+ Meer informatie

„Het Vaderland geeft mij meer den indruk van een uitvaart dan van een feestviering"

Groen van Prinsterer streed een eenzame en vaak onbegrepen strijd

10 minuten leestijd

„Zoowel in de Kerk als in den Staat ligt de kracht dergenen, die de gemeente en het vaderland ten verderve brengen, wefligt minder in hun energie dan in de inertie (traagheid, willoosheid) der tegenpartij", schreef Groen van Prinsterer op 9 augustus 1848 aan zijn vriend Bodel Nijenhuis. En hij vervolgde: „Wanneer zelfs onze meeste vertrouwde vrienden ons zoo misverstaan, hoe zal er dan tusschen hen, die de waarheid gelijk die in Christus is, voorstaan, eenig gemeen overleg mogelijk zijn?"








De grote christen-staatsman streed, teneinde een gemeenschappelijk front te vormen tegen de liberale opmars in kerk en staareen eenzame en vaak onbegrepen strijd. Alleen al wat er voorviel in de genpemde maand augustus van het jaar 1848, en waarover dit artikel handelt, spreekt in dit verband duidelijke taal. Ontbrak het Groen misschien aan sympathisanten, aan geestverwanten die bewondering hadden voor zijn eminente gaven van hoofd en hart? Geenszins, maar Groen miste soms maar al te zeer in degenen van wie hij steun verwachtte, de solidariteit en betrokkenheid vanuit de geestelijke nood waarin ons vaderland verkeerde. Menigmaal voelde hij zich in de steek gelaten, misverstaan of zelfs gesaboteerd, mede vanwege interne verdeeldheid.

Aan het staatkundig front

Bovendien, het jaar 1848 was toch al zo'n cruciaal en veelbewogen jaar geweest! De februarirevolutie in Frankrijk had niet alleen de regering van koning Lodewijk Philips te Parijs, maar ook die van de oppermachtige minister Von Metternich in Wenen weggevaagd, terwijl in de Pruisische hoofdstad Berlijn felle barricadengevechten waren uitgebroken. Ten gevolge van oproepen voor het houden van massale demonstraties dreigde ook Nederland in de gevarenzone te geraken. Op de Dam in Amsterdam braken relletjes uit. Onder invloed hiervan verklaarde koning Willem II in 24 uur van conservatief liberaal te zijn geworden. Hij gaf de opdracht tot een min of meer radicale grondwetsherziening in de geest van de liberale woordvoerder Thorbecke, de voornaamste politieke tegenstander van Groen.  

Groen zelf weigerde te geloven dat deze politieke koerswijziging voortkwam uit een nationaal verlangen. Vrees was volgens hem de drijfveer geworden van de politiek. De grondwetsherziening van 1848 droeg het karakter van een "Coup d'Etat", een staatsgreep, en de oorsprong hiervan noemde hij ronduit revolutionair in de betekenis van 1795 en 1830. „Het constitutionele gezag heeft zich naar den revolutionairen aandrang gevoegd", zo schreef hij. „De hoofdsom der zaak is dat men de leer der volkssoevereiniteit in praktijk heeft gebragt". Groens antirevolutionaire geluid vond weinig of geen weerklank bij de toonaangevende liberaal-gezinde elite, terwijl de lagere (inkomens)klasse, waaronder Groen veel aanhangers had, van enige bemoeienis met de regeringszaken was uitgesloten. Ook in Den Haag, in de omgeving van Groens woning, deden zich opstootjes voor. Als op 3 november 1848 overal in het land met klokgebeier en illuminaties de nieuwe liberale grondwet wordt afgekondigd, viert Den Haag feest. Op het Koninklijk Paleis stralen met grote letters de woorden "God is met Nederland" de voorbijgangers toe. De geleerde liberale historicus Fruin vergelijkt de Staatshervorming van de negentiende eeuw met de Kerkhervorming van de zestiende eeuw. Maar Groen schrijft aan zijn zojuist genoemde vriend Bodel: „Naar mijne zienswijze over de gesteldheid van het Vaderland, erken ik dat het mij den indruk meer van een uitvaart dan van een feestviering geeft".

Streven naar kerkherstel

Het Europese revolutiejaar 1848 was voor Groen in staatkundig opzicht dus een uitermate moeilijk jaar geweest. Het werd voor hem ook een moelijk jaar in kerkelijke zin. De grondwetsherziening van 1848 strekte zich namelijk ook uit tot de kerk. In het voorlopig ontwerp van deze herziening sprak Hoofdstuk VI "Van de Godsdienst". Naar aanleiding hiervan nam de Algemene Synode van de Ned. Herv. Kerk de herziening van de kerkelijke organisatie ter hand. ln verband hiermee konden verzoek- en bezwaarschriften worden ingediend.   Op de in mei 1848 gehouden vergadering van de zogenaamde Christelijke Vrienden had de bekende Zettense predikant O. G. Heldring voorgesteld een actie te beginnen om een meer met het presbyteriaans beginsel overeenstemmende vertegenwoordiging te verkrijgen in de Hervormde Kerk. Op deze, tweemaal per jaar gehouden vergaderingen, werden uiteenlopende zaken die verband hielden met kerk en staat, onderwijs en armenverzorging, besproken. Op de laatstgehouden vergadering was de vraag aan de orde gesteld in hoeverre het bindend gezag van de belijdenisgeschriften, het "formuliergezag", diende te worden benadrukt. Besloten werd in verband met deze vraag op 18 augustus een vergadering te beleggen in het Odeon te Amsterdam. De commissie ter voorbereiding hiervan was inzake het formuliergezag niet homogeen. Groen van Prinsterer, Capadose, J. J. van Toorenenbergen en Mackay vertegenwoordigden hierin het juridische confessionalisme, terwijl Da Costa, Secrétan en Heldring een ruimer opvatting hadden en van "formulierdwang" niet wilden weten. Een uitnodiging tot bijwoning van de vergadering werd verzonden naar alle „getrouwe Leeraren en leden der gemeente.'

In Beets teleurgesteld

Zouden al deze 'getrouwe predikanten" con amore meewerken? De vraag naar het voorzitterschap van deze belangrijke vergadering liet zich terstond gelden. De commissie had vrij algemeen het oog gevestigd op Nic. Beets, predikant en later hoogleraar te Utrecht, een man van literaire reputatie, indrukwekkende kanselgaven en verstrekkende invloed. Maar hoe zeer werd Groen in hem teleurgesteld! Beets werd de woordvoerder van hen die bevreesd waren „een crisis in de kerk te provoceren of te verhaasten". Hij verklaarde in een schrijven aan Groen zich nadrukkelijk onbevoegd, ongeschikt en, wat erger was, ongezind tot het voorzitterschap. „Verwacht van mij niet de medewerking tot een enkele stap om de Formulieren opnieuw bindend te maken", zo schreef hij. Doen door laten! was zijn devies. „Derhalve geen enkel. woord meer van het voorzitterschap!" Capadose, die van de inhoud van Beets' brief in kennis werd gesteld, legde waarschijnlijk de vinger op de wonde plek. „Het komt mij voor dat hij (Beets) de bemoeijingen van eenvoudige lidmaten althands in samenwerking met leeraars ongepast vindt". De wat elitaire en bewierookte Beets —zijn brief zowel als zijn portret bewijzen het— straalde toch wel wat zelfgenoegzaamheid uit. De christen-jood Capadose was wat minder bang zich aan koud water te branden. „Beets zegt als dienaar van de Nederlandse Hervormde Kerk tot nog toe aan de gestelde ordinantiën onderworpen te zijn en beschouwt waarlijk onze uitnodiging als revolutionair en een opstand tegen de kerkelijke overheid. Wat mij betreft", zo liet hij Groen weten, „ik erken geen kerkelijke overheid!" Hij wenste Groen voor de vergadering sterkte toe. „Zij de Heere met u en de uwen, met ons allen en met zijn arm Sion!'

'Hellenbroeksche rigting'

 Ook de op kerkelijk en filantropisch gebied actieve Heldring, vriend van zowel Groen als Beets, had zo zijn bedenkingen. „Het was hem", zo schreef hij, „slechts te doen Gods Geest en het Woord boven de zogenaamde historische Kerk en hare belijdenis te plaatsen". Een vroom excuus voor het ontbreken van een onomwonden beginselverklaring? Heldring geeft voor een onderscheid te maken „tusschen de Gereformeerde leer en hetgeen de dwalende regtzinnige schaare zegt de Gereformeerde leer te zijn". Wie bedoelde Heldring met die dwalende rechtzinnige schaar? Dat had hij Groen reeds enkele maanden eerder laten weten naar aanleiding van een aan De Klomp te Veenendaal gehouden predikantenvergadering. „Ware het dat alle onze predikanten Beets, Toorenenbergen, Hasebroek enzovoorts mijn standpunt goedkeurden, er ware hope, doch Slothouber, Hanewinckel eo Brouwer protesteerden zoo tegen ons". Heldring meende te moeten vaststellen dat deze predikanten van „de Hellenbroeksche rigting" zich niet konden verenigen „met de rigting die de kruisprediking in onze dagen zoo gezegend maakt". Eerstgenoemde categorie vertegenwoordigt „het mysticisme van onze dagen" en legt te veel nadruk op de „canones van Dordt".   Behoorde de bekende ds. C. C. Callenbach, zielevriend van Bilderdijk, ook tot deze „Hellenbroeksche rigting", die de rechtzinnige schare op een dwaalspoor bracht? Kon Groen op hém rekenen?   „Ik heb u innerlijk lief", schreef de Nijkerkse predikant aan Groen, „hoewel gij mij tot schaamte zijt en telkens als ik uwe geschriften lees, doet blozen". Hij belijdt eerlijk zijn schuldige onmacht. „Wij preclikanten doen niet wat wij moesten doen, op een paar uitzonderingen na. Ik wil wel, maar ik kan niet", zo besloot hij.

Een 'afgescheiden' stem



Maar hoe stond het dan met de afgescheiden predikanten die nog over enige broederlijke gezindheid beschikten? Er waren er onder hen toch ook nog die over de kerkmuren heen tot de christelijke vrienden werden gerekend? Zij hadden toch ook te maken met de grondwet en de strijd voor kerkherstel?   De "Melanchton der Afscheiding", ds. Gezelle Meerburg te Almkerk, schreef in dit verband —het is nog steeds augustus 1848— de volgende ontboezeming aan Groen. „Mijn oog is onder God als middel niet meer op ons maar op ulieden; op uwe pogingen op de zoo gewigtige vergadering welke deze week zal gehouden worden. Ik beken echter wel eenige vrees te hebben voor de predikanten. Niet voor allen, maar voor sommigen, die naauwlijks aan ons denken, die zich onzer niet aantrekken, voor wien wij zijn zullen alsof wij niet bestonden. Dat men ons met medelijden, met droefheid beschouwd had, dat men van ons gesproken had als van zulken, die door onberaden voorbarigen verkeerden ijver zijn gedreven geweest, maar toch het goede voor hadden en uit liefde voor de waarheid veel hadden opgeofferd, dit ware op hun standpunt een regt oordeel geweest.  

Maar dat men ons bijna gelijk stelde met zulken die uit wangedrag waren afgezet, wier gemeenschap men ontweek, tegen wien men waarschuwde, wier predikatiën men den leden, indien zij hunnen leeraar niet bedroeven wilden, verboodt te hooren, dat toch hadden wij niet verdiend". Zoveel hoofden, zoveel zinnen? Wijzigingen in het vergaderprogramma werden eerst nog voorgesteld door Da Costa, door Capadose, door de Waalse predikant Secrétan, door Heldring en door de als onmisbaar beschouwde Van Toorenenbergen. Is het wonder dat de altijd zo beheerste en flegmatieke Groen wanhopig uitriep: „Wat mij betreft, ik word op die wijs radeloos!" Hij verzoekt daarom „óf autorisatie om het stuk zoo uit te geven, óf overneming der redactie en bezorging door een van de vrienden".

De Dordtse Canones

De vervolgens op 18 augustus te Amsterdam gehouden vergadering, die door Groen (wie anders?) werd gepresideerd, werd bezocht door 33 predikanten en 288 gemeenteleden. Veel resultaat leverde volgens M. E. Kluit de vergadering niet op. Er werd onder andere een beginselverklaring aangenomen, die het karakter droeg van een compromis tussen de juridische en de ethische richting. Bovendien werden er twee adressen verzonden, een aan de koning en een aan de synode. De antwoorden hierop luidden helaas negatief. Een van de trouwste christelijke vrienden, J. L. Gregory Pierson, schreef enkele dagen na dato aan Groen: „Ik heb mij hartelijk verblijd in den gezegenden afloop onzer vergadering en geloof dat wij dit als een gebedsverhooring mogen beschouwen en als een versterking van ons geloof voor de toekomst". Hij vreest echter wel voor verdeeldheid, want „de Friesche en Groninger broeders staan meerendeels onverzettelijk op het standpunt van 1618 tot tittel en jota toe; niets meer en niets minder".

Een man die onomwonden zijn ongenoegen te kennen gaf, was mr. C. M. van der Kamp, vanwege zijn geschriften de "advocaat der Vaderlandsche Kerk" genoemd. Hij vreesde dat Groen te veel had toegegeven en schreef hem in verband hiermee op 30 augustus: „De Formulieren van eenigheid slechts te beschouwen als historische bewijzen nopens de leer der Kerk en niet als banden van eenigheid om de tegenwoordige leden der Kerk tot één lichaam te verbinden, oordeel ik zeer bedenkelijk en den vijand welgevallig te zijn". En als Groen ter verduidelijking van zijn standpunt zijn "Het Regt der Hervormde Gezindheid" laat verschijnen, mist Van der Kamp „eene uitdrukkelijke opnoeming van de Formulieren", inzonderheid van de Dordtse Leerregels. Hij heeft er echter wel begrip voor. „Dit begrip is, dat men ter wille van zoovele lieve broeders, die zich echter aan de praedestinatieleer, vooral zooals zij in de Dordtsche Leerregels ontwikkeld is, stooten..."

 Ja, het ontbrak de advocaat niet aan confessionele en kerkhistorische voelhorens. „Met geen water toch van de zee zijn praedestinatie en Dordtsche Leerregels uit onze leer of Kerk te wisschen, wat men ook opentlijk of bedektelijk beproeve". Ook in die ene maand augustus van het jaar 1848 streed Groen zijn eenzame en volhardende strijd, niet alleen aan het staatkundig, maar ook aan het kerkelijk front. Onwaardeerbare Groen!


















Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.