+ Meer informatie

Besprekingen van de Heilige Oorlog

7 minuten leestijd

29

„Nu heb Ik ook”, zo vervolgde de edele Prins, „een woord voor de stad.” Maar zodra Hij slechts repte van een woord aan de verdwaasde stad, werden de poorten met dubbele wachten voorzien. En aan een iegelijk bevel gegeven Hem gehoor te weigeren. Echter ging Hij voort en zeide: „O ongelukkige stad, Ik kan niet anders dan met medelijden en ontferming aan u denken. Gij hebt Diabolus tot uw koning aangenomen en zijt een dienaar en aankweker geworden van de Diabolisten en dat tegen uw souvereine Heer. Hem hebt gij gehoor gegeven, maar voor Mijn roepen uw oor toegesloten. Hij bracht u uw verderf toe, maar gij hebt hem en zijn loon beide ontvangen. Ik ben tot u gekomen om u de zaligheid toe te brengen, maar gij acht Mij niet. Behalve dat hebt gij met uw heiligschennende hand al wat het Mijne in u was weggenomen. En dat aan wederpartij ders gegeven en aan de grootste vijand die Mijn Vader heeft. Gij hebt u onder hem gebogen en u aan hem onderworpen, ja u met hem verloofd en met eden aan hem verbonden. Arm Mensziel, wat zal Ik u doen? Zal Ik op u aanvallen en u tot stof verguizen? Of zal Ik u maken tot een gedenkteken van de rijkste genade? Wat zal Ik u doen? Hoor naar Mij, o Mensziel, merk op Mijn woorden en gij zult leven. Mensziel, Ik ben barmhartig, dat zult u ervaren, sluit Mij dus niet buiten uw poorten. „Zie Ik sta aan de deur en Ik klop. En de Heere wacht opdat Hij u genadig zij.”

Het is noch Mijn opdracht, noch Mijn lust, u enigszins te beschadigen. „En indien iemand Mijn woorden gehoord en niet geloofd zal hebben, Ik oordeel hem niet, want Ik ben niet gekomen opdat Ik de wereld oordele, maar opdat Ik de wereld zalig make. Die Mij verwerpt en Mijn woorden niet ontvangt, heeft die hem oordeelt, het woord dat Ik gesproken heb dat zal hem oordelen ten laatste dage.”

Bedenkt het wel en neemt het ter harte. „Want de Zoon des mensen is niet gekomen om der mensen zielen te verderven, maar om te behouden.”

O Mensziel, waarom vliedt ge dan snel voor uw vriend en waarom kleeft ge zo dicht aan uw vijand? ’t Is waar, Ik wil dat ge droefheid zult hebben over uw zonden (gelijk u betaamt) maar wanhoop daarom niet met betrekking tot uw leven. Deze grote macht strekt niet om u te beschadigen, maar om u van uw slavernij te verlossen en tot gehoorzaamheid te brengen. Mijn last is eigenlijk een oorlog te voeren tegen uw koning Diabolus en tegen alle Diabolisten. Want hij is de sterkgewapende die zijn huis bewaart, waaruit Ik hem wil verdrijven. Ik, Ik moet zijn roof uitdelen. Ik moet hem uit zijn sterkte uitwerpen en dat tot een woning voor Mijzelf maken. En dit, o Mensziel, zal Diabolus weten, wanneer hij Mij zal moeten volgen in ketenen en gij zult juichen, omdat ge zulks moogt zien.

Indien Ik wilde, Ik kon Mijn macht tevoorschijn brengen en hem daardoor dwingen u reeds spoedig te verlaten. Maar ’t is in Mijn hart zo met hem te handelen dat de rechtvaardigheid van de oorlog, die Ik tegen hem voer, van allen gezien en geweten mag worden. Hij heeft Mensziel met onrecht genomen en tot nu toe door geweld en bedrog behouden. Maar Ik zal hem daar naakt en bloot uitstoten voor ’t oog van al de aanschouwers. Al Mijn woorden zijn getrouw: Ik ben machtig te verlossen en zal Mijn Mensziel uit zijn hand redden.

Deze rede was er voornamelijk op aangelegd om Mensziel te treffen, maar Mensziel wilde niet horen. De burgers sloten de Oorpoort toe, grendelden alle deuren en hielden de stad aldus gesloten en gegrendeld met een sterke wacht voor iedere poort. Hierop kwam er een bevel dat niemand uit Mensziel tot Hem zou uitgaan en dat men ook niemand uit het leger in de stad zou laten komen.

Alle voorschriften werden trouw opgevolgd, zo schrikkelijk had Diabolus de burgers opgehitst, en hen tot verzet geprikkeld en dat tegen hun wettige Heer en Prins. Waarom er dan ook geen mens of stem of enig geluid van iemand die tot het heerlijke heir behoorde, in de stad komen kon.

Toen nu Immanuël zag, dat Mensziel dus in de zonde verward was, Zijn woorden zo veracht werden, riep Hij Zijn armee tesamen te komen. En dewijl er geen goede weg was om Mensziel in te nemen dan door de poorten, voornamelijk de Oorpoort, zo beval Hij Zijn kapiteins en commandanten om hun volk hun rammen en slingers voor de Oog- en Oorpoort te brengen, ten einde de stad te bemachtigen. Hoe duidelijk toch blijkt, dat Mensziel verward in de zonde geen lust meer heeft tot het goede, zodat de goede woorden tot hen gesproken, veracht werden.

Immanuël, dus alles vervaardigd hebbende om Diabolus slag te leveren, zond nogmaals naar de stad Mensziel om te weten of ze zich ook nog op een zachte en vreedzame wijze wilde overgeven dan of ze besloten waren Hem te noodzaken tot het uiterste.

Hierop nu beriep tezamen met Diabolus, de koning, een krijgsraad en besloot aan Immanuël zekere aanbiedingen te doen, waarop men bereid was zich met Hem te verenigen. Maar nu deed zich de vraag voor, wien men deze commissie zou afvaardigen. Daar was in de stad Mensziel een oud man, een Diabolist, een zekere heer Onbuigzaam, die zeer stijf was in ’t geen hij had opgevat en veel voor Diabolus deed. Deze zonden zij heen en legden hem de woorden die hij te zeggen had in de mond. Toen hij nu derwaarts gegaan was, en aan het leger van Immanuël genaderd was, werd er een tijd gesteld hem audiëntie te geven. En toen die gekomen was en hij zijn complimenten op Diabolistische wijze afgelegd had zoals de Schrift zegt: „Zij belijden dat zij God kennen, maar zij verloochenen Hem met de werken, alzo zij gruwelijk zijn en ongehoorzaam en tot alle goed werk ondeugende,” begon hij aldus: Grote Heer, opdat het aan allen duidelijk worde, hoe goedaardige prins mijn meester is, heeft hij mij gezonden om U mijnheer te zeggen dat hij liever dan met U in oorlog te treden, U die ene helft van de stad Mensziel in handen wil stellen. Ik zou van Uw Mogendheid gaarne verstaan of zij dat aanbod willen aannemen.

Dat is de godsdienst die door Elia zo krachtig werd bestreden: „Hoe lang hinkt gij op twee gedachten? Zo de Heere God is, volgt Hem na en zo het Baal is, volgt hem na. Maar het volk antwoordde hem niet één woord.” Dat hinken op twee gedachten om twee heren te kunnen dienen is de godsdienst van Diabolus. Een godsdienst die door alle tijden heen de meeste aanhang gehad heeft en nog heeft. De vrouw van Lot zocht daarmee haar leven te behouden en zie, zij verloor het. Op reis naar Zoar zag zij naar Sodom heen, wat haar een zoutpilaar deed worden. En zo is zij getroffen door de wrake van het zout des verbonds dat door haar veracht werd. Wij hebben hartvernieuwende genade nodig om te komen tot de onberouwelijke keus de Heere te vrezen, wat ons duidelijk verklaard wordt in het leven van Ruth. Voor het dubbelhartige leven dat Mensziel begeerde te leven geeft de Heere geen toestemming.

Op het onbuigzame bestaan van de mens stuiten de vermaningen tot bekering af. En toch veroordeelt dat onbuigzame leven de mens, hij weet er niet mee voor God te kunnen bestaan. Maar de moordenaar die door de genade van Christus mocht buigen voor het recht Gods met de bekentenis de dood verdiend te hebben, bad om ontferming en verkreeg ingang in het hemels Paradijs. Niets is begeerlijker en heerlijker dan dat.

Nijkerk.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.