werken in het gezin van de Pelgrim. Maar in zijn leven heeft hij daarvan niets aanschouwd.

Verlangend zagen de vromen, die, met de nu juichende Mgrim voor Gods troon, hadden geweend en gebeden als hij sprak van zijn gezin, naar de bekering van zijn vrouw en kinderen uit. Het was aldof zij die zorg en kommer van hem hadden overgenomen.

Een van deze vromen kwam op zijn reis in de omgeving van de stad Verderf, zodat hem de gelegenheid geopend werd te informeren naar het gezin van de Pelgrim. Maar hoe kwam hij nu in aanraking met iemand, die vanuit het leven der genadewisttespreken en met dat gezin op de hoogte was?

In de omgeving van deze stad kwam dat maar sporadisch voor, daar echte reizigers naar Sion zich daar niet kwamen te vestigen. Hij moest een reiziger ontmoeten, die in een meerdere of mindere mate met het gezin van de Pelgrim op de hoogte was. Een man, die acht gaf op mensen, die het aangezicht naar Sion kwamen te keren. En nu vond hij niet die man, doch die man vond hem, daar hij bijzonder scherpzinnig was.

Die man wist met hem in gesprek te komen, zodat hij kon informeren naar het gezin van zijn belangstelling.

Uit het gesprek met deze tot nog toe onbekende vriend bleek, dat de Ffelgrim hem zeer wel bekend was. Hij wist van zijn reis en van hetgeen hij doormaakt had. Wist dat hij reeds juichte voor Gods troon en dat sindsdien veel over hem gesproken werd in de stad, die hij vanuit de onberouwelijke keus de Heere te vrezen, kwam te verlaten. Dezelfde burgers, die hem toen scholden voor een dwaas, hielden hem nu voor wijs, daar het doel van zijn reis, het ingaan in de eeuwige heerlijkheid, door hem bereikt mocht worden. In de overtuiging van deze burgers, dat alle goede mensen (zoals zij die noemen) naar de hemel gaan, prezen zij de Pelgrim nu gelukkig. In deze stad, hoe onbegrijpelijk ’t ook klinkt, spreektniemandeen kwaad woord van de hemel. Nu, daarop zit het blijven in deze stad niet vast. Maar hierop, dat zij als geboren burgers van deze stad hun leven niet willen verliezen. En dat wijst ons op de noodzakelijkheid van de wedergeboorte, het verliezen van ons leven, om de stad, die fundamenten heeft, te zoeken.

Bij deze wonderlijke ontmoeting is onze oude en getrouwe Dromer een schone gelegenheid geopend te informeren naar het gezin, dat, tegen alle vermaningen in, was achter gebleven in de stad, die geen fundamentenheeft. De stad, die daarom ten verderve is opgetekend.

Tot zijn grote verwondering werd hem nu medegedeeld, dat het gezin tot bezinning was gekomen na het sterven van de Pelgrim. Aller oog werd, en men wist zelfs niet eens hoe, steeds meer gevestigd op het geluk dat hem was ten deel gevallen. Moeder en kinderen spraken daarover met elkander, kregen hem nu lief, hartelijk lief in zijn vermaningen met hem de stad te verlaten.

„Heerlijk! Heerlijk!” riep onze geestelijke Dromer in verwondering uit. „Zijn vrouw en kinderen allemaal tot die gedachte gekomen?” vraagt hij met de grootste belangstelling. „Een gezin van vijf personen! En wil niet een hunner langer in de stad blijven, die zij voorheen boven alles begeerden?”

„Ja — zei Scherpzinnig — alien. Niet een wenst in de stad achter te blijven”.

En dat was de wens en bede van de man en vader toen hij de stad verliet en op zijn ganse reis. Door alles heen lag zijn gezin hem op het hart gebonden.

„Ik kan u — zo ging Scherpzinnig verder — de zaak in bijzonderheden vertellen, want ik was juist ter plaatse toen zij zich gereed kwamen te maken voor de reis. Ik heb hun bij het verlaten van de stad noginverschillende opzichten bijstand kunnen verlenen”.

„Dus — zei Dromer — kan het als volkomen waar worden oververteld?”

Als hij thuis mag komen van zijn reis dan wil hij dat aan alle vrienden en bekenden vertellen. Dat goeds mag toch niet verzwegen worden? Het is inzonderheid van betekenis voor ouders, wier kinderen nog in die stad zijn achtergebleven. Als zij dit horen dan scheppen zij moed uit hun behoudenis, om met des te meer kracht en klem te smeken tot de Heere om hun bekering. Maar dan moet dat alles zoveel mogelijk met bewijzen gestaafd kunnen worden. Het moet niet slechts zijn een bekering van de zonde tot de deugd. Of nog duidelijker gezegd: van de kermis naar de kerk. Bij de vrienden van de Pelgrim gaat het om de waarachtige bekering tot God, gelijk als het ging bij hem, toen hij de stad verliet.

Tot onze grote blijdschap is Scherpzinnig bereid ons zoveel als in zijn vermogenis,te vertellen van het werk des Heeren, dat hij heeft mogen aanschouwen in deze moeder met haar vier kinderen. Hij heeft haar mogen ontmoeten in haar droefheid over het zondigen tegen de Heere, over het kwaad haar man aangedaan en over de geestelijke schade, die zij daarmee haar en haar kinderen had berokkend. *

Het heilbegerig en boetvaardig vragen van haar man: „Wat moet ik doen om zalig te worden?’ is haar bij gebleven. Maar nu verstaat zij het pas dat die vraag opkwam uit de diepte van zijn hart.

Zalig te mogen worden, dat is de zaak waarom het gaat en waartoe wij op deze wereld leven onder het licht van het Evangelie. Niets is erger dan het derven van de eeuwige zaligheid.

De vraag: „Wat moet ik doen om zalig te worden?” begon ook in haar hart te leven. Van het rampzalig zijn door de zonde begon zij iets te beseffen. Daarom had zij niet de minste begeerlijkheid meer in de stad van haar geboorte. De overtuiging dat deze stad zou vergaan, bekwam steeds meer diepgang. Vanuit die gesteldheid des harten sprak deze moeder met haar kinderen over het zondigen tegen de Heere, door niet te luisteren naar Zijn roepstemmen. En dat beleed zij niet alleen tegenover de Heere, maar ook tegenover haar kinderen, zodat het kinderhart er door getroffen werd. Het hart van de moeder werd bekeerd tot de kinderen en het hart van de kinderen tot de moeder.

In de bekering tot de Heere en tot elkander is de ware vereniging van het gezin. Aller oog was gevestigd op de vrees des Heeren, het beginsel der wijsheid. Zij is een springader des levens om af te wijken van de strikken des doods.

Toen begonnen zij alien opnieuw te wenen en te roepen: „0 wee, wee onzer!”

Wee is het tegendeel van welgelukzalig. in het missen van de zaligheid wacht de mens de eeuwige rampzaligheid. hi het wenen over de da ad der zonde wordt iets gevoeld van de straf der zonde, want de straf der zonde is in de daad der zonde. Door de zonde hebben wij ons losgescheurd van God en daafin is Zijn straf: de eeuwige dood. Vanuit het: "0 wee, wee onzer”, was het een wenen over de zonde en een smeken om ontferming. En dat belieft de Heere nu te werken door Zijn Geest op het gebed van een vader voor zijn gezin.

Nijkerk

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.