+ Meer informatie

Van 't Spijker: Als in de kerk geen Spanningen zijn, is er geen leven

„Men houdt bij scheuring vaak voor goddellijke zegen wat slechts psychologische opluchting is''

16 minuten leestijd

Dr. Boertien, commissaris van de Koningin in Zeeland, schreef in 1985 in een landelijk dagblad dat er binnen de Christelijke Gereformeerde Kerken sprake zou zijn van verrechtsing. Hij vreesde zelfs voor uiteenvallen van die kerken. Het eerste —vrees voor verrechtsing— is subjectief. Van het laatste —uiteenvallen— is geen sprake. „Zijn opmerkingen hebben een relatieve waarde. Het hangt er van af wie iets zegt en ook wanneer hij het zegt. Het maakt bij dergelijke woorden iets uit of iemand 'rechts van het midden' of 'links van het midden' zit", aldus prof. Van 't Spijker, die overigens tegelijk 'excuses' aanbiedt voor „deze vreemde politieke termen". Want „in de kerk is er maar één midden. Het komt er op aan of je werkelijk in Christus bent".

„Die uitdrukking van Boertien weerspiegelt de persoon en de situatie van dat moment. Er waren in die tijd fricties die de indruk gaven: nu gaat er wat gebeuren. Maar het gezegde van dat uiteenvallen is al menigmaal over onze kerken uitgesproken.

Mijn schoonvader, de latere prof. J. Hovius, zei in de jaren dertig, even voor het overlijden van een bekend predikant: Hoe lang zullen deze kerken nog bij elkaar blijven? Van der Schuit zei wel eens van onze kerken: Bij elkaar deugen ze niet, van elkaar meugen ze niet. Ook rond de benoeming van Van der Schuit als hoogleraar was sprake van zorgen en problemen.

Trouwens, ik herken hierin de spanningen die altijd onder de afgescheiden kerken aanwezig geweest zijn. Ik zeg wel eens: Als er geen spanningen zijn, dan is er ook geen leven meer. Als een zuster tegen de dokter over een patiënt moet zeggen dat de bloeddruk is weggevallen, dan is de patiënt bijna dood. Nogmaals: Als er in de kerk geen spanningen zijn, dan is er geen leven. Die spanningen moeten natuurlijk niet de pan uit rijzen zodat je er hoge bloeddruk van krijgt. 

U tilt er niet zo zwaar aan?

„Wat moet ik daarvan zeggen? Ieder lijdt op zijn eigen manier aan de kerk. Ik heb soms erg verdriet van dingen die ik absoluut niet kan plaatsen. Ik denk dan aan de breuken die er geslagen zijn in het geheel van de gereformeerde gezindte. Maar ook aan onze eigen kerken, waar mensen weggingen naar de Gereformeerde Gemeenten. Dat werd op een gegeven moment zo'n beetje een vast patroon. De laatste tijd zijn juist weer mensen uitgegaan naar de andere kant.

Gelukkig hebben wij nooit een kerkscheuring meegemaakt. Je kunt je dan afvragen: Is dat zo'n teken van een hoogstaand kerkelijk leven? Maar van de weeromstuit kun je je ook afvragen of 1944, 1953 en ook de latere breuk bij de uitgetredenen een teken van hoogstaand kerkelijk leven is.

Een kerkscheuring is een van de meest fatale gebeurtenissen. Men houdt vaak voor een goddelijke zegen wat in feite alleen rnaar een psychologische opluchting is. Als we in onze kerken een breuk krijgen, dan krijgt wat er uitgaat, naar links en naar rechts, volstrekt sektarische trekken zonder identiteit.

Men zegt altijd: Het gaat om de waarheid. Ik heb nog nooit iemand horen zeggen: Ik heb een koppig karakter en daarom wil ik het onderste uit de kan hebben. Men brengt alles onder een confessioneel stempel en zegt dat het om de waarheid gaat. En dat geloof ik niet".

Maar soms gaat het toch om de waarheid?

„Het moet altijd om de waarheid gaan! De Reformatie was een kwestie van waarheid. De Afscheiding was een kwestie van waarheid. Maar van wat daarna gebeurd is, durf ik dat zo niet altijd te zeggen".

Afscheiding

Laten we nu eens eerlijk zijn: Wat is er uiteindelijk van de figuren van de Afscheiding terechtgekomen?

„Van Raalte is naar Amerika gegaan en heeft goed werk gedaan. Scholte was een wat onrustige geest, was meer independentist en had geen gereformeerd inzicht in de kerk. En die onderstroom van independentisme binnen de gereformeerde gezindte bezorgt ons nu veel onrust. Aan de andere kant zorgt ze ervoor dat er leven in de brouwerij blijft".

Kunt u dat werkelijk zo zeggen: De Afscheiding is uit God?

„De Afscheiding is een daad van eenvoudige gehoorzaamheid geweest aan het Woord van God en de belijdenis. Zo zou ik het durven te stellen. Zo hebben die mensen in die tijd het ook beleefd. De Afscheiding had niet tot stand hoeven te komen als de Hervormde Kerk in die dagen niet —in samenwerking met de hoogste regeringsinstanties in Den Haag— had gezegd: Jullie moeten eruit. De Cock heeft er alles aan gedaan om er in te blijven, maar het is hem niet gelukt. De Cock is een figuur geweest die in volkomen oprechtheid verbonden was met de gereformeerde traditie en ook met de ervaring van Gods Kerk.

Ik heb meegewerkt aan de heruitgave van zijn geschriften. Ik moet wel eerlijk zeggen: Als we zijn werken nu lezen en de vraag zouden stellen waar De Cock zich tegenwoordig bij zou aansluiten, dan zou het grootste deel van onze kerken van zijn werken zeggen: Wat is dat voor een bevindelijke praat?"

Vrees voor "uiteenvallen"

De vrees voor "uiteenvallen" leefde toch wel getuige een bijeenkomst, door u in 1985 bijeengeroepen, met de pers in de Theologische Hogeschool. Waarbij die pers verzocht werd voortaan wat meer om de kerk te denken en wat vriendelijker te schrijven over de Christelijke Gereformeerde Kerken.

„De Christelijke Gereformeerde Kerken zitten er altijd vreemd tussen. Ze zijn nooit in staat geweest rond de eigen kerk een kerkelijk gebeuren op te bouwen: eigen scholen, organisaties of een eigen krant. Het dagblad Trouw is onze kerken niet erg welgezind. Wat het RD betreft, dat mikt op een contingent in onze kerken, dat overigens goed christelijk gereformeerd is. Maar er zijn ook anderen".

Toch hebben de 'uitersten' onder de predikanten inmiddels de kerk verlaten.

„Dat diversen van hen verdwenen zijn is hun persoonlijke keuze geweest, waarvan ik me afvraag of dat een wettige of noodzakelijke keus is geweest. Ik verdedig hun keus in ieder geval geenszins. Evenmin van die predikanten die in de jaren vijftig, de een na de ander, naar de Gereformeerde Gemeenten gingen. De kerken hebben al deze mensen in ieder geval niet uitgebannen. Dit is een lastig chapiter. Je mag ook niet zeggen dat je mensen van het 'zuiverste midden' moet hebben. Als je dat als ideaal nastreeft, heb je van het midden een partij gemaakt. In de kerk heb je geen partijmensen. Je mag het midden niet tot een norm maken. God Zelf geeft de norm: Schrift, belijdenis en kerkorde. En in de persoonlijke sfeer het levend geloof in het kruis van Christus. Dat moet het middelpunt zijn".

Dat hebt u bedoeld, toen u tijdens de laatste ambtsdragersconferentie in Amersfoort zoiets gezegd hebt als dat de Christelijke Gereformeerde Kerken een huis voor alle gerefomeerden willen zijn?

„Er zijn wel eens vaker uitdrukkingen die mij los uit de mond rollen en die zo hun eigen leven gaan leiden. Ik heb er allerminst mee bedoeld dat iedereen zich bij ons zou moeten voegen en christelijk gereformeerd zou moeten worden, hoewel het een mooie en authentieke naam is, want vóór de Reformatie was er al een klooster in Kampen dat christelijk gereformeerd heette. De uitdrukking die ik bezigde was vooral voor onze eigen mensen bedoeld. Waarmee ik wilde zeggen: Binnen onze eigen kerk is zo'n grote diversiteit, dat al die elementen van anderen ook bij ons vertegenwoordigd zijn". Overigens lijken de Gereformeerde Gemeenten op een hechte eenheid. Maar daar broeit het onder de oppervlakte soms ook wel".

Onrust

Loopt u niet het risico met uw pleidooi voor eenheid met de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt onrust te creëren?

„U moet de zaken goed zien. Om te beginnen is er niet een speciale belangstelling van onze zijde voor hen. Er zijn eenvoudig openingen, al sinds 1947. Toen is door de synode gezegd dat er een profetische roeping ligt om eenheid te zoeken met alle gereformeerden. Dat staat ook letterlijk in de Acte van Afscheiding. Die overtuiging is gegrond in de Schrift, de belijdenis en in de gereformeerde traditie.

De aandacht voor de vrijgemaakten mag ook niet gaan ten koste van anderen. Er zijn ook levendige contacten met de Nederlands gereformeerden. Wij hebben een gemeenschappelijke verklaring over de toeëigening van het heil met deze kerken. Men zegt dat deze niet functioneert, maar er staat wel alles in. Ik heb ook gepleit voor contacten met de Gereformeerde Gemeenten en met de Gereformeerde Bond, al ligt daar het probleem dat wij de afgescheiden kerk buiten de Hervormde Kerk zijn en zij die binnen de Hervormde Kerk. Mijn vraag blijft inderdaad: is gedeeltelijke gehoorzaamheid echte gehoorzaamheid? Waarom wèl de vrijgemaakten en niet de Gereformeerde Gemeenten? Wel de linkerkant maar niet de rechterkant? En wat de Gereformeerde Gemeenten betreft is het eenvoudig de vraag hoe de deur naar die kant zou zijn te openen".

Struikelblok

Bent u het eigenlijk wel eens met de uitspraak van de synode dat de toeëigening van het heil struikelblok is in de contacten met de vrijgemaakten?

„Jazeker. Maar je mag niet vergeten dat er ook bij de vrijgemaakten wel terdege sprake is van toeëigening. Deze begint waar wij de verwerving door Christus van het heil dogmatisch, confessioneel en bevindelijk onderscheiden van de toepassing. Deze toeëigening is Jiet werk van de Heilige Geest. Daarbij valt de nadruk op de middelen van het heil, zoals dat ook bij Calvijn het geval is. Calvijn ziet de toeëigening hierin dat Christus in ons woont door de prediking van het Evangelie. Overal waar gepredikt wordt, daar is er de toeëigening van het heil, zélfs als Christus onder een bedekking gepredikt wordt. Die objectieve factor, dat bredere kader, moeten we boven water krijgen".

Zie verder pagina 6

Vervolg van Pagina 2

„WIJ PREDIKEN CHRISTUS, MAAR NIET DE TOËEIGENING"

Lopen wij daarbij geen gevaar om —zoals u dat zelf eens noemde in het blad Koers— een verondersteld gelovige gemeente te kweken?

„Een predikant kan nooit in het hart zien. Hij moet wel vrij zijn van het bloed van zijn toehoorders. Wee hem als hij niet de weg heeft gewezen. Wij prediken niet de toeëigening, maar Christus. Maar wel moet in de preek een portret van de oprechte gelovige worden getekend waarin deze zich kan herkennen".

Een christen-prediking dus?

„Neen, wij prediken de Christus. Hoe Hij functioneert in de gelovige. Christus vergadert Zijn Kerk, waarbij de prediking niet alleen zegt dat, maar ook hóe Hij overwint. Uit genade. Dit willen wij als een van de meest wezenlijke dingen op tafel blijven leggen. Als we steeds op hetzelfde aambeeld slaan, moeten we die last dan maar dragen. Ik blijf het grote nut van samensprekingen benadrukken. Wij hebben nog te veel beelden van elkaar opgebouwd en langs elkaar heen geleefd. Door samensprekingen krijg je meer oog voor elkaar".

Maar geeft Johannes 17 eigenlijk wel een gebod tot eenheid? Het is een gebed!

„Het hogepriesteriijke gebed -dat zij allen één zijn- moet ons zo aanspreken dat het als een gebod overkomt. Is er geen gebod tot eenheid? Ik wilde dat soms. Neem nu het gebod tot bekering. Kan de mens zich bekeren? Neen. Zal hij zich bekeren? Nooit. Dus dan maar geen bekering prediken? Of zijn we toch overtuigd van de wil van de Heere in dezen? Wat mij steekt is, dat het brood van de Heere nu in verschillende kerken gebroken wordt, ook hier in Apeldoorn, aan de Canadalaan, het Wilhelminapark en de Graaf van Lyndenlaan, zonder dat dit de eenheid van het lichaam bevordert".

Werkverbond

Zit er toch niet een dogmatisch verschil tussen de Christelijke Gereformeerde en de vrijgemaakte kerken in het spreken over genadeverbond en werkverbond?

„Het genadéverbond is in de plaats van het werkverbond gekomen".

Is dat laatste dus niet belangrijk?

„Jawel. Maar de mens moet er achter komen dat het werkverbond een afgesloten weg is, iedere dag opnieuw. Jezus Christus als de Knecht des Heeren heeft het werkverbond volkomen volbracht om die weldaden ons toe te eigenen. Wij worden opgeroepen om het heil volstrekt buiten onszelf in Christus te zoeken. Het avondmaalsformulier zegt dat wij midden in de dood liggen".

Neem nu een pas gedoopt kind. De doop werd bediend op grond van het genadeverbond. Maar hoe is nu zijn positie ten opzichte van het werkverbond?

„Dan prevaleert toch dat het kind later moet leren zien dat het werkverbond een afgesloten weg is. Iemand die overeenkomstig het genadeverbond gaat leven, wordt er door de Heilige Geest van op de hoogte gesteld existentieel, bevindelijk, dat het voor hem volstrekt noodzakelijk is de zaligheid in Christus te zoeken".

Zo'n kind ligt toch óók en nog altijd onder de vloek van het verbroken werkverbond. Dat is toch een wel gedefinieerd struikelblok bij vereniging met de vrijgemaakten?

„Jawel. Maar ook binnen de vrijgemaakten zijn toch geluiden te horen van een volstrekt reformatorische benadering. Neem het jongste boek van prof. Trimp "Klank en weerklank". Al kan ik mij voorstellen dat ds. Moerkerken hier van zou zeggen: Dat is niets".

Beïnvloeding

U bent in al deze opvattingen stellig beïnvloed door uw leermeesters. Wie waren dat?

„Onvergetelijk was voor mij, voor wat de bijbelse vakken betreft, prof. Van der Meiden. Hij was iemand die grote eerbied voor de tekst had, de grondtekst wel te verstaan, het Hebreeuws en het Grieks. Hij beheerste de zaak zeer goed. Verder heb ik veel te danken gehad aan mijn schoonvader, prof. Hovius. Ik denk dat hij degene is die in die dagen het onderwijs op een niveau gezet heeft dat tot op de dag van vandaag eigenlijk nog niet verbeterd is.

Ook aan prof. Van der Schuit, de dogmaticus in Apeldoorn, heb ik ontzettend veel te danken. Het was iemand die heel intensief bezig was met het dogma van de kerk. Ik ben onlangs nog bezig geweest met zijn inauguratie over de verhouding tussen mystiek en dogma. Daarin zie je dat mystiek en dogma, zeg maar de aspecten bevinding én geloof, het subjectieve en het objectieve, twee zaken zijn die nauw met elkaar samenhangen. Van der Schuit heeft mij leren denken —want een mens moet toch ook denken- in het goede spoor van Schrift en belijdenis".

Van der Schuit wilde aan de bevinding een wetenschappelijke funderinggeven?

„Ja, dat heeft hij zeker geprobeerd. Hij heeft zich gekeerd tegen de verzelfstandiging van de gevoelsfunctie. De gereformeerde vaderen kenden slechts twee vermogens van de ziel, de kennis en de wil. Er was geen aparte functie van het gevoel. Prof. Van der Schuit was ervan overtuigd dat —als je het gevoel onderbrengt bij het denken— voorkomen kan worden dat het denken verintellectualiseert. Zo kon hij de post- Schleiermacheriaanse traditie te lijf gaan, maar evenzeer ook de valse mystiek èn er tegelijkertijd voor zorgen dat de kennis van het geloof niet los komt te staan van het gevoelsleven. Dat is de belangrijkste inzet van Van der Schuit geweest"

U hebt de naam van Wisse nog niet genoemd. Hoe komt het dat ondanks polemiek met Van der Schuit vanuit de Gereformeerde Gemeenten in de jaren dertig prof. Wisse nog altijd veel sympathie geniet in die kring?

„Van Wisse heb ik geen college gehad. Er is inderdaad een groot verschil tussen deze twee. Wisse was meer een kerkpoliticus. Wat hij zegt is wel goed. Hij heeft wezenlijke dingen gezegd die zeer de moeite waard zijn. Maar het was een man met veel politieke belangsteliing".

Hoe bent u, nu al meer dan 40 jaar geleden, ertoe gekomen om predikant te worden? Werd dat thuis gestimuleerd?

„Mijn ouders hebben nooit gezegd: Je moet dominee worden. Dat is op een wonderlijke manier gegroeid. Op een of andere manier heeft de dienst van de Heere en van de kerk —want die twee zijn altijd wezenlijk op elkaar betrokken— mij zo aangesproken dat het richting Apeldoorn is gegaan. Voor mij heb ik dat als een soort roeping ervaren. Maar ons huiselijk leven van geloof en van oprechte betrokkenheid op de kerk vormde wel de bedding".

U staat veertig jaar in het ambt. Is het —ondanks al de spanningen van het pastoraat— een gemis geweest de gemeente te moeten verlaten?

„Jazeker. Gelukkig had ik in de eerste tijd in Apeldoorn weinig tijd om daarover na te denken. Utrecht was in die tijd nog vacant, zodat ik daar nog handen spandiensten verrichtte. Maar inderdaad, als je alleen op de studeerkamer zit dan is er het gevaar dat je verdroogt. Mensen zijn toch geschapen in relati.e met hun medemens, nietwaar? Het pastoraat blijft best boeiend. En ik ben natuurlijk geen dominee geworden om professor te worden".

U bent bijna twintig jaar hoogleraar. Hebt u zich ook laten leren?

„Als u bedoelt, door eenvoudige mensen, ja! We kwamen in de pastorie toen we amper 24 jaar oud waren. Op meer kinderlijke manier zijn we er eigenlijk in gegroeid. De eenvoudige mensen in Drogeham hebben mij ontzettend veel geholpen. Het mooiste was dat je altijd mee op huisbezoek ging. De ouderlingen zeiden tegen mij: Ach, kennismakingsbezoeken stellen niets voor, ga maar meteen mee op huisbezoek. In de elf en een half jaar dat ik in Drogeham was, ben ik tien keer de hele gemeente door geweest. In die tijd heb ik veel te danken gehad aan de allereenvoudigste mensen, mensen die geen flauw benul hadden van titels".

Mensen ook die geen flauw benul hadden van de grondtekst.

„Ach, wat is de grondtekst. Men wist wat de tekst zei. Bij vromen die met de Schrift omgaan en uit de geheimen van de gereformeerde traditie leefden, daar ontstaat een soort intuïtie. Zij wisten haarfijn aan te voelen wat de kern van de zaak was".

Misschien toch het werk van de Heilige Geest?

„Jazeker. Het is de Heilige Geest Die in alle waarheid leidt. Er staat niet: Die in de grondtekst leidt. Ofschoon de kennis van de laatste voor een predikant in doorsnee vereist is".

_______________________________________________________

Gepromoveerd op 'eenheidsmaniak' Martin Bucer noemt professor dr. W. van 't Spijker zich toch geen vechtersbaas. „Misschien is het wel bangheid. Met alle activiteit voor eenheid stond Bucer tenslotte eigenlijk alleen. Ieder was boos op hem". Van 't Spijker kwam de laatste tijd vooral in het nieuws door zijn pleidooi voor kerkelijke eenheid in de gereformeerde gezindte en voor (herwaardering van wat men noemt de gereformeerde spiritualiteit.

De hoogleraar was deze week veertig jaar predikant. „Mijn vader was broodbakker. Ik ben in Zwolle geboren en getogen. Die gemeente ligt mij als moedergemeente nog steeds na aan het hart", zegt hij. Het jubileum vormde voldoende aanleiding voor de Koningin om hem de onderscheiding toe te kennen van Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw. Niet zozeer een kwestie van „aan de beurt zijn, maar een stukje erkenning van de wetenschappelijke beoefening van de gereformeerde theologie", aldus de hoogleraar, die zich verrast en dankbaar toonde.

Van 't Spijker (64) ging in 1946 naar het curatorium en liet zich toen inschrijven als student aan de Theologische Hogeschool. Vanaf 5 november 1950 diende hij de gemeente van Drogeham (tot 1962) en daarna die van Utrecht (tot 1971). In dat jaar benoemde de synode hem tot hoogleraar.

Een gesprek met de christelijke gereformeerde Apeldoornse hoogleraar kerkgeschiedenis en kerkrecht over zijn leven als predikant en hoogleraar, over de pluraliteit binnen zijn eigen kerken, „die van links en rechts altijd klappen oplopen", en over het gebod tot kerkelijke eenheid (waarvan Van 't Spijker zegt dat hij soms wenst dat dit gebod er niet was). Bevreesd is hij er in elk geval voor dat gevoel en ervaring een eigen leven gaan leiden, los van dogma en kerk.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.