Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Verslag rouwdienst en begrafenis Ds. J. van Haaren

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Verslag rouwdienst en begrafenis Ds. J. van Haaren

12 minuten leestijd Arcering uitzetten

Dominee van Haaren is niet meer. De vrees van Job, zoals dat staat in vers 25 van het derde hoofdstuk is voor mevr. van Haaren, de kinderen, familie, zijn gemeente en zoveel anderen meer, vi'erkelijkheid geworden. „Want ik vreesde een vreze, en zij is mij aangekomen; en wat ik schroomde is mij overkomen." In de vroege morgen van dinsdag 2 augustus is Ds. van Haaren overleden. „Vader Ik wil dat waar Ik ben, ook die bij Mij zijn, die Gij Mij gegeven hebt."

Zaterdag 6 augustus is zijn stoffelijk overschot aan de schoot der aarde toebetrouwd. Dat is niet in stilte gebeurd. „Ik zal genade en ere geven."

De begrafenis werd geleid door de consulent van Amersfoort, Ds. J. J. van Eckeveld. Waar de familie samenkwam in de pastorie, om van daar naar de kerk te gaan, heeft Ds. van Eckeveld in de pastorie een gedeelte gelezen uit de brief van de apostel Paulus aan de gemeente van Corinthe, de eerste brief, het 15e hoofdstuk, vanaf vers 22 tot het einde. Het zo bekende hoofdstuk, dat handelt over de wederopstanding der doden.

Na het gebed ging de rouwstoet naar de kerk aan de Zuidsingel, waar Ds. van Haaren bijna 19 jaar in het midden van ons mocht voorgaan. In de kerk waren alleen plaatsen gereserveerd voor de predikanten, en uiteraard, de familie, zodat de eigen leden, die vrijwel allen aanwezig waren, in het eigen kerkgebouw de dienst konden bijwonen. Voor alle andere belangstellenden was er plaats in de Christelijk Gereformeerde Ichtuskerk, en in het eigen verenigingsgebouw aan de Zuidsingel.

Voor de aanvang van de dienst werd er gezongen het 7e en 8e vers van Psalm 89. Daarna las Ds. van Eckeveld Psalm 23, waarna hij voorging in gebed.

In zijn toespraak tot de familie van Haaren, die aan de Woordbediening voorafging, zei hij onder andere: Mevr. van Haaren, kinderen en verdere familie. Vorig jaar mocht u samen met uw man gedenken dat u 25 jaar in de echt was verbonden. Toen kon u niet denken éen jaar later weduwe te zijn. Nu moet u uw weduwschap inleven. U bent veel kwijtgeraakt, maar nu God tot uw deel te mogen hebben, dat is alles. Uw Maker is uw Man, Heere der heirscharen is Zijn Naam. Van harte bidden wij u toe de vertroosting van die God, Die oneindig meer vertroosten kan dan enig mens.

Kinderen, u moet uw vader missen, een ontzaggelijke slag, maar dit moeten we zeggen: de Heere is oneindig meer dan een Vader zijn kan. Uw vader is er niet meer, maar de God van uw vader blijft Dezelfde tot in alle eeuwigheid. Gelijk zich een vader ontfermt over de kinderen, alzo ontfermt Zich de Heere over degenen die Hem vrezen. De Heere gedenke ook de oude moeder, zij kan er vandaag niet bij zijn, maar dat de Heere haar goed en nabij mag zijn.

Kerkeraad van Amersfoort, een grote lege plaats is in uw midden. Bijna 19 jaar heeft hij in getrouwheid in uw midden mogen dienen. En het is voor u niet in te denken, dat hij er nu niet meer is, hij was dienaar des Woords en hoe kwam in zijn prediking steeds weer openbaar de rijkdom van het Woord van God. Als een vriend van de Bruidegom begeerde hij een middel te zijn in de handen Gods, om arme zondaren te mogen leiden tot die grote Bruidegom, en zijn arbeid is in uw midden niet onge­ zegend geweest, en de eeuwigheid zal straks openbaren wat de vruchten zijn geweest. U zult uw herder en uw leraar missen, maar straks komt God terug op het Woord, dat hij in uw midden heeft gesproken. Nu heeft de Heere hem weggenomen, midden uit een arbeidzaam leven, zijn werk was af De Heere heeft gezegd: het is genoeg. Mijn raad zal bestaan en Ik zal al Mijn welbehagen doen.

Wij geloven zo van harte dat onze overleden broeder zijn wens heeft verkregen, niet om zijn arbeidzaam leven, niet omdat hij in de kring der gemeenten zo'n grote plaats innam, niet omdat hij ambtsdrager was, niet omdat hij knecht was, maar omdat hij kind was, omdat hij gekocht was met het bloed van Christus. Van jongsaf heeft hij de Heere mogen vrezen en in de laatste maanden van zijn leven heeft de Heere het willen bevestigen. „Vader, Ik wil dat waar Ik ben, ook die bij Mij zijn, die Gij Mij gegeven hebt", dat mocht hij eigenen, daaronder is hij weggezonken. En dan werd zijn lichaam wel gesloopt door die verschrikkelijke ziekte, maar voor hem is de dood geworden een doorgang tot het eeuwige leven. En daarbij willen wij u een ogenblik bepalen naar aanleiding van het woord van onze tekst uit de voorgelezen Psalm, bij het sterven van Gods kinderen, n.l. Psalm 23 : 4: Al ging ik ook in een dal der schaduw des doods, ik zal geen kwaad vrezen, want Gij zijt met mij. Uw stok en Uw staf die vertroosten mij.

„De troost van de Herder in het dal van de dood." In een bemoedigende en vertroostende predikatie voor de ware schapen van die goede Herder, verklaart de dominee met voorbeelden de betekenis der woorden van de tekst. Het gaat in de eerste plaats om de heerlijkheid van die grote Herder der schapen, maar ook de zorg die de Heere voor en over Zijn volk heeft, ook als de dood komt. Wat zijn de schapen van die Herder dan onuitsprekelijk gelukkig, vooral als zij door het geloof in dat donkere dal op die Herder mogen zien. Dat was ook de begeerte van onze overleden broeder, om maar heen te mogen wijzen naar die Herder, die Zijn schapen veilig leidt. Hij heeft voor al Zijn schapen bedongen een vrije doortocht, ook door de doodsvallei. En toch duizend zorgen, duizend doden kwellen hun angstvallig hart, als de ze Herder niet in het oog hebben, maar, als ze zich in Hem mogen verheugen dan zingen zij met de kerk: Dan ga ik op tot Gods altaren.

' Nadat deze Psalm (43 : 4) gezongen is, wordt namens de gemeente en kerkeraad nog een enkel woord gesproken door oud. G. van den Hove. Eerst sprak hij een enkel woord tot mevr. van Haaren en haar kinderen. In herinnering brengend de hartelijke woorden die in deze week tot haar gesproken werden, de innige gebeden die voor haar en de kinderen tot Gods troon werden opgezonden, haar toewensende dat die gebeden in vervulling zouden mogen gaan. Ook dat de Heere haar tot hiertoe

Zijn verborgen ondersteuning niet had onthouden. Hij wenste haar toe, dat de Heere haar maar bij de voortduur het geluk van haar man zou doen zien, dan zou zij haar smart kunnen dragen, ook in de droeve dagen die nog zullen komen.

Ook werden enkele woorden gericht tot de gemeente, tot de catechisanten. Inzonderheid de -predikanten werd gevraagd-ef er toch gebed mocht zijn voor de troon der genade of de Heere nog arbeiders wilde uitstoten in Zijn wijngaard. Wij allen moeten dat doen maar inzonderheid hen die de zorg der gemeenten is toebetrouwd.

Nadat gezongen is Psalm 69 : 14, waarvan de laatste regels zijn: „Daar zullen zij, Gods knechten met hun zaad. Zij, die Zijn Naam beminnen, erflijk wonen, eindigt Ds. van Eckeveld deze plechtige en indrukwekkende dienst met gebed. \

Op de begraafplaats, die vanwege de overstelpende belangstelling niet betreden mocht worden dan nadat de rouwstoet zich daar geformeerd had, werd de baar grafwaarts gedragen, geflankeerd door de 6 ouderlingen en 6 diakenen van de kerkeraad, en gevolgd door de familie en de zeer vele belangstellenden. Nadat de kist was neergelaten, en een ogenblik stilte in acht genomen, werd door 3 sprekers het woord gevoerd. Ds. K. de Gier, namens de Theologische School; Ds. P. Blok, namens geheel de Gereformeerde Gemeenten, en Ds. L. Blok, namens alle scholen Avaarvan Ds. van Haaren voorzitter was en namens de Ger. Bijbelstichting.

Ds. de Gier memoreerde het werk van Ds. van Haaren aan de Theologische School, eerst als curator, later als docent. Hoewel Ds. de Gier niet wiïde eindigen in de mens, vond hij het toch gepast zijn waardering uit te spreken voor de manier waarop Ds. van Haaren zijn werk in beide functies vervulde, de Heere erkennende voor wat hij in Ds. van Haaren aan de school had geschonken. Zijn wijze van lesgeven, zijn vermogen om kennis over te dragen, en desondanks student te zijn gebleven, het zelf nodig hebbende, steeds weer door de Heere geleerd te worden.

Met dankbaarheid wilde hij gedenken aan het vele werk dat Ds. van Haaren heeft gedaan voor de opleiding der studenten, in wiens hart hij zo een grote plaats innam. De achtergrond van al zijn arbeid was dat hij genade had ontvangen en een grote liefde tot het Woord van God. Tijdens het ogenblik dat Rotterdam gebombardeerd zou worden, moesten vele mensen in Rotterdam het huis uit, ook de familie van Haaren. Ds. van Haaren was toen 6 jaar, het was mei 1940. Men kreeg slechts enkele ogenblikken tijd, en ieder pakte voor zich, wat voor hem of haar het meest waardevolle was, het meest onmisbaar. En wat had Jan onder zijn arm? De Statenbijbel, daarmee ging hij de deur uit! Voor hem was er niets dat belangrijker was, het Woord des Heeren. En dat is zijn leven geweest.

Daarna sprak Ds. P. Blok namens het geheel der Ger. Gemeenten. Geliefde weduwe, kinderen, familie en medereizigers naar die grote en alles beslissende eeuwigheid. Genade begint met een wonder, en eindigt met een wonder. Het wonder van het begin, voortgekomen uit een familie die in diepe duisternis van ongeloof verkeerde. Op een bijzondere wijze gebracht onder de prediking van Ds. Lamain te Rotterdam. Als een Timotheüs is Ds. van Haaren reeds in zijn jonge kinderjaren geleid. De eerste ontmoeting tussen Ds. P. Blok en Ds. van Haaren vond plaats in 1955 toen zij samen stonden te wachten op de uitslag van het Curatorium, en zij 's avonds daarna in verwondering met elkander gesproken hadden over het eeuwige wonder dat de Heere mensen in Zijn dienst wilde afzonderen, om daarin werkzaam te zijn.

Dat eeuwige voornemen met het geslacht van Haaren is openbaar geworden, door de bijzondere plaats en de bijzondere arbeid die hij in de kring van de Ger. Gemeenten heeft mogen verrichten. De inhoud van het leven is geweest: „Ik zal genade en ere geven". Want hij^ heeft niet gevraagd naar al de functies die hem in de gemeenten zijn toevertrouwd. Die heeft hij eerlijk van God verkregen.

Ds. Blok geeft bij het geopende graf uiting aan de dankbaarheid voor het vele werk dat Ds. van Haaren heeft mogen doen en wat de Heere ons in hem heeft willen schenken. Hij betrekt in die dank ook mevr. van Haaren, die in het leven van Ds. van Haaren maar de tweede plaats innam, want: de kerk was zijn eerste vrouw. Genade begint bij een wonder, en genade eindigt met een wonder, en dat God naar hem omzag was een wonder, dat God hem bewaard heeft is een wonder, en dat God hem er door gehaald heeft is een wonder, en dat hij God nu eeuwig mag prijzen is het allergrootste wonder. Hij eindigde zijn toespraak met de laatste regels van vers 14 uit Psalm 69: „Daar zullen zij, Gods knechten met hun zaad, en die Zijn Naam beminnen, erflijk wonen."

Namens alle scholen en het G.B.S. sprak dan nog Ds. L. Blok. Bedroefde weduwe, kinderen, familie en alle aanwezigen, de Heere heeft uw man gebruikt om een scholengemeenschap tot stand te brengen, die er tot op vandaag nog zijn mag. We weten hoeveel arbeid hij daaraan heeft besteed. Maar we mogen eindigen in Hem, Die dit alles heeft geschonken. De Heere had beloofd: „en ziet Ik heb u een open deur gegeven". Het was zijn bede en begeerte dat al het werk op school zou geschieden in de Waarheid die hem zo lief was, doortrokken van dat enige nodige, welgetroost te leven en eenmaal zalig te sterven. Dat gold voor alle scholen, ook de Johannes Calvijnschool, en ook de Gereformeerde Bijbelstichting. Ook voor de G.B.S. heeft hij veel werk verricht. Ook leest Ds. L. Blok een brief voor van Rev. Brown vanuit Londen, T.B.S.

Daarna herinnert Ds. Blok in een toespraak tot mevr. van Haaren nog aan de woorden van de „weeszondag": „Vader, Ik wil, dat waar Ik ben, ook die bij Mij zijn, die Gij Mij gegeven hebt, opdat zij Mijn heerlijkheid zien, die Gij Mij gegeven hebt." Tot slot spreekt Ds. Blok dan tot mevr. van Haaren en haar kinderen dezelfde woorden, die 22V2 jaar geleden Ds. van Haaren tot hem sprak, toen deze de begrafenis leidde van zijn vader, ds. M. Blok, dat was in 1961. Genade is geen erfgoed, maar God is een God, die Zijn trouw wil doen rusten op het late nageslacht en die God van je vader leeft.

Na de toespraken heeft de schoonzoon van Ds. van Haaren, de heer J. v. Esch een woord van - dank gesproken.

Nadat de familie het geopende graf had verlaten, is de schare van belangstellenden langs de groeve gelopen, daarin een laatste blik werpende.

Tijdens de gehele duur der begrafenis op het kerkhof stond de kerkeraad, waarvan de 4 oudste ouderlingen al dienst deden toen Ds. van Haaren op 16 december 1964 in Amersfoort zijn intrede deed, rond de geopende groeve geschaard. Nadat de laatste belangstellende voorbij was gegaan, verlieten ook zij hun plaats, hun dominee achterlatend in het stof der aarde, tot de dag van de wederopstanding der doden.

Hij is verlost. God heeft hem welgedaan. Zalig zijn de doden die in de Heere sterven van nu aan. Ja, zegt de Geest, opdat zij rusten mogen van hun arbeid; en hun werken volgen met hen.

A.

G.v.d.H.

Dit artikel werd u aangeboden door: De Saambinder

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 augustus 1983

De Saambinder | 8 Pagina's

Verslag rouwdienst en begrafenis Ds. J. van Haaren

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 augustus 1983

De Saambinder | 8 Pagina's