+ Meer informatie

De Christinnereis is voor jong en oud

7 minuten leestijd

7

Voor sommigen is het moeilijk te verwerken als men spreekt van de enge poort der waarachtige bekering. Daar Christinne toch al verschillende zaken heeft leren kennen tot blijdschap en zaligheid van haar hart, is het toch niet denkbaar, dat zij niet eerst tot bekering is gekomen. Of zouden wij hier moeten denken aan tweeërlei bekering?

Ja, dat is een gedachte, die zijn weerklank vindt in de Schrift. Tot Petrus heeft de Heere Jezus gezegd: „Als gij eens zult bekeerd zijn, zo versterk uw broederen”. Een les, die hem is gegeven toen hij reeds tot bekering was gekomen. Zodat van een eerste en van een tweede bekering gesproken kan worden.

Zonder bekering is het niet mogelijk tot het geloof te komen. Wie blijft liegen, vloeken en leven in allerlei andere zonden, kan niet komen tot het geloof, dat de wereld overwint. Velen bidden wel om bekering en worden niet verhoord, daar zij bij dat alles de ongerechtigheid aan de hand houden. Laat ons dan de raad van Daniël ter harte nemen, toen hij sprak tot Nebukadnezar: „Breek uw zonden af door gerechtigheid en uw ongerechtigheden door genade te bewijzen aan de ellendigen, of er verlenging van uw vrede mocht wezen”. Om te leven en te treden in de weg des verstands, heeft men in de eerste plaats de slechtigheden te verlaten.

Wel ging het bij deze geestelijke vriendinnen in de eerste plaats om het uitwendig verlaten van de slechtigheden bij het verlaten van de stad der ongerechtigheid. Maar, en bedenk het wel, dat deden zij door genade met een volkomen hart.

Maar de enge poort heeft meer betrekking op de waarachtige bekering, waarvan gesproken wordt in Zondag drieëndertig. Dan krijgt dat meer diepgang in ons hart en leven. Men leert de verdorvenheid van zijn onbekeerlijk bestaan, zoals de mens van nature is, steeds meer kennen. Van dag tot dag moet de oude mens gekruist, gedood en begraven worden. Want elke dag komt hij weer vanuit zijn verdorvenheid tevoorschijn om het nieuwe leven der genade te onderdrukken.

Maar hoe is het nu met onze Barmhartigheid gesteld? Ja, het is gegaan zoals zij vreesde, dat het zou gaan. Toen-Christinne met haar kinderen binnen was, ging voor haar de poort dicht. De arme Barmhartigheid stond al die tijd buiten, bevende en wenende, uit vrees, dat zij zou worden afgewezen. En dat duurde lang, heel lang.

Wachten duurt altijd lang en vooral als men nogal voortvarend van aard is, en dat lijkt deze jeugdige vriendin wel te zijn. Toen haar oog open ging voor het geluk van Gods kinderen, liet zij er geen gras over groeien. Terstond trad zij handelend op door zich gereed te maken voor de grote reis naar de schone stad, om zo met Christinne mee te reizen.

Maar zou deze moeder nu haar geestelijke dochter vergeten?

Wel neen, zij pleit voor haar bij de portier Welbehagen. „Ach mijnheer”, zeide Christinne, „ik heb een vriendin bij mij, die nog buiten staat en die met hetzelfde doel als ik hierheen is gekomen. Zij is zeer verslagen van geest, omdat zij meent, dat zij gekomen is zonder geroepen te zijn, terwijl ik een uitnodiging heb ontvangen van de Koning der plaats, waar zich mijn echtgenoot bevindt”.

Ziet u wei dat de geestelijke familieband krachtig spreekt? De innige band der liefde doet hen voor elkander smeken tot de Heere. Het geestelijke leven moet al op heel laag peil staan, willen zij elkander vergeten.

Intussen begon Barmhartigheid zeer ongerust te worden, want de minuten schenen haar uren toe; zij belette dus Christinne nog meer in haar belang te zeggen door zelf de klopper te laten neervallen. En zij klopte zo luid en met zoveel kracht, dat Christinne er van opschrikte.

Toen vroeg de deurwachter: „Wie is daar?” „Dat kan niemand anders zijn dan mijn vriendin”, zeide Christinne.

Gelijk zij bij het verlaten van de stad elkander tot zegen waren, zijn zij dat ook op de weg geweest en nu eveneens in de poort. Het is groot elkander tot zegen te zijn in het natuurlijke en in het geestelijke leven. Nu opende hij de deur en zag naar buiten, doch Barmhartigheid was in zwijm ter aarde gevallen, van angst, dat de poort voor haar niet zou worden ontsloten.

Het buiten staan met de gedachte voor eeuwig buiten gesloten te zullen worden, was haar te machtig geworden. En dat is ook niet te verwerken als het hart de Heere innig liefheeft. Hem te missen was haar bitterder dan de dood.

Door het staan voor een gesloten poort was Barmhartigheid niet in opstand gekomen. In haar hart moest zij bekennen, dat het rechtvaardig was. Maar het missen van de Heere, niet in te kunnen gaan in de stad van de grote Koning, trof haar ziel zo smartelijk en daardoor viel zij in zwijm ter aarde.

Vele godsdienstige mensen hebben helaas geen besef van het buiten staan in de grote dag des gerichts. Weten dan ook niet wat het is vanuit deze nood een alarmgeschrei op te heffen tot de Heere om ontferming.

En zie, deze bedroefde van hart werd vanuit haar noodgeschrei tot de Heere verhoord. De portier Welbehagen had in zulke mensen een behagen, want hij wist wat het was in die nood te verkeren. Hij greep haar bij de hand en sprak: „Dochter, ik zeg u: Sta op!” En dat trof haar, haar hart werd er door geraakt, zodat zij weer in staat was op het vriendelijk spreken tot haar te antwoorden.

„Ach mijnheer”, sprak zij, „ik gevoel mij zeer zwak, ik gevoel ternauwernood dat ik nog leef’.

Het was voor deze bedrukte ziel als het ware een antwoord op de vraag: „Zult Gij wonderen doen aan de doden?” En ja, dat doet de Heere, daarvan kan zij nu getuigen.

Het was dan ook tot haar bemoediging en versterking, dat de portier wees op hem, die eens gezegd had: „Als mijn ziel in mij overstelpt was, dacht ik aan de Heere, en mijn gebed kwam tot U in de tempel Uwer heiligheid”.

„Vrees dus niet, Barmhartigheid, want ik heb reeds van je gehoord. Gehoord van het werk der genade in het hart verheerlijkt. Maar sta op uw voeten, en zeg mij, waartoe gij hier gekomen zijt”.

O ja, het doel van haar reis weet zij wel te vertellen, al is zij naar de mens gesproken nog meer dood dan levend. Geen leed kan het ooit uit haar geheugen wissen, dat zij door de kracht van haar liefde tot de Heere is gekomen tot de onberouwelijke keus de Heere te vrezen.

Of de Heere haar liefheeft, weet zij nog niet, en dat moet u haar ook niet ten kwade duiden. Wacht maar, het zal haar wel duidelijk worden, dat zij de Heere lief heeft gekregen daar Hij haar eerst heeft liefgehad.

Hoor wat zij nu weet en zegt: „Ik ben gekomen om een deel te ontvangen, waartoe ik geen bijzondere uitnodiging heb gekregen, zoals mijn vriendin Christinne. Zij werd geroepen in de naam des Konings, ik kwam slechts op haar uitnodiging. Ik ben bevreesd, dat ik mij veel aanmatig”.

„Heeft Christinne er bij u op aangedrongen, dat gij met’ haar naar deze plaats zoudt gaan?” vraagt de deurwachter. Ja, dat heeft zij gedaan en wel met veel beleid en liefde. „En zoals mijnheer ziet, ben ik gekomen; en indien er nog enige gelegenheid is om genade en vergeving van zonden te erlangen, ach, ik smeek u, laat ze uw arme dienstmaagd dan ten deel mogen vallen”.

Allengskens is Barmhartigheid door haar hart boetvaardig uit te storten weer een beetje op kracht gekomen. De ademtocht des gebeds is voor het geestelijke leven van grote betekenis.

Nijkerk

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.