+ Meer informatie

Naarde katechisatie

5 minuten leestijd

3. de bekering (b)

De waarachtige bekering openbaart zich in drie dingen, namelijk in een i n k e e r tot zichzelf, in een a f k e e r van de zonde en in een heenkeer tot God.

Een duidelijk bewijs hiervan zien we in de gelijkenis van de verloren zoon.

Wat is nu die INKEER in zichzelf? Dat de zondaar door een verlicht verstand, hetwelk hij in de levendmaking door Gods Geest verkrijgt, zichzelf ziet in zijn vloekwaardigheid voor God, zichzelf verfoeit vanwege zijn zonde en ellende en die belijdt voor de Heere. Zo lezen we van de verloren zoon: „en tot zichzelf gekomen zijnde.” Wanneer gebeurde dit? Toen hij inzag het grote verschil tussen zijn verleden en het heden. Hoe goed had hij ’t, toen hij nog thuis bij zijn vader was, die goede, zorgzame, lieve vader. En nu? Niet anders dan gebrek en ellende, zo zelfs, dat hij begeerde de draf te eten van de zwijnen, maar dat hem zelfs die nog niet vergund werd. Toen zag hij zijn eigen dwaasheid en zonde in: moed- en vrijwillig het huis zijns vaders verlaten te hebben.

Zo leert ook de zondaar door het ontdekkend licht van de Heilige Geest zichzelf zien en kennen. God, Zijn Schepper verlaten, de Springader des levenden waters en zichzelf naast deze Springader en Bron bakken uitgehouwen. Maar het zijn gebroken bakken, waardoor het water wegsijpelt. Dit is het bestaan van de mens door de zonde en afval van God. Hij zoekt zijn leven te vullen met al datgene, dat nooit de ware vervulling kan geven. Augustinus schreef eens: ons hart kan niet rusten, totdat het rust vindt in U, o God!

Van het ontdekkend werk van Gods Geest willen velen vandaag niet meer weten. Men acht dit ouderwets en ziekelijk. Je moet geloven en Jezus aannemen. We horen velen klagen, dat men ook in de prediking zo mist het ontdekkend werk van de Heilige Geest en de noodzakelijkheid van waarachtige bekering en hoe de Heere deze bewerkt. Dit is ontzettend erg, vooral ook met het oog op onze jeugd, die al meer van deze noodzakelijke dingen vervreemd raakt.

Je moet geloven. Ja, dat is waar. Maar wat gaat men geloven als de Heere de zielsogen van een mens opent? Onze Heidelberger zegt het zo duidelijk in Zondag 7:

„een waar geloof is niet alleen een stellig weten of kennis, waardoor ik ALLES voor waarachtig houde, dat ons God in Zijn Woord geopenbaard heeft.”

En wat heeft God in Zijn Woord geopenbaard? Allereerst, dat we Jezus moeten aannemen? Wel neen. Dat God ons goed en naar Zijn Evenbeeld geschapen heeft, dat is in ware kennis, gerechtigheid en heiligheid; dat wij moed - en vrijwillig onze Schepper verlaten hebben in onze diepe val in Adam. Het oprecht geloof „houdt dit voor waarachtig”. Het maakt er geen probleem van, gelijk men thans doet, of Adam wel de eerste mens was. We zijn door onze val de ware kennis verloren, alsook de gerechtigheid en heiligheid.

In de levendmaking komt de Heilige Geest een beginsel van de ware kennis te werken in het hart. Kennis van onszelf, wie wij geworden zijn door de zonde, het mishagen van zichzelf vanwege zijn zonde en dwaasheid, het hartelijk berouw over de zonde, gelijk bij de verloren zoon.

Is er verschil tussen „berouw” en „spijt” van de zonde? Zeer zeker.

Spijt is een overtuiging van het geweten en deze gaat over de gevolgen van de zonde. Zij is een vrees slechts voor straf, maar geen droefheid naar God. Spijt van zijn zonde had Kaïn, Saul en Judas. Men kan bij die spijt ook wenen over zijn zonde. In het BEROUW over de zonden beweent men ook zijn zonde. Maar dit wenen gaat over de aard der zonde. Dan ziet men in, dat men gezondigd heeft tegen God, tegen een heilig en rechtvaardig God, maar ook een goeddoend God. O, dàt verbreekt het hart. De Heere zegt in Jer. 31: „Zij zullen komen met geween en met smekingen zal Ik hen voeren.” „Zelfmishagen” is iets anders dan zwaarmoedigheid. Dit is een karaktertrek. Er kan ook zijn een uiterlijk vertoon van nederigheid en ootmoed. Men spreekt wel eens van „nederige hoogmoed”. Men kan met de mond o zo zwaarwichtig praten over deze dingen, zonder dat het hart geraakt is.

Dit moet ons leiden tot ernstig zelfonderzoek, opdat we ons niet bedriegen voor de grote eeuwigheid. De oprecht-bekommerde over zijn zonden is daar juist zo bang voor en vraagt met de dichter van psalm 139: „Doorgrond mij, o God, en ken mijn hart; beproef mij en ken mijn gedachten; en zie, of bij mij een schadelijke weg zij en leid mij op de eeuwige weg.”

In het oprecht bewenen van zijn zonde ligt ook een zekere zoetheid, d.w.z. niet in zijn zonde, maar in het uitstorten van het hart voor de Heere en in het hartelijke belijden. Kent u, lezer(es) dit? O, smeken we om deze ware i n k e e r tot onszelf te leren kennen door de werking van de Heilige Geest. Dan wordt ook iets gekend van de honger en dorst naar den Heere, zoals het hijgend hert schreeuwt naar de frisse waterstromen. Dan wordt het zulk één te doen om God Zélf, om met Hem in verzoende betrekking te komen, Hem te kennen en te vrezen als het allerhoogst en eeuwig Goed.

Hierover willen we iets zeggen in een volgende les. Alleen nog deze vraag: geschiedt deze inkeer tot zichzelf, dit hartelijke berouw maar één maal in de bekering? Neen, dit wordt telkens weer gekend. Daarom is er ook nodig een „dagelijkse” bekering.

Urk.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.