+ Meer informatie

De leer van het kerkelijk Ambt bij de Reformatoren (2)

12 minuten leestijd

Vanuit het hait van het evangelie heeft Luther vooral in tegenstelling met de ambtsopvatting van Rome zijn gedachten ontwikkeld over de betekenis van het kerkelijk ambt De vorige maal hebben we gezien hoe de piedikmg van de rechtvaardiging door het geloof alleen doorgewerkt heeft in alle hoeken van Luthers theologisch denken Daardoor kwam het sacrament op de rech*e plaats naast het Woord het ambt is dus niet sacramenteel van aard Daardoor kwam het evangelie op de i echte plaats ten opzichte van de wet: het ambt behoort wezenlijk bij de viijheid die God door het evangelie proclameert En daardooi kom* ook de dienaar in de juiste verhouding te staan tot de gemeente: het ambt ’S in wezen dienend, en niet heersend van karakter.

Vanuit deze innerlijke wortel van de rechtvaardiging door’t geloof heeft Luthei dus zijn opvattingen ontwikkeld, vanzelfsprekend m de concrete situatie, d.w.z in tegenstelling tot de loomse opvatting.

Nu willen we nagaan, hoe dit alles doorwerkte in nadere uiteenzettingen.

Twee zaken vragen daarbij de aandacht, die men de twee polen zou kunnen noemen van Luthers ambtsbegrip. Tussen die twee polen bewegen zich altijd Lutherse gedachten. We zullen ze beide moeten benadrukken, willen we tenminste recht doen aan de grote reformator.

De eerste pool, waaromheen Luthers gedachten altijd weer cirkelen is die van het algemeen priesterschap der gelovigen. Soms krijgt men de indruk, dat deze gedachte allesbeheersend is, dat ze zo centraal is, dat ze alle andere aspecten in het denken van Luther in de schaduw heeft gesteld. En inderdaad is het een belangrijke notie in heel het reformatorisch denken tegenover de kerk van Rome. Maar we zouden ons vergissen, wanneer we daardoor de andere pool uit het oog zouden verliezen: die van de goddelijke instelling van het ambt, waardoor het een zelfstandige plaats krijgt in de gemeente. In een van de meest recente studies over het ambt bij Luther lezen we dan ook: Deze beide polen doen zich niet alleen gelden in de fundamentele theologische fundering van het ambt. De lijnen, die vanuit de ene, of vanuit de andere pool getrokken worden, treden in alle afzonderlijke delen van de ambtsleer aan het licht, ook in de leer van de instelling in het ambt. De fundering van het ambt vanuit het algemeen priesterschap en de noodzakelijkheid van de priesterlijke gemeente correspondeert met de roeping door de gemeente. De fundering vanuit de stichting door Christus correspondeert met de ordinatie als ambtsoverdracht door hen, die reeds in het ambt staan. Beide gedachtenreeksen zijn echter … met elkander verbonden en op elkander betrokken. In hun wederzijdse ineenstrengeling bieden zij juist het specifieke ambtsbegrip van Luther. (H. Lieberg, Amt und Ordination bei Luther und Melanchthon, Göttingen, 1962, S. 235).

De betekenis van het priesterschap aller gelovigen voor het ambtsbegrip van Luther overwegen we nu eerst.

Door de prediking van de rechtvaardiging door het geloof alleen werd de grondslag gelegd van de leer, dat alle gelovigen het priesterambt bekleden. In wezen is er maar één priester, die voor God kan verschijnen: het is de Heer Jezus Christus. En alleen door het geloof hebben we deel aan dit priesterschap van Christus. „We hebben slechts één enige priester, Christus, welke zichzelf voor ons en ons allen met hem geofferd heeft. Door Christus hebben de gelovigen nu een directe toegang tot God. Ze behoeven niet tot God te gaan door de dienst van nog weer een andere priester. Neen, in Christus hebben alle gelovigen het priesterrecht ontvangen, om tot God te gaan. Daarbij treden de gelovigen nu ook priesterlijk voor anderen op. Ze bidden voor anderen en kunnen anderen leren en onderwijzen. Alle Christenen zijn priesters; ze behoren tot de geestelijke stand voor God, en zijn verloste kinderen van God door het geloof in Christus.

Het is zonder meer duidelijk, dat dit standpunt de heersende roomse opvatting van een geestelijke stand boven een lekenstand in het hart aantastte. Een Christenmens heeft een dergelijke tussenstand niet nodig. Door de pauselijke wetten is het zo ver gekomen, dat de priester zich tussen God en de mensen heeft gesteld. Maar niet de paus maakt met zijn wijding iemand tot priester. God doet dat door de doop door het evangelie, door het geloof. In een van zijn vele kleinere geschriften, „De instituendis ministris” (1523), heet het: een priester wordt met name in het nieuwe testament niet gemaakt, maar geboren, niet geordend, maar geschapen. Maar hij wordt geboren, niet door een geboorte door het vlees, maar door de Geest, namelijk uit water en Geest in het bad der wedergeboorte. Wanneer iemand gelooft, dat men door uiterlijke zalving, tijdens de priesterwijding, priester wordt, beschouwt Luther dat als een ketterij en hanteert hij het anathema.

Ieder, die door de doop is gekropen, is een priester door het geloof in Christus. Alleen door het geloof kan men het heilzame goddelijke water nuttig ontvangen én kunnen ontvangen? En … waar bijstand wordt verleend, krijgt men daar moeten we besluiten, dat de doop altijd recht blijft en z’n volle wezen behoudt, ook al zou een mens alleen maar gedoopt worden en daarbij niet recht geloven.”

Tegenover de wederdopers heeft Luther sterk de nadruk gelegd op de objectieve betekenis van de heilige doop. Maar hij heeft toch niet minder er op gewezen, dat het heil in Christus alleen door het geloof ons deel wordt. Doop en geloof horen samen, en alleen waar ze inderdaad samenvallen wordt de priester geboren, geschapen.

Zo heeft ieder gelovige het recht om vrij tot God te gaan. Dat is het eerste recht, dat met het priesterschap van alle gelovigen samenhangt.

Daarbij komt dan nog het tweede, dat even wezenlijk is voor Luther: het recht waaruit alle functies van woord- en Sacramentsbediening opkomen. „Ieder, die weet, dat hij een Christen is, moet er van verzekerd zijn en weten, dat wij allen gelijkelijk priesters zijn, dat is, dat we dezelfde macht hebben om woord en sacrament te bedienen.” Of zoals het ergens anders heet: „Indien ik zeg, dat ge een Christen zijt, zeg ik tegelijk, dat ge ook een priester zijt, die het sacrament kan geven, tussenbeide kan treden voor God, en oordelen over de leer.” Zo poogt Luther telkens aan te tonen, dat het enige, rechte, waarachtige predikambt, evenals het priesterschap en offer aan alle Christenen gemeen is.

Duidelijk wordt dit alles ten aanzien van de sleutelmacht van de kerk. Bij Rome komt die macht alleen de geestelijkheid toe. Bij Luther is in wezen ieder Christen bevoegd om de sleutelmacht te oefenen. „Deze macht is niet alleen aan de geestelijken gegeven …, maar aan alle gelovigen. Het is een macht, die iedere Christen heeft.” En iedere Christen heeft die sleutels als zodanig, niet maar, omdat hij ze via de gemeente, die ze bezit, zou hebben. De sleutels zijn van de gehele kerk, en van elk lid ervan zowel naar recht als naar gebruik.

Weliswaar heeft Luther in de practijk deze sleutelmacht wat het algemene ambt der gelovigen betreft gereserveerd voor noodgevallen en in de privésfeer. Zo heeft ook ieder Christen niet alleen het recht, maar ook de plicht, om de naam van God te verkondigen, ook al is daarmee in de grond niet het openlijke prediken bedoeld, maar het geloofsgetuigenis tegenover hen, die niet geloven.

In principe zijn dus alle Christenen aan elkander gelijk, ze zijn in het koninklijke priesterschap op gelijke wijze broeders van elkander. En dit priesterschap van alle gelovigen is voor Luther fundamenteel. Dááruit leidt hij het bijzondere ambt af.

Twee motieven spelen hierbij een rol: Het eerste is, dat God een God van orde is. En het tweede is, dat niet aan een ieder gelijke gaven zijn geschonken. God is een God van orde. Daarom kan, wanneer het om openlijke verkondiging gaat niet ieder maar doen wat hij wil. Er is een bedienen van de sleutelmacht in de privésfeer. Luther werkt sterk in de richting, dat de gelovigen elkaar zullen helpen: „Wanneer uw geweten u pijnigt, ga dan naar een vroom man en klaag hem uw nood. Vergeeft hij ’t u, zo zult ge ’t aannemen, hij heeft daarvoor geen pauselijke bullen nodig.” Dit pastoraal-broederlijk helpen van elkander juicht Luther toe. Maar dat blijft broederlijk-onder-elkaar. Voor de openlijke prediking en voor de sacramentsbediening vooral vereist Luther, dat niet ieder maar zal optreden. „Als iedereen maar zou preken, wie zou dan toehoren? Als we allen tegelijk preekten, wat zou het een geblèr door elkander worden, zoals nu bij de kikkers!” De kerk zou tot een Babyion worden. Wanneer elke leek in de kerk maar zou opstaan om te preken, hoe zou dan alles eerbaar en ordelijk toegaan in de gemeente? Juist daarom, dat ze alle macht hebben om te preken is het noodzakelijk orde op zaken te stellen.

Een tweede motief onderstreept nog de noodzakelijkheid, om niet allen de uitoefening van het bijzondere ambt toe te vertrouwen: er is verscheidenheid van gaven.

Alle gelovigen zijn wel priesters en hebben principieel het recht en de macht om woord en sacrament te bedienen. Maar niet allen hebben de daartoe vereiste gaven ontvangen. „Hoewel iedereen wel de macht heeft om te prediken, zo moet men toch niemand daarvoor gebruiken, en niemand moet zich daartoe onderwinden, tenzij hij boven anderen daartoe geschikt is.” Uit de verscheidenheid van gaven vloeit noodzakelijk voort, dat niet een ieder die geschiktheid tot het openbare ambt heeft. Daarom draagt de gemeente, die het recht tot ’t ambt bezit de uitoefening van dat recht over aan de mensen, die zij daartoe verkiest. Deze delegatie, deze overdracht geschiedt dus niet alleen uit motieven van orde en eerbaarheid in de gemeente, maar ook, omdat de gaven, die de Geest verleent niet bij ieder gelijk zijn. Zo wordt de ambtsdrager de representant van de gemeente. Wanneer hij de sleutelmacht uitoefent, doet hij dat niet krach-tens eigen recht, maar door de dienst der gemeente, omdat hij een dienaar der gemeente is, en omdat de sleutelen niet aan hem of aan de zijnen zijn overgedragen, maar aan de gemeente. Dat de gemeente het ambt delegeert, betekent niet, dat zij van haar recht afstand doet, daar immers de ambtsdrager zijn ambt gemeente is, en omdat de sleutelen niet aan hem, of aan de zijnen zijn overgedragen, maar aan de gemeente. Dat de gemeente het ambt delegeert, betekent niet, dat zij van haar recht afstand doet, daar immers de ambtsdrager zijn ambt bekleedt in plaats en in naam van allen. Maar zo volvoert hij zijn ambt ook naar het bevel van Christus. Dat blijft én voor de gemeente, én voor de ambtsdrager de norm. Naar die norm moet hij zijn ambt vervullen. En naar die norm moet de gemeente haar dienaar beoordelen. Dat is niet alleen het recht van de gemeente, maar het is zelfs haar plicht. Een dienaar kan worden afgezet, wanneer hij ophoudt getrouw te zijn, en hij is dan weer een boer of een burger net als de anderen, hij is dan weer net als voorheen.

Zo komt het bijzondere ambt dus op uit het algemene ambt van alle gelovigen. Het priesterschap van alle gelovigen is de fundamentele basis, waarop dit bijzondere ambt berust, krachtens goddelijke orde én krachtens de verscheiden-heid in geestelijke gaven.

En het is hier, dat ook de andere pool van Luthers ambtsbeschouwing reeds zichtbaar wordt: die van de goddelijke instelling van het ambt. In de instelling door Christus heeft het kerkelijke ambt ook voor Luther zijn fundamentele positie.

Zó beschouwt ligt het kerkelijk ambt voor Luther binnen het krachtveld van Gods heilsdaden in deze wereld, en behoort het tot de middelen der genade. Door de functie van dit genademiddel komt het lijden van Christus en zijn opstanding tot z’n uitwerking. Daarom gaat de instelling van het ambt ook op Christus terug. Christus heeft tot opbouwing van zijn lichaam de ambten ingesteld. Het ambt als instelling van Christus is ingebed in het heilsproces, waardoor God de zondaar tot rechtvaardiging wil voeren, schrijft Lieberg (S. 108).

Daarom staat de ambtsdrager in de gemeente toch altijd als legaat van God als bode des Heren, en verkondigt hij het evangelie in plaats van Christus. In zijn ambt moet men de prediker niet horen als een mens, maar als God. Wie de ambtsdrager veracht, handelt tegen God en heeft straf te wachten, hij moet gerekend worden bij de lasteraars en vijanden van God.

Zo wordt het ambt voor Luther een middel: we zijn slechts een instrument en middel, waardoor Christus spreekt, en dat Hij gebruikt tot uw eer … Wij zijn de lepel, hij drenkt u door ons. We zijn organen van God, waardoor Hij werkt. Een instrument en mond van God. Wanneer ik preek, preekt Christus in mij. Wanneer ge ’t Woord hoort, hoort ge God. Legt de dienaar in het ambt mij de handen op, dan doet Christus het zelf. God wil door uiterlijke middelen met ons handelen. Natuurlijk zou God het er zonder kunnen doen. Maar Hij wil het predikambt niet opheffen en van ieder afzonderlijk iets maken, daarom wijst Hij ze allen naar de preekstoel, naar de prediker: hoor Ik zal u een engel sturen, ga heen, hoor van uw prediker het evangelie, dáár vindt ge het. Christus legt de kracht en het werk van zijn opstanding in de mond van de apostelen en van alle predikers, die het ambt en het Woord hebben.

Deze instrumentaliteit van het ambt bestaat niet op zichzelf. Slechts in de getrouwe binding aan het Woord, aan het goddelijk bevel is er belofte van heil. Indien ik Gods Woord getrouw breng, dan wil de Heere ’t zegenen.

Deze binding aan het Woord, aan de opdracht behelst tegelijkertijd een onafhankelijkheid van de prediker tegenover de gemeente, die op geen enkele andere wijze verkregen zou kunnen worden. Zo staan de ambtsdragers tegenover de gemeente, in de autoriteit van Hem, die zendt, en zo kon Luther ook in een bepaald concreet geval schrijven aan een stadsraad, die een prediker wilde afzetten, omdat zijn boetpredikaties niet in de smaak vielen: Gij zijt geen meesters over de predikers en het predikambt, gij hebt ze niet gesticht, maar Gods Zoon alleen …

Gij zult niet over hen meesteren, noch hen leren!

Zo vinden we dus twee gedachtencomplexen binnen het ene ambtsbegrip van Luther.

Een priesterschap van alle gelovigen.

Een stichting van het ambt door Christus, in het werk des heils in de wereld. Die twee lijnen raken elkaar in wat Luther leert over de vocatio, de roeping tot het ambt en de ordinatio, de instelling in het ambt. Daarover D. V. een volgende maal.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.