+ Meer informatie

Het verschil tussen het menselijke en het goddelijke

3 minuten leestijd

Wat van mensen is heeft geen gebroken gang, daar heeft nog geen worstelen met de God van Bethel plaats gehad. Wat van mensen is, heeft de beide benen even lang, en kan zijn gang bepalen; daar weet men op een duimbreed hoe het zijn moet, en staat roestvast in datgene, wat hem naar zijn lusten heilig, rechtvaardig en goed dunkt, en bindt in zijn kortzichtigheid de raad, het wezen, de weg en wil van God in. Al wie uit God is krijgt een houding en een gang als Jakob; voor geheel de wereld treedt Ezau heerlijk te voorschijn, en menig zedemeester heeft dan ook in zijn wereld-vroomheid over de heilige Jakob destaf gebroken en aan Ezau de palmtak toegereikt.

Wel u, zo gij er niet aan geërgerd wordt hoe God Zijn heiligen leidt, zo gij acht geeft op het Woord Gods, want dat leert ons, hoe Zijn heiligen heilig zijn, en waarin het ligt, dat de goddelozen goddeloos zijn. De goddelozen kunnen altijd vooruit, die maken zich groot in hun doen, — in hun harten leeft het IK, de eigen kracht, eigen vroomheid en heiligheid. De heiligen Gods kunnen nooit vooruit, alles is hun altijd uit de handen genomen; doch God is hun toevlucht en sterkte, hun licht en troost; zij verwachten niets van de wereld, noch van zichzelf; zij vermogen zelf niets en hebben geen wijsheid, hebben ook geen geloof, als het er op aankomt, maar zijn altijd vol vrees, zij sidderen en beven, alles beangstigt hen; maar het is de God van Bethel, Die hen in Zich heeft doorgeholpen, en Die hen doorhelpt, juist zó doorhelpt, dat alle vlees, ook hun vlees, daarbij te niet gemaakt is, opdat de wereld erkenne, dat Zijn raad bestaat, dat Hij de Zijnen liefgehad heeft, en dat Hij, Die ter rechterhand der Majesteit Gods zit, alleen geweten heeft hen zalig te maken.

Daarom moet gij volstrekt de moed niet opgeven, gij die in het geheel niet meer vooruit kunt, die voelt, dat u de heup verwrongen is; want Zijn Woord, Zijn Naam, Zijn zegen zal het doen, en maken, dat een Laban vriendelijk met u zal moeten spreken, dat een Ezau zeer beleefd met u zal moeten handelen, dat gij noch in de leeuwenkuil noch in de gloeiende oven zult omkomen, en dat uw hellevaart zo waarachtig een hemelvaart zal zijn, als Hij gezegd heeft: „Ik zal de hinkenden behoeden” (Zef. 3 : 19), en wederom: „Ik zal haar, die hinkende was, verzamelen, — en maken tot een overblijfsel, — tot een machtig volk” (Micha 4:7).

Einde van een preek over Genesis 32 : 31.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.