+ Meer informatie

De bestuurbaarheid van de gemeente

6 minuten leestijd

In „Diakonia”, maandblad ten dienste van het diakonaat in de Ned. Herv. Kerk (Sept. ’77.) werden enkele opmerkingen gemaakt of overgenomen uit een Utrechts provinciaal orgaan, geschreven door dr. H. Bartels.

Het lijkt mij toe dat enkele daarvan ook voor onze ambtsdragers het overdenken zeker waard zijn. Zonder onze rubriek „Even buurten” te willen doorkruisen wil ik dan de aandacht vestigen op het volgende:

„Vraag nooit kerkeraadsleden met het zinnetje: ‘het kost niet zoveel tijd’. Dat valt tegen en dan bedankt men weer. Zeg eerlijk hoe de situatie is. Soms kost het inderdaad niet zoveel tijd, maar als het goed is wèl echte aandacht.

En het leiding geven aan een kerkelijke gemeente is zoiets aparts, dat men dit door ervaring moet leren. Wie kerkeraadslid wordt, dient dan ook te weten dat hij tijd moet hebben om die ervaring op te doen.”

Opmerking (k.g.): Het wil mij voorkomen dat deze fout ook onder ons maar al te veel wordt gemaakt. „Eerlijk zeggen hoe de situatie is” zal vaak ontheffing vragen tot gevolg hebben en dat willen we nu juist voorkomen, want „het is toch al zo moeilijk om ambtsdragers te krijgen en dan moeten we weer opnieuw beginnen.” Dus dan maar niet verteilen wat er van de gekozen broeder verwacht wordt en denken: hij zal het vanzelf wel merken? Ik hoop dat niemand van ons dat met ja zal beantwoorden. Trouwens, het is voor mij een duidelijke zaak dat het niet nodig moet zijn om nieuw, voor het eerst gekozen, broeders te verteilen wat er van hen verwacht wordt.

Natuurlijk zullen zij wat wegwijs gemaakt moeten worden, zowel ouderlingen als diakenen, in de wijk die aan hun bearbeiding wordt toevertrouwd enz. Maar verder: elk meelevend gemeentelid mag toch geacht worden bekend te zijn met de frequentie van kerkeraadsvergaderingen.

Geen enkele kerkeraad zal toch aan de gemeente broeders voorstellen die nimmer enige belangstelling toonden voor het kerkelijke leven, de zondagse „kerkgang” uitgesloten.

Het lijkt mij dan ook bizonder belangrijk dat bij het opstellen van de „groslijst” de wijkouderlingen, vanuit de gesprekken die zij bij het huisbezoek hebben gevoerd, kunnen weergeven hoe bepaalde brs. staan t.o.v. het ambt, en of zij daar al of niet voor kunnen worden voorgesteld. Als er dan, in ieder geval vanwege het bij de kerkeraad bekend zijn, geen bezwaren zijn om bepaalde brs. voor te stellen, dan zullen deze, gekozen zijnde, voor wat het „tijdsvraagstuk” betreft zich niet moeten afvragen: hoeveel tijd kòst me dat, maar hoeveel tijd kan ik daar aan geven? En dan kan het best gebeuren, dat enkele liefhebberijen of hobby’s voor enkele jaren losgelaten moeten worden. Men wordt „geroepen” om te mógen dienen als ambtsdrager en dat zal iedere gekozene, hoezeer hij er misschien ook tegenop ziet, een eer en vreugde moeten zijn waar hij graag zonodig eigen genoegen voor opzij zet.

Nu zal er wel iemand zijn die een opmerking maakt over „ideaal” en werkelijkheid. Welnu, als we in deze zaken het ideaal niet meer in het oog houden en nastreven, dan moeten we ons ook maar niet verwonderen wanneer de werkelijkheid niet meer aan het doel, n.l. het goed functioneren van de ambten in de kerk van Jezus Christus, beantwoordt.

Mag niemand ontheffing vragen?

Het lijkt mij echter goed nog even door te gaan omdat, naar ik meen, het vragen van ontheffing inzake een benoeming veel meer voorkomt dan eertijds wel het geval was. Terecht wordt daarover in kerkeraadsverslagen, in „vakbladen” en op konferenties verontrusting uitgesproken.

’t Is niet zo eenvoudig om voor dit verschijnsel oorzaken te noemen. Het zou b.v. kunnen zijn dat om het werk zo goed mogelijk te doen geschieden, méér ambtsdragers gekozen worden. De kerkeraden teilen daardoor meer leden waardoor bij volgende verkiezingen een groter aantal kandidaten beschikbaar moet zijn. Bij een gelijkblijvend aantal leden geeft dit, zeker ook in kleine gemeenten,soms grote moeilijkheden.

Dit wordt, dacht ik, ook in de hand gewerkt doordat naast de verplichte aftreding óók het niet terstond herkiesbaar zijn is ingesteld, soms zelfs een „rusttijd” van twee of meer jaren wordt aangehouden.

Noch het één noch het ander wil ik afkeuren. Met alle waardering voor broeders die jarenlang achter elkaar hun gaven en krachten als ambtsdrager in de kerk des Heren mogen en mochten geven, is verplichte aftreding zeker te prefereren boven het als vanzelfsprekend „blijven zitten”. „De aftredenden worden door anderen vervangen” zegt art. 27 K.O. hetgeen dus zoveel wil zeggen als: deze zijn niet herkiesbaar. „Tenzij de toestand en het belang van een kerk … herkiezing raadzaam maken.” (art. 27)

Overigens is art. 27, oppervlakkig gezien meer bedoeld om snelle aftreding af te remmen dan om een langdurige zittingsperiode tegen te gaan. Maar … misschien schrijft prof. v.’t Spijker wel eens iets over de achtergrond van dit artikel. Een andere oorzaak zou ook nog kunnen zijn het hanteren van een bepaalde leeftijdsgrens doch daarvan is mij, althans uit publikaties, niets bekend.

Wat nu het euvel van ontheffing aanvragen betreff zou ik willen opmerken dat dit beslist niet altijd aan geringe belangstelling voor het ambt, of een gemakzucht mag worden toegeschreven. Mogelijk wordt het zelfs wel eens door kerkeraden zelf in de hand gewerkt.

Vaak toch is het zo, dat wanneer, iemand aktief aan het gemeentelijke leven deelneemt, in jeugdwerk, evangelisatie enz. enz. hij bij een benoeming als ambtsdrager òf dat werk moet laten Schieten òf veel te zwaar belast wordt. Wil zo iemand dan alles goed blijven doen dan groeit het hem al spoedig boven het hoofd en lijdt alle werk er onder.

Van te voren had een en ander beter overwogen dienen te worden. Als ik denk aan de zware eisen die tegenwoordig gesteld kunnen worden aan mensen met leidinggevende funkties b.v. in het bedrijfsleven, waar heel vaak avondwerk mee gemoeid is en zeker van vaste werktijden geen sprake is, of aan mensen die hun werkzaamheden buiten de woonplaats hebben en alleen in de weekeinden of slechts een enkele avond in de week in hun gezin zijn, dan zal daar toch wel rekening mee gehouden moeten worden. Er zouden meer mogelijkheden te noemen zijn.

Dat wil natuurlijk niet zeggen dat alle brs. die daaronder gerangschikt kunnen worden dan ook maar „afgeschreven” moeten worden. Integendeel er zullen erbij zijn die kwa ervaring en inzicht in het leiding geven zeer gewenst zijn, maar dan zal er wel overlegd moeten worden.

Belangrijk is het wanneer het ambt „leeft” in de gemeente, wanneer het nog gezien wordt als een „treffelijk werk” (1 Tim. 3:1). Misschien is dat wel veel te weinig aan de orde. Zéker in de prediking, want naar ik meermalen hoor wordt er over de betekenis van het ambt alleen bij de bevestiging van ambtsdragers nog iets gezegd en dat is dan òf op Nieuwjaarsmorgen, òf in de vakantie-tijd!! U begrijpt de uitroeptekens?

Meer aandacht voor de betekenis van de ambten, in prediking en gesprek, alsook meer bezinning op de problematiek rond de verkiezing van ambtsdragers lijkt mij echt wel gewenst. Denkt U er anders over? Ondergetekende hoort het graag.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.