+ Meer informatie

OPENINGSWOORD OP DE LANDELIJKE AMBTSDRAGERSCONFERENTIE van zaterdag 1 april 1995 in de Ichthuskerk in Amersfoort

7 minuten leestijd

Waarde breeders,

Het is niet mijn stijl en daarom ook niet mijn gewoonte om het openingswoord van de landelijke ambtsdragersconferentie te gebruiken om misstanden in de kerk te hekelen of siecht bestuurlijk beleid in de kerk aan de orde te stellen. Beter kan men - als het kan lijden - het goede, het vele goede en positieve uit alle kerkelijk gebeuren voor het voetlicht halen. Er valt op veel goeds te wijzen, bij alle zorg die men kan voelen over wat zich in sommige gemeenten voordoet aan moeite en verdriet door misverstanden, geestelijke geschillen en groepsvorming, waardoor soms moeilijk beheersbare conflictsituaties ontstaan.

Vanmorgen wil ik uw aandacht vragen voor een zaak die, althans voor dit moment, de hier in deze kerkzaal vertegenwoordigde kerkeraden misschien niet raakt, maar die in elk geval voor het hele verband van onze kerken sowieso van belang is. Het loopt, broeders, met het beroepingswerk onder ons niet zoals het zou moeten lopen. Misschien formeel wel, als het op de onder ons geldende kerkorde aankomt, maar gezien vanuit de morele en emotionele optiek niet. De indruk dat dit zo is, heb ik - en anderen met mij - allang. De bevestiging ervan heb ik gekregen na de artikelen die recentelijk over dit onderwerp in De Wekker zijn geschreven. Deze artikelen hadden tot thema “met het beroepingswerk zou het anders moeten”. De readies die deze artikelen teweegbrachten, hebben mij bevestigd in mijn vermoeden dat een aantal predikanten en hun gezinnen onder de huidige gang van zaken rond het beroepingswerk behoorlijk lijdt, er in elk geval ongelukkig onder is.

Dominees die nooit een beroep krijgen

Je hebt dominees wier naam regelmatig in de publiciteit is. Hun naam siert vele tweetallen en wat het aantal op hen uitgebrachte beroepen betreft, zijn zij de kerken zowat rond geweest. Het gaat soms met vlagen. Wanneer een naam eenmaal in circulatie is, trekt dat kennelijk de aandacht van veel vacante gemeenten, met als gevolg een groot aantal beroepen. Er zijn echter ook namen die men in de rubriek beroepingswerk nooit of bijna niet tegenkomt. Ik denk daarbij niet alleen of allereerst aan predikanten die misschien over hun hoogtepunt heen zijn (hogere leeftijd en verminderde vitaliteit) waardoor zij steeds minder in beeld komen, maar ik heb hier met name het oog op die dienstknechten van Christus die lange, lange jaren achtereen dezelfde gemeenten dienen, zonder ooit een beroep naar elders te krijgen. Onder hen zullen er zijn die daaronder niet gebukt gaan omdat zij zich met hun huidige gemeente nog altijd zeer gelukkig voelen en omgekeerd hun gemeente met hen. Dat is dan een gezegende zaak. Maar de praktijk van het kerkelijk leven is ook dat een al te lange verbintenis tussen een bepaalde gemeente en haar predikant voor het geestelijk heil van beide partijen fnuikend kan zijn. Vooral op het punt van de zondagse prediking kijkt in zo’n gemeente het gevaar van een zekere verstarring en verstening om de hoek. De kerkdiensten worden dan misschien nog wel trouw waargenomen maar de verrukking over het boeiende en verrassende van de dienst des Heeren op de zondagen neemt af.

De gemeente kan dan met verlangen uitzien naar een acceptabel beroep voor haar predikant omdat daarin voor haar de kans ligt ooit nog eens een andere herder en leraar te krijgen. En de predikant van zo’n gemeente hoopt misschien ook op een beroep, al was het alleen maar omdat het tegenover zijn tegenwoordige gemeente zijn imago kan versterken. Soms is dat laatste echt wel eens nodig. Door kerkeraadsleden en onaangename leden van de gemeente kunnen op het zonder beroep blijven van hun predikant wel eens van die fijne toespelinkjes worden gemaakt. Het kan ook zijn dat een predikant die een gemeente al heel lang heeft gediend, echt wel eens naar een andere gemeente wil om het heilige dienstwerk dáár weer helemaal nieuw aan te vangen. Maar… een beroep kan niet worden geforeeerd. Het blijft uit. Men voelt zich buiten de krijtlijn staan. Wat daar dan ook maar de oorzaak van mag zijn. Leeftijd? Unvermogen om boeiend te preken? Ten onrechte verspreide geruchten over een wat nonchalante opvatting van de pastorale taak? Een kleine oneffenheid in de ambtelijke loopbaan? Of - wat ook mogelijk is - te geringe bekendheid in de kerken omdat men op het bredere front van het kerkelijk leven steeds een bescheiden opstelling kiest en niet overal met de vlag voorop loopt? Men kan al deze dingen natuurlijk afdoen met de stelling dat God Zijn dienstknechten ergens plaatst en op Zijn tijd wegen naar elders zal openen wanneer Hij dat wil of wegen gesloten houdt als Zijn heilige wil dat beter acht. En dat is natuurlijk waar, maar alles is er niet mee gezegd. Ook hier kan de wil van de Heere zich realiseren door onze menselijke verantwoordelijkheid heen. En daarom zou ik kerkeraden van vacante gemeenten willen toeroepen: ga bij uw overwegingen rond het beroepingswerk niet met een zekere vanzelfsprekendheid voorbij aan de namen van die predikanten, die om welke reden dan ook niet veel in de circulatie zijn. Het zijn misschien niet allemaal zulke sterke figuren op de kansel, maar er kunnen uitstekende herders onder zitten. En dat is vandaag van heel groot gewicht. Ik ken ze uit mijn eigen kerkelijke ervaring. De zegen die een dienstknecht van God voor een gemeente meebrengt, hangt naar mijn overtuiging niet alleen af van de vraag of de dominee over een spectaculair preekvermogen beschikt. Dat kan die zegen soms zelfs in de weg staan. En ook daarvan zouden voorbeelden te noemen zijn.

Vreemde beroepingsprocedures

Hier en daar, af en toe, worden vreemde beroepingsprocedures toegepast. Ik denk allereerst aan het niet zelden voorkomende euvel dat kerkeraden een predikant voor beroeping bij enkelvoudige kandidaatstelling aan de gemeente voorstellen. De gemeente spreekt zich uit, waarbij het aantal stemmers vóór beneden het vereiste meerderheidscriterium van 75% blijft. Pijnlijk voor de betrokken predikant en even pijnlijk voor de kerkeraad, die de voorkeur van de gemeente kennelijk siecht had ingeschat.

Een tweede, zeer twijfelachtige procedure is die, waarbij men bijvoorbeeld acht predikanten uitnodigt om op beroep te komen preken, waarna een selectie volgt van degenen die in de gemeente met hun prediking het beste overkwamen. Er zullen in de regel twee overblijvers zijn. De resterende zes vallen af en mogen er in de meeste gevallen naar raden waarom zij niet in aanmerking kwamen. Deze selectieprocedure lijkt op wat er bij overheid en in het bedrijfsleven gebeurt, met dit verschil, dat men daar in elk geval nog te horen krijgt, in elk geval te horen kan krijgen, waarom de keuze op een ander viel.

Afvallende dominees moeten er dikwijls maar naar raden. Ging mijn stem te hoog, te laag? Was mijn tempo al te traag? Voelde men zich niet gesticht door mijn sombere gezicht? ’t Had pikanter moeten wezen? Stond ik soms te veel te lezen? Is mijn preek wel opgezogen en op vol gewicht gewogen.

Men viel af, vaak zonder te vernemen waarom, zonder een vriendelijk of bemoedigend woord van de kerkeraad die een hoorcommissie uitzond en voor een preekbeurt uitnodigde. Laat ons niet gering denken over de negatieve impact die van zoiets op het leven van de dienaar die het treft, uitgaat. Hij is ook mens als ieder ander mens. We moeten daar in de kerken meer rekening mee houden. En nog eens goed nadenken over de vraag of de onder ons gangbare beroepingsprocedures niet aan herziening toe zijn. We staan geen bisschoppelijk systeem voor, maar het is te overwegen of niet een raad van wijze mannen en vrouwen èn voor gemeenten èn voor predikanten met goed advies en bijstand richtingwijzend de kerken en haar dienaren van dienst zou kunnen zijn.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.