+ Meer informatie

Voor de jeugd

9 minuten leestijd

Beste Jongelui!

De ontmoetingsdag van „vrienden van Bewaar het Pand”, voor ditmaal gehouden te Urk, is een fijne dag geweest. De belangstelling was ook nu weer boven verwachting. De sfeer was buitengewoon. Je gevoelt op zulke dagen echt, dat er nog een band is, die bindt. Dat doet ook ons, als Commissie van Redaktie, goed. Je wordt daardoor gestimuleerd om op de ingeslagen weg voort te gaan. Er waren er die zeiden: Jullie moesten vier keer per jaar zulk een dag houden. Nu, zo ver zijn we nog niet. En wat er te wachten staat, weten we ook niet. Het ligt voorlopig, D.V. in de bedoeling om in het voorjaar van 1973 weer een dag te houden. Dag, datum en plaats, zullen nog wel nader worden bekend gemaakt. Ik behoef jullie natuurlijk niet te vertellen, dat ik blij was, ook nog zoveel jongens en meisjes gezien te hebben. Jongens en meisjes, die nog wensen te blijven bij de waarheid, zoals die vanouds is verkondigd, en waardoor het God behaagd heeft en nog behaagt, om zondaren zalig te maken. Want het geloof is altijd nog uit het gehoor en het gehoor is door het Woord Gods. Dus jongens en meisjes, beste vrienden: Schaar je veel onder de zuivere bediening van het Woord. Dat kan jullie uiteindelijk alleen wijs maken tot de zaligheid.

De kollekte was ook buitengewoon. En daar hebben jullie natuurlijk ook aan mee gedaan. Waar kun je je geld beter aan besteden, dan aan de dienst des Heeren? Als de Heere je hart heeft, dan heeft Hij je portemonnaie ook. Je hart en je portemonnaie zijn nergens beter bewaard, dan bij de Heere. Ik hoop dat jullie dit begrijpen zullen.

Ja, dat mag ik jullie toch nog wel even vertellen, ik geloof dat dat meisje het heeft begrepen, dat ik aan het einde van de ontmoetingsdag ontmoette. Dat was een „ontmoeting” die mij ontroerde. Zij is niet als een ander. In heel veel opzichten komt zij bij een ander achter. Maar, zover ken ik ze wel, ze heeft haar hart aan de Heere en Zijn dienst verpand. Zij kwam aan het einde van die dag naar mij toe en greep mij met twee handen vast, zij liet haar hoofd op mijn borst vallen en zeide: „Ds., ik wil zo heel graag bij Jezus schuilen.” Nu, waar kan een mens beter schuilen? Buiten Jezus is het nergens veilig. De dood bedreigt ons overal. Doch wie bij de Heere Jezus schuilen mag, die is veilig en geborgen, voor de tijd en voor de eeuwigheid. Ik wens jullie dat allen toe.

Meer schrijf ik over de ontmoetingsdag niet, daar de Eindredakteur wel een meer uitvoerig verslag zal geven, van al datgene wat er gebeurd is.

Thans vraag ik jullie aandacht voor het volgende: Enkele maanden geleden had ik ergens in Nederland het Woord bediend, toen na de dienst iemand naar mij toe kwam met een vraag. Zij had namelijk een dominee beluisterd, die preekt over Hiskia’s krankheid en herstel. Jullie kunnen deze geschiedenis lezen in Jes. 38. In 2 Kron. 20 en 2 Kron. 32 wordt er ook over geschreven. Het is een hele mooie geschiedenis. Ik zou zeggen: Leest hem maar eens na. Het is best de moeite waard. Wie weet of de Heere het niet heiligen wil aan jullie harten.

De vraag ging over de betekenis van Jes. 38 : 3. De dominee had dit vers laten rusten en zodoende ging ze met haar vraag in de „mist” naar huis. Dat komt natuurlijk wel eens meer voor. Ze vroeg of ik nu voor haar de „nevelen” eens op wilde klaren. Laat ik het proberen. De tekst luidt: „en hij zeide: Och, HEERE, gedenk toch, dat ik voor Uw aangezicht in waarheid en met een volkomen hart gewandeld en wat goed in Uwe ogen is gedaan heb. En Hiskia weende gans zeer.”

De moeilijkheid is deze: Hiskia was toch ook maar een mens, een zondig mens. En hoe kon Hiskia nu zeggen, en dan nog wel tegen God, dat hij voor des HEEREN aangezicht in waarheid en met een volkomen hart gewandeld en wat goed in Zijne ogen is, gedaan had (?) Had Hiskia dan geen zonde, daar er toch geen mens is, die niet zondigt? Er staat toch in de bijbel, dat er niemand is die goed doet, dat er niemand rechtvaardig is enz. Zie er Romeinen 3 maar op na. Of is het misschien zo, dat Hiskia geen zelfkennis had, dat hij dus precies eender was als de farizeeërs. Want die gebruiken ook zulke woorden. Aan hen mankeert ook niets. Dat durven zij rustig tegen de Heere te zeggen. Als je het gebed van de farizeeër uit Luc. 18, vergelijkt met Jes. 38 : 3, dan is er, oppervlakkig gezien, echt niet zo veel verschil in.

Ja, zo mag het lijken, maar in werkelijkheid is het niet zo.

Als Hiskia zo bidt, staat hij echt niet hoogmoedig, met een kleed van deugden en plichten, te pronken voor God. Door genade had hij geleerd, helemaal niet volmaakt te zijn. Integendeel. Hij wist maar al te goed dat hij een groot zondaar was. Daar ging hij ook onder gebogen. De zonden benauwden hem. Dat komt openbaar in zijn danklied. Hij zegt in het laatste deel van Jes. 38 : 17: „want Gij hebt al mijn zonden achter Uwen rug geworpen”. Hij dankt dus God voor de vergeving van al zijn zonden. En dat waren er nog al wat. Ieder die door de Heilige Geest met zichzelf wordt bekend gemaakt, komt er achter dat hij vele zonden heeft. Dat is ook het geval bij jonge mensen. Hoe meer ontdekking men krijgt, hoe groter zondaar men wordt, hoe zwaarder ook de last gaat wegen. Ik zou willen zeggen, lieve vrienden, vraag maar veel om ontdekkend licht. Dat is een oud recept, maar er zijn „geslachten”, die er wèl bij hebben gevaren. Want hoe meer ontdekking, hoe meer zonden men ziet. Maar ook, hoe groter het wonder der vergeving daarna wordt. En die veel vergeven is, die heeft veel lief. Hiskia nu was veel vergeven. Daarom had hij ook veel hef. Die vergeving heeft hij niet slechts ene keer ervaren door het geloof, doch meerdere malen in zijn leven. Moet God niet dagelijks Zijn kinderen veel vergeven? Dat doet Hij ook. Want bij Hem is veel vergeving. Hij is een gaarne vergevend God. Hij vergeeft menigvuldiglijk.

Denken jullie maar goed over je zonden na en over de vergevensgezindheid des Heeren. Als dit echt gebeuren mag, onder de leiding van de Heilige Geest, dan weet ik zeker, dat jullie jezelf grotelijks zullen verwonderen. En rijker is er niet, dan jezelf echt te mogen verwonderen over de goedheid Gods, die juist in het vergeven van de schuld, zo heerlijk tot openbaring komt. Ik hoorde eens een dominee zeggen, en ik geloof dat dat waar is: Jezelf over God verwonderen, is „leven” aan je ziel hebben. Jullie kennen toch wel dat schone vers uit Ps. 119: „Gun leven aan mijn ziel enz. (vs. 88 oude rijm 1773) ? Denkt daar, in verband met het „verwonderen’, maar eens over na.

Maar hoe kon Hiskia dan toch zo spreken, zoals hij dat in vers 3 deed, en zoals je dat wel meer leest van de bijbelheiligen?

Als Hiskia e.a. zo spreken, dan bedoelen zij daar niet mee te zeggen, dat ze zonder enige zonden zijn en altijd alleen maar gedaan hebben wat goed is voor God. Verre vandaar. Hiskia wil zeggen dat hij met een goede consciëntie voor God heeft geleefd. Hij had, zoals Paulus daar op meerdere plaatsen over spreekt, een onergerlijk geweten. Zijn geweten klaagde hem niet aan, als zou hij in bepaalde zonden geleefd hebben, dat wil zeggen, daarin met vermaak geleefd hebben. Want zo doet een onwedergeboren mens dat. Hiskia had de vreze des Heeren beoefend. En dat was geen vrucht die groeide op de akker van zijn natuurlijk bestaan. Maar dat was een planting van God in zijn hart. Zodat, als Hiskia zegt, dat hij voor Gods aangezicht in waarheid en met een volkomen hart gewandeld heeft, dan komt hij niet met zijn werk aandragen, zoals de farizeeërs en alle eigengerechtigde mensen dat plegen te doen. Maar dan draagt hij de Heere Zijn eigen werk voor, dat is het werk des Heeren, wat de Heere Zelf in zijn hart had uitgewerkt. Want Hiskia had goed geleerd, waar al Gods echte kinderen achter komen, wat het zeggen wil: Zonder Mij, kunt gij niets doen.

Uit Hiskia, die van zichzelf een kwade boom was, kon geen goede vrucht voortkomen. Doch nu was Hiskia, door genade, een goede boom geworden, dat wijst op het nieuwe leven, dat de Heere in hem gewerkt had. En die goede boom kan geen kwade vrucht voortbrengen. Want goede bomen brengen alleen maar goede vruchten voort. Wil dat dan zeggen dat Gods kindei’en nooit meer zondigen? Ik ben geneigd om te zeggen: Als je het goed ziet, ja! Want wat uit God geboren is, zondigt niet. Zie 1 Joh. 3 : 9: „Een iegelijk die uit God geboren is, doet de zonde niet; want Zijn zaad blijft in hem, en hij kan niet zondigen; want hij is uit God geboren”.

Maar Gods kinderen zondigen toch ook nog, werpen jullie tegen. Helaas wel, maar dat komt op rekening, niet van het nieuwe leven, maar van de oude verdorven natuur, die Gods kinderen met zich mee moeten dragen tot aan hun dood toe. En dat deed nu Paulus zeggen: Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen van het lichaam dezes doods? enz. Rom. 7 : 24.

Ik hoop dat het zo duidelijk is en dat jullie maar veel last van die oude mens zullen hebben, want dat is een bewijs dat de nieuwe er ook is. Ik hoop ook dat jullie van uit het nieuwe leven, veel de vreze des Heeren zullen mogen beoefenen. Dat bewaart je voor de zonde. Ontvang de hartelijke groeten van jullie aller vriend,

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.