+ Meer informatie

TER OVERWEGING

8 minuten leestijd

Dr. W.J. Ouweneel, Woord en wetenschap. 172 blz., f. 24,90. Buijten & Schipperheijn, Amsterdam 1987.

De schrijver is verleden jaar gepromoveerd tot doctor in de wijsbegeerte. Hij doceert dat vak aan de Evangelische Hogeschool. Resultaten van wijsgerige bezinning heeft hij reeds eerder gepubliceerd in het blad “Bijbel en Wetenschap”. In dit boek vindt men artikelen, herzien en uitgebreid, die aldaar eerder zijn verschenen. Een uitvoerig notenapparaat bewijst de enorme belezenheid van de schrijver. Wie weet hoeveel tijd in publiceren gaat zitten, en vooral in het zo grondig documenteren, moet diep respect hebben voor dit boek (en voor het vele dat de schrijver publiceert). Dat respect vervult ook mij.

Dit boek is een soort principiële fundering en wijsgerige legitimatie van de Evangelische Hogeschool. Het opent met “De christen en de wetenschap”. Daarna worden drie vakwetenschappen (geschiedenis- en economische wetenschap en theologie) besproken. Het derde, middenhoofdstuk, gaat over de basis van de Evangelische Hogeschool. In hoofdstuk vier (In de keuken van de wetenschap) en in hoofdstuk vijf (de Bijbel en de wetenschap) wordt met behulp van Dooyeweerds wijsbegeerte een poging ondernomen om de Bijbel in de wetenschappen te doen functioneren. Het is een knappe poging, die bij mij op tegenspraak stuit vanwege het feit dat theologie omschreven wordt als “de vakwetenschap waarin het logisch denkvermogen van de onderzoeker zich verdiepend, analyserend, abstracterend en systematiserend bezighoudt met het bijbels geloofsgoed, zoals dat vervat is in de Schrift” (blz. 59).

Achter deze omschrijving zit in de letterlijke zin van het woord een hele filosofie. De theologie kan krachtens schrijvers opvatting over filosofie niet het Woord van God als onderzoeksveld hebben.

Ik zie niet in waarom de stelling dat het logisch denkvermogen van de theoloog onderworpen moet worden aan het Woord van God, een argument is tegen de mogelijkheid dat de theologie het Woord van God onderzoekt. Het is van oudsher de overtuiging van de gereformeerde theologie dat alleen wie voor het Woord buigt (zich eraan onderwerpt) theologie kan bedrijven. Ook de wijsgeer moet zich aan dat Woord onderwerpen. Hij krijgt echter toch het recht om te bepalen wat het veld van onderzoek van de theologie is. Hier moet de theologie onder het juk van de wijsbegeerte door. In de uitwerking, zoals hoofdstuk vijf die te zien geeft, komt dat scherp uit. De gedetailleerde onderscheidingen daar doen mij bijna “scholastisch” aan. De auteur waardeert èn kritiseert Oosterhoff (blz. 164, noot 41). Het lijkt me dat hij zich hier duidelijker had moeten uitspreken, of geen woord van kritiek had mogen spreken.

De noten zijn een boekwerk op zichzelf. Het zou mij geen bezwaar zijn geweest, als de inhoud van de noten systematisch bijeengebracht, tot een soort appendix van het boek was geworden.

Ik herhaal mijn bewondering voor kennis, denk- en werkkracht. Wel moet ik zeggen dat de Evangelische Hogeschool een fundament heeft, dat het stempel van een bepaalde uitleg van een bepaalde wijsbegeerte heeft, als dit boek haar wijsgerige legitimatie en visitekaartje is.

C. den Boer, De brief van Paulus aan de Romeinen. Deel 1, 218 blz., en deel 2, 216 blz. beide f. 19,90. J.H. Kok, Kampen 1986.

De schrijver heeft in de periode 1985-1986 voor de microfoon van de E.O. de brief aan de Romeinen besproken. Deze lezingen zijn nu gebundeld verschenen. In deel I worden de eerste acht hoofdstukken besproken, en in deel II de volgende hoofdstukken. Er is een brede kantlijn, waar men tal van teksten vermeld vindt, die licht werpen op Paulus’ woorden. Zoals de schrijver zelf zegt, zijn ze grotendeels ontleend aan de bekende Nestle-Aland uitgave van de tekst van het Nieuwe Testament. Er zijn onderaan de bladzijden heel wat noten toegevoegd. Mij was het geen bezwaar geweest, als deze achterin waren opgenomen. De bladspiegel zorgt nu voor een wat onrustige indruk.

Ik heb voor de verklaring veel waardering. De schrijver gaat eenvoudig, duidelijk en praktisch te werk. Hij trekt lijnen naar het geloof en het leven van christenen. Het is een merkwaardige combinatie van uitleg, meditatie, prediking soms, en aanwijzingen voor het christelijke leven. In de verklaring komt (cursief gedrukt) de tekst zelf steeds weer terug. Ik zou me kunnen voorstellen dat hier en daar een wat duidelijker vertaling werd voorgesteld.

Ik was benieuwd naar de uitleg van Romeinen 7:11. Deze tekst wordt nogal eens gebruikt om de gedachte van de afsterving van de oude mens door de wet te motiveren. Helaas werd dat punt op bladzijde 169 van deel I niet ter sprake gebracht.

Uiteraard zouden er meer plaatsen te noemen zijn, waarop men wel wat anders of wat meer had verwacht. Mijn eindindruk is dat hier een bruikbare bespreking van deze machtige brief wordt gegeven.

Aan het eind van elk hoofdstuk treft men discussievragen aan. Ook deze zijn bruikbaar, al zijn ze soms een hele redenering op zichzelf. Het trof mij dat “verklaring” in elk hoofdstuk op gelijke wijze als de overige kopjes is gedrukt. Hier had cursief door vet gedrukt vervangen moeten worden. Mij zou het welkom zijn geweest als de kopjes ook in de inhoudsopgave waren opgenomen.

Ik heb waardering voor deze beide bundels. Dat ter bespreking een tweede druk van het eerste deel werd toegezonden toont aan dat het boek zijn lezers heeft gekregen. Beter nog: dat lezers dit boek op het spoor zijn gekomen, - terecht.

Dr. A.J. Rasker, De Nederlandse Hervormde Kerk vanaf 1795. Geschiedenis, theologische ontwikkelingen en de verhouding tot haar zusterkerken in de 19e en 20e eeuw. 539 blz., f. 85,-. Kok, Kampen 1986.

Graag maak ik predikanten attent op dit boek. De eerste druk verscheen in 1974. Nu hebben we de derde druk. Het blijkt dat dit boek het doet. Dat is terecht.

Wie over de geschiedenis van de Nederlandse Hervormde Kerk na 1795 iets wil weten, kan aan dit boek niet voorbij. Het combineert op een gelukkige manier de hoofdlijnen met bespreking van bijzonderheden ten aanzien van personen, gebeurtenissen en stromingen.

Deze derde druk is aanzienlijk uitgebreid vergeleken met de voorgaande drukken. Er zijn ongeveer tachtig bladzijden bijgekomen, waarin op ontwikkelingen van de laatste jaren wordt ingegaan. Met name theologische ontwikkelingen, de Oecumene, Samen op weg en de verhouding tot de Rooms-Katholieke Kerk. Het laatste hoofdstuk is gewijd aan: “Voorrang aan ethische vragen in oecumenisch perspectief”. Deze toegevoegde hoofdstukken hebben iets weg van een reportage en missen dat vakmanschap dat de auteur ten toon spreidt, als hij de gebeurtenissen meer op een afstand beschrijft.

Dat de literatuurlijsten achter de hoofdstukken niet volledig zijn is niet verwonderlijk. Toch mis ik de vermelding van enkele proefschriften; ik noem er drie: Sutarno over Kuyper (VU, Amsterdam), Zwanenburg over G.J. Vos Azn. (Utrecht) en G. Bos over Gunning (Brussel). Deze drie hadden in elk geval wel genoemd moeten worden. Predikanten en allen die in de Vaderlandse kerkgeschiedenis belang stellen, zullen dit boek dankbaar gebruiken. Het is keurig gebonden uitgegeven.

D. Deddens en J. Kamphuis (red.), Doleantie - Wederkeer, Opstellen over de Doleantie van 1886. 345 blz., f. 45,50. Vijlbrief, Haarlem 1986.

Dit royaal uitgegeven boek roept de herinnering op aan het onder dezelfde redactie en bij dezelfde uitgever verschenen boek over de Afscheiding.

De indeling is gelijk. Een brede kantlijn, waarin (verkleinde) foto’s van besproken figuren, kerkgebouwen en boeken afgedrukt zijn. Achter elk hoofdstuk de noten.

Wat de omvang van dat apparaat betreft wint prof. Deddens het. Zijn artikel “Het Doleantiekerkrecht en de Afscheiding” is het langst (blz. 57-151) en telt 314 noten. Een uitstekend gedocumenteerde studie. Dat geldt trouwens van vrijwel alle artikelen.

Naast het genoemde trof mij vooral de bijdrage van prof. Kamphuis over het conflict tussen Gunning en Kuyper in verband met de weg van de kerk. Hoewel niet geheel zonder kritiek op Kuyper, wint deze het bij de auteur toch van Gunning. Er zit voor mijn besef bijna iets tragisch in dit conflict.

Ik vermeld ook met waardering de studie van prof. Trimp, over Diaconaat en Doleantie. Zijn conclusies geef ik kort weer: Het is aan de Gereformeerde Kerken uiteindelijk gelukt om in de jaren na 1886 de identiteit en het diakonaat scherp te bepalen. Vervolgens wordt gewezen op de actualiteit van de problematiek waarmee de Doleantie heeft geworsteld: filantropie en diaconie als twee stijlen van werken ten dienst van Christus’ zaak in deze wereld. In onze tijd zijn ze herkenbaar in de gereformeerde en evangelische stijl. Het feit dat de schrijver ons na honderd jaar beginnelingen noemt, wil zeggen dat er aan het gereformeerde diaconaat nog wel wat te doen is. De stenen voor de uitbouw van het diaconaat worden aangereikt.

Ik zou nog veel meer willen vermelden. Ik volsta met te verwijzen naar het artikel van dr. Arntzen over mr.dr. W. van den Bergh. Ook het artikel “Voortrekkers over nako- mers” van drs. M. ter Velde is interessant.

Het is niet zo dat men overal tot heden onbekende gegevens aantreft. Het feit dat ze bij elkaar gebracht en in een verband gezet worden, is niet de minste waarde van dit boek. Mijn waardering voor de Doleantie is een andere dan die van de meeste schrijvers. Een voornaam uitgegeven boek dat verdient een plaats te krijgen in de literatuur over de Doleantie.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.