+ Meer informatie

DE MIDDAGDIENST

15 minuten leestijd

Op de dag des Heren zal de gemeente minstens tweemaal samenkomen onder de bediening des Woords. Het samenkomen op werkdagen wordt aan het oordeel van de kerkeraad overgelaten, zo luidt artikel 64 van onze Kerkorde. In al onze kerken wordt aan dit voorschrift voldaan. Tussen ’s morgens half negen en ’s avonds zeven uur. Slechts één gemeente (Oud-Vossemeer) komt driemaal samen. Oppervlakkig gezien hebben onze kerkeraden geen moeite met dit voorschrift; op een meerdere vergadering is het nooit ter discussie geweest; wel zijn er regelmatig mededelingen, dat de middagdiensten minder aanwezigen trekken. Het kerkbezoek is ’s morgens duidelijk beter dan ’s middags. Uitzonderingen zijn die plaatsen waar de middagdienst om twee uur begint en fungeert als hoofddienst, terwijl de morgendienst rond negen uur rustiger bezet is.

Meerdere kerkeraden laten verontrusting en zorg blijken bij kerkvisitatie of bij het rapport naar art. 41 K.O. op de classisvergadering over het bezoek in de tweede dienst. De predikanten en ouderlingen, die op huisbezoek gaan, zullen in toenemende mate geconfronteerd worden met gezinnen en alleenstaanden waar één keer kerkgang regel is geworden. „Er staat toch nergens in de Bijbel, dat je twee keer naar de kerk moet?”

We moeten niet over het hoofd zien, dat er ook veel verdriet kan zijn bij predikanten en kerkeraden en bij het volk van God, als er in de zondagse samenkomsten velen gemist worden. Het laat in elk geval zien, niet zozeer dat de ambtelijke dienst weinig vrucht draagt, als wel dat er in deze bedeling heel veel te doen valt om ’s Heren volk trouw rond Woord en sacrament bijeen te brengen.

Daarbij is het goed ons nuchter te bezinnen op de middagdienst zoals we die al eeuwenlang kennen.

Verkenning

Wie om zich heen ziet in kerkelijk Nederland, wat de kerkgang betreft, weet dat het bezoek aan kerkdiensten drastisch afgenomen is in de afgelopen halve eeuw. Regelmatige tellingen wijzen dat uit. In 1863 werd in de Nederlandse Hervormde Kerk de verplichte catechismusprediking afgeschaft. Op de generale synode van de Gereformeerde Kerken van Sneek 1970 werd een positief besluit genomen voor de instandhouding van de middagdiensten naar aanleiding van een brief van Leeuwarden-Huizum, die de negatieve ontwikkeling ten aanzien van de middagdiensten signaleerde.

In de Rooms-Katholieke Kerk bestaat de plicht tot bijwoning van de zondagse mis voor de gelovigen (canon 1246-1248 CIC). Om die plicht te vergemakkelijken werden vroeger vele missen op zondag gelezen, zodat de pastoor zoveel mogelijk gelegenheid bood aan zijn gelovigen om niet in een staat van doodzonde te vervallen. Men kan zelfs op zaterdagavond zijn zondagsplicht vervullen.

Er werd en er wordt veel gedaan aan bezinning en experiment om het bijwonen van een kerkdienst aantrekkelijk te maken. Nu in het bijzonder met het oog op de jeugd om die te bewaren voor de dienst des Heren.

Er is veel ijver bij de kerken om van de kerkdienst een zodanige gebeurtenis te maken, dat velen het de moeite waard vinden erbij te zijn.

Men moet dat toejuichen en verheugd zijn wanneer platgetreden paden een ogenblik verlaten worden en er iets anders wordt beproefd mits de gemeente dat hebben kan. Onder ons bestaat een grote gehechtheid aan de beproefde vorm van de zondagsindeling in twee kerkdiensten waarbij in de tweede dienst de samenvatting van de christelijke leer. zoals die in de Heidelbergse Catechismus is omschreven, wordt behandeld. Het staat voor velen vast, dat waar deze beproefde vormen van de diensten op zondag gevuld zijn met duidelijke schriftuurlijk-bevindelijke prediking, er geen tekenen zijn van afnemend kerkbezoek, ook niet bij de jeugd. En niet in de tweede dienst. Met name in de rechterflank van de gereformeerde gezindte, die onze kerken niet vreemd is, kan men dit horen. Daardoor wordt ook een deel van onze kerken in spanning en onzekerheid gebracht wanneer gemeenten, kerkeraden en predikanten wel te maken hebben met matig tot slecht bezochte middagdiensten. Laten we nuchter het probleem onder ogen zien en elkaar helpen in die heilige zaak voor iedere kerkeraad om de gemeente trouw onder de bediening van Gods Woord te brengen in morgen- en middagdienst. We zullen enige vertroosting putten uit het verleden om niet te beperkt te blijven in onze visie.

Waar komt de middagdienst vandaan?

De Here heeft er recht op, dat wij heel onze levenstijd Hem dienen. Persoonlijk en gemeenschappelijk. Het leven van een christen is een leven van dank en aanbidding om Zijn Verlosser de ere toe te brengen. Alle tijden zijn van God en in Gods hand. Vanuit dit totale aspect van het Heer zijn van God over het leven en de levenstijd van de gelovigen afzonderlijk en gezamenlijk moet er een orde gekozen worden van tijd waarin de Here bijzonder gezocht en ontmoet wordt in gebed en Woord èn van tijd waarin de Here gediend wordt in de uitoefening van ons goddelijk beroep en de zorg voor het uiterlijke leven. In het licht van de totaliteit van het dienen van God moet het opvallen, dat het „minstens tweemaal samenkomen” echt een minimum is. Wie de Here kent in geloof en liefde en hoop zal ook geen enkele moeite hebben met dit voorschrift uit de kerkorde. Op de achtergrond staan de bijbelse gegevens van de joodse gebedsuren en het samenkomen van de gemeente bij de tempel en in de synagoge: Psalm 119 : 164: „Zevenmaal daags loof ik U om Uw rechtvaardige verordeningen” en Psalm 141 : 2: „Laat mijn gebed als reukoffer voor Uw aangezicht staan, het opheffen van mijn handen als avondoffer”. Ook de nieuwtestamentische gemeente houdt de gebedsuren in de tempel nog vast (Hand. 3:1).

Vanuit deze achtergrond ontwikkelde de oudchristelijke en middeleeuwse kerk een dagindeling in getijden (horae canonicae), zelfs de nacht werd ingedeeld. Op deze getijden werden diensten gehouden met zingen, gebed, Schriftlezing en geloofsbelijdenis. De bekendste getijden zijn: metten, lauden en vespers of wel morgen, middag en avond. De andere getijden zijn voor ons minder belangrijk, omdat die alleen in kloosters en kloosterkerken gevierd werden. Bij de drie belangrijkste was het immers mogelijk de gemeente te betrekken, voor de andere getijdediensten was het veel te belastend voor de gelovigen om die bij te wonen.

Omdat er aan het eind van de middeleeuwen erg veel mensen bij kloosterorden betrokken waren en er nogal wat verschillende orden waren, waren de getijdediensten tot een oerwoud uitgegroeid. Het leidde tot mechanisme en automatisme. Luther sprak van „ezelswerk” en van „nutteloos geprevel”. Het oerwoud van het rijke roomse leven in de getijdediensten werd gekapt tot het wezenlijke van de morgen, middag en avond op de zondag waar de hele gemeente samenkwam en bovendien waren er nog twee weekdiensten op woensdag- en vrijdagavond.

Onze middagdiensten zijn reformatorische vesperdiensten. In een kerkordelijk voorschrift in de Pfalz van 1546 lezen we: „……umb der predig und catecismus willen, die man uf die vesper verordnen soll”.

In de kerkorde van de Pfalz (die door Datheen en de vluchtelingenkerken ook voor ons van belang is) van 1556 lezen we (vertaald): „’s Middags moet een preek gehouden worden in de steden door een diaken of prediker en op de vespertijd de catechismus gehouden worden. In de dorpen moet men de catechismus ook op zondagmiddag houden, namelijk vroeg in de middag of op de vespertijd, wat het beste past”.

De catechismuspreek neemt de plaats in van de vespergetijdedienst; dat laat zich prachtig aflezen uit de Duitse kerkorden na de reformatie. En dat al in een vroeg stadium tussen 1520 en 1530. De Nederlandse vluchtelingen, die om des geloofswille hun land moesten verlaten en in Duitsland verbleven, troffen daar in de vijftiger en zestiger jaren van de zestiende eeuw al een ontwikkelde vorm van catechismusprediking aan, die blijkbaar zoveel indruk maakte dat ze die vorm meenamen naar Nederland. Als ik het goed inschat, is onze catechismusprediking meer op de reformatorische arbeid van Luther dan op die van Calvijn gegrond (vgl. A.N. Hendriks, Om de bediening van de Geest, Kampen 1983, blz. 59).

Aandacht voor het kind

De tweede dienst op zondag of de middagdienst is geen herhaling of doublure van de morgendienst geweest. De morgendienst wordt bepaald door de lezing, uitlegging en toepassing van de Heilige Schrift; het andere element van de morgendienst is de viering van het Heilig Avondmaal, dat veelvuldig gevierd behoorde te worden. In de morgendienst kon moeilijk aandacht worden besteed aan de kinderen. Hoe geheel anders ligt dat in de tweede of middagdienst.

In 1526 had ds. Wenzel Linck te Neurenberg aparte kinderdiensten georganiseerd. Die bleken na verloop van enige jaren levensvatbaar doordat er op basis van Luthers Kleine Katechismus preken gemaakt werden door de dominees van Neurenberg met een sterk didactisch karakter. Voornaamste samensteller van zo’n serie „catechismus(preken)” was de later roemruchte Andreas Osiander.

Kinderpreek en catechismuspreek in de tweede dienst zijn aanwijsbaar in 1531/1532. De noodzaak hiertoe was duidelijk. Ontstellende onwetendheid van God en goddelijke zaken dwong de dienaren des Woords ertoe om zich driftig te werpen op onderwijs en didactiek van de christelijke leer. En met onderwijs in Gods Woord en wat genoemd werd de zes hoofdstukken van het christelijk geloof moest men vroeg beginnen.

Die zes catechetische hoofdstukken waren: de Twaalf artikelen, de Tien geboden, het Onze Vader, de doop, het avondmaal en de tucht (discipline). Dit alles toegespitst op het bevattingsvermogen van kinderen.

Die aandacht voor de kinderen en het sterk didactische karakter zijn typerend voor de tweede dienst. Dat leverde ook wel problemen op. In de praktijk waren het dialogische leerdiensten. Een deel van de dienst was gewijd aan het vragen stellen van de voorganger aan de kinderen, die hardop moesten antwoorden, ook werd voorgeschreven dat de voorganger een antwoord van de catechismus moest voorzeggen en hardop moest de gemeente dat nazeggen om zodoende het antwoord in het geheugen te prenten. Een volstrekte eis, die uitdrukkelijk werd voorgeschreven, was dat deze diensten niet langer dan een uur mochten duren.

De dienaren des Woords moesten van de preekstoel afkomen en door de rijen gaan om de catechismus te overhoren, in grotere kerken moesten meer predikanten de kerk in vakken verdelen en ieder een vak overhoren.

Dit systeem werkte niet zo goed. Het opzeggen en overhoren was voor kinderen wel goed, maar ouderen vonden het te kinderachtig, terwijl het toch een belang van de kerk was, dat niet alleen kinderen de catechismusdiensten bijwoonden.

In de kerkorde van 1601 van de Pfalz is het tot een splitsing gekomen. Er zijn twee diensten. De eerste middagdienst, speciaal voor de kinderen en het overhoren en een tweede middagdienst, speciaal voor prediking over bewijsteksten uit de catechismus en de vragen en antwoorden zelf. In de dorpen waar men moeilijk twee middagdiensten kon hebben, werd een voordienst van overhoring gehouden, dan werden de klokken geluid en verzamelde zich de gemeente en werd een half uur lang de catechismus verklaard, waarna de dienst werd besloten.

Concluderend is te zeggen, dat de reformatorische vesperdienst een ander karakter had dan de morgendienst, de dienst van Woord en sacrament. De tweede dienst was voor de kinderen bestemd al had men de ouderen er graag bij, want die wisten ook niet veel. De tweede dienst was een echte leerdienst, minder een preekdienst, een eigen inbreng van de hoorders werd verlangd.

Nederland

Wat de regeling van de tweede dienst betreft, is in Nederland de situatie parallel met Duitsland. Vanaf het begin van de uitoefening van de gereformeerde eredienst zijn er op zondag twee diensten gehouden. Al heel snel wordt in vooraanstaande kerken de Heidelbergse Catechismus gebruikt in de middagdiensten. Ook met het vraag-en-ant- woordspel. Het probleem was om de middagdienst en de catechismusprediking op het platteland ingevoerd te krijgen. Talloos zijn de klachten en de vermaningen hierover. De boeren kwamen niet en voor de dominees was het een extra verzwaring van hun taak. Een enkele stad weigerde pertinent, zoals Gouda met ds. Herberts, die om „principiële” redenen niet uit een menselijk geschrift wilde preken.

Wie moeite had met de opstelling van een catechismuspreek, kreeg een kant en klare serie preken over de Heidelberger van Copius aangeboden om te gebruiken, terwijl er ook preekschetsen over de Heidelberger gemaakt werden op last van de kerkelijke vergadering door Bastingius in het Latijn en vertaald door Van den Corput van Dordrecht; in 1983 is dit werk opnieuw door F.L. Rutgers uitgegeven.

De synode van Dordrecht 1618-1619 heeft zich diepgaand beziggehouden met de tweede dienst op zondag, waarin de Catechismus gepreekt moest worden. Vele klachten waren haar ter orde gekomen. De synode pakte het hele catechiseerwerk aan en gaf regels voor de catechese thuis, op de scholen en in de kerken. Om het laatste gaat het ons nu. Alle predikanten werden ernstig en onder zware kerkelijke censuur belast om te handelen naar de regel van de synode van 1586 Den Haag om op de zondagmiddagen altijd catechetische predikaties te doen, ook al is er geen sterveling in de kerk, al zou de dienaar alleen voor zijn eigen familie hebben te preken. De overheid zal verzocht worden om plakkaten, waarin dienstbare werken en voornamelijk de „spelen, zwelgerijen en zuiperijen en andere ontheiligingen van de Sabbat, waarmee men de middagtijd op de zondagen, meest in de dorpen gewoonlijk pleegt door te brengen”, verboden worden. Zo zal het volk te beter tot de namiddagpredikatieën gebracht mogen worden en alzo de gehele sabbat leren vieren.

In dit laatste ligt voor mijn besef een krachtig argument voor de tweede dienst. Het gaat erom de hele sabbat te vieren. Anders gebeurt toch wat we best wel eens horen: lekker vroeg één keer naar de kerk en dan heb je de hele dag voor jezelf. De synode schrijft kerkelijke behandeling voor van hen, die weigeren de middagdiensten bij te wonen en hun gezinnen daartoe te brengen.

De kinderen worden niet vergeten, want aan de predikanten wordt gezegd: „Der predikanten ambt en discretie in de Kerk zal wezen, de catechismus-predikaties dermate openlijk aan te stellen, dat ze behoorlijk kort zijn, en naar ’t begrip, niet alleen der volwassenen, maar ook der jeugd, zoveel mogelijk is, gepast”.

De synode beveelt dit de predikanten aan onder de ernstige betuiging, dat ze eenmaal rekenschap moeten afleggen over de kudde, die hun toevertrouwd is. In korte tijd zullen overvloedige vruchten merkbaar worden als voortgang in het geloof en in de heiligheid van het leven tot Gods eer en voortplanting van de christelijke religie.

De kerk in Nederland is hierin niet beschaamd. Over de volgende eeuwen kunnen we kort zijn. In overvloedige mate zijn de vruchten gekomen. Schotel schrijft, dat de kerken nooit zo bezet waren dan wanneer tijdens de middagdiensten over de Catechismus werd gepreekt. Een stortvloed van boeken en boekjes werd verslonden over de Heidelberger.

Waar gaat het met de middagdienst naartoe?

Het zal duidelijk zijn, dat we in deze tijd van secularisatie en verandering van maatschappelijke instelling en individualisering van ons volk niet optimistisch hoeven te zijn over de toekomst van de tweede dienst. Evenwel, al sluiten we geenszins de ogen voor de werkelijkheid van vandaag, we laten ons vertroosten door de ervaringen uit het verleden, een tijd, die misschien wel anders, zeker niet beter was dan vandaag.

Uit het verleden krijgen we aangereikt voor het heden de ernstige beslistheid tot het houden van twee diensten op zondag. Er moet verschil zijn tussen deze diensten. Het belang ligt in het leren onderhouden van de hele zondag om aan te geven, dat niet wij de dienst van de Here inpassen in ons levenspatroon. Hij heeft recht op ons. Het is een offer van dank en liefde. Slechts één dag, maar dan ook twee keer. Eigenlijk is het een minimum. De Here heeft er recht op en het is een diepe vreugde voor het volk van God, al is het hier maar enigermate, de Here de eer toe te brengen, die Hem toekomt.

Te overwegen is om allerlei aanwijzingen te geven, die de middagdienst aantrekkelijker maken. Ik heb het gevoel, dat dit in allerlei kerken allang uitgeprobeerd is en dat het resultaat niet bemoedigend was; laten we daarmee voorzichtig zijn.

Ons past diepe afhankelijkheid en uitzien naar de werking van de Geest van God, die de harten van de mensen ombuigt en verlangen geeft naar de klare verkondiging van de leer des heils en verlangen geeft naar de ontmoeting en de gemeenschap der heiligen. Echte bewogenheid met de redding van eigen ziel en het verkrijgen van de zaligheid in Christus. Dat motief moge ontstaan en gewekt worden door de getrouwe prediking. Kerkgang is vrucht van levend geloof. Die ontdekking is niet vanzelfsprekend. Teerheid en incasseringsvermogen is nodig om de mensen geestelijk leiding te geven, die met allerlei smoezen de bijwoning van de eredienst ontduiken.

Twee keer naar de kerk gaan is niet het volhouden van een ingeroeste gewoonte of het vervullen van een koude plicht. Het is geloven metterdaad.

De middagdienst zij leerdienst. De dienaren des Woords zullen eenmaal des zondags in de bediening des Woords de Heidelbergse Catechismus verklaren, zegt artikel 68 van onze kerkorde. Het komt nogal eens voor dat dit wordt overgeslagen. Predikanten hebben ook te strijden tegen de verleiding om „het stapeltje om te keren”.

De catechismusprediking in de middag is een goed middel eigen eenzijdigheid en stokpaardjes te bestrijden.

’s Middags kindernevendienst houden en daarin doen wat vroeger in de kerk zelf gebeurde: met de kinderen de Heidelberger opzeggen, uitleggen en behandelen, dat kan dezelfde zondag zijn als waarover in de gewone dienst gepreekt wordt.

Het bezwaar dat de confessies van de zestiende eeuw antiek of tijdgebonden zijn, gelde pas zodra de kerken een nieuwe belijdenis voor het onderwijs van de jeugd hebben aanvaard. Zolang dat niet het geval is, zijn en blijven we nauw verbonden met de Heidelberger.

In de kerkeraad is van grote betekenis, dat ambtsdragers zelf het goede voorbeeld geven en de nodige gedrevenheid bezitten. Bij kandidering van te verkiezen ambtsdragers is deze factor van trouwe kerkgang, ook in de middag, van doorslaggevende betekenis. Hier mag geen uitzondering gelden op straffe van het feit, dat elke vermaning krachteloos wordt, doordat het in de kerkeraad zelf niet goed zit.

In de tweede kerkdienst op zondag hebben wij vanuit het verleden een groot goed ontvangen en een rijke zegen, die moeten we niet verkwanselen. De treurige voorbeelden in binnen- en buitenland mogen ons waarschuwen en onze ijver prikkelen voor de eer van onze God en Heiland.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.