+ Meer informatie

Voor de jeugd

9 minuten leestijd

Beste Jongelui!

We zijn nog steeds met elkander aan het denken over al datgene wat er op de zondag, dat is op de rustdag, zoal te doen is. Dat is nog niet zo weinig. Leest er de voorgaande artikelen nog maar eens op na. Ik hoop inmiddels dat de zondag, dat is de rustdag, voor jullie geen lastdag is, maar een lustdag. Een dag, waar je met verlangen naar uitziet. Niet omdat je dan een dag vrij bent, en de gewone arbeid niet behoeft te verrichten, maar om dat je op die dag naar het huis des Heeren gaan mag. Dat blijft toch elke week weer een wonder. Ja, zo wordt het niet door iedereen gezien. De meesten zien daar niets van. Een kerkgang is voor hen eigenlijk maar een kerk-ergang. Het lijkt wel of ze naar de gevangenis moeten. Ze gaan helemaal niet graag. Ze hebben er helemaal geen besef van wat het zeggen wil, dat men in het huis des Heeren, de Heere zelf mag ontmoeten.

Ik hoop nochtans, dat jullie het als een wonder zullen zien, dat je elke week weer naar de kerk mag gaan om daar des Heeren Woord te horen; en te doen, dat gene wat de Heere van je vraagt in Zijn dienst. Als dan bij de aanvang van de dienst eens Ps. 25 : 2 wordt opgegeven: Wie heeft lust om de Heere te vrezen; Het allerhoogst en eeuwig goed? Dan mag je daar door genade wel eens: Ja ik, op zeggen. Wat is dat groot als je lust mag hebben om de Heere echt te vrezen, kinderlijk te vrezen. Niet in de zin, dat je bang voor de Heere bent, maar om dat er liefde in je hart tot de Heere is. Dat is dan niet van je zelf. Want een mens van nature, dat is een mens zoals hij geboren is, heeft de Heere niet lief. Hij is van zichzelf een hater van God en een hater van de naaste. Johannes heeft het zo naar waarheid gezegd: Wij hebben Hem lief, omdat Hij ons éérst heeft liefgehad. De liefde is niet uit de mens; de liefde is uit God. God is, als het over liefhebben gaat, altijd de Eerste. En gelukkig dat Hij dat ook blijft, want anders zouden degenen, die de Heere wel eens liefde hebben mogen toedragen, Hem weer in de steek laten. Zij zouden Hem verlaten, om nooit meer tot Hem terug te keren. Maar Hij is en Hij blijft de Eerste, en hij is en blijft ook de Laatste. Hij zal daarom niet laten varen het werk dat Zijn hand heeft begonnen. Hij zal het zekerlijk voleindigen. En alles wat Hij werkt, dat zal juichen tot Zijn eer. Vergeet dat ook niet. Want alles wat wij werken, dat beoogt de eer des Heeren niet, maar wel de eer van het schepsel. Wat God werkt, dat keert tot God terug. Daarom is er nooit iets in het schepsel te roemen. Er moet alleen geroemd worden in de Heere. Het is genade als men dat doen mag. Denkt er maar eens over na.

Om nog even de draad uit de H. Cat. op te nemen, dan wordt er nog meer genoemd, dan hetgeen reeds genoemd is. Er wordt ook nog gesproken over het doen van een christelijke handreiking aan de armen. Tegenwoordig zijn er in onze omgeving geen armen meer, zoals men die vroeger kende. Jullie hebben er mogelijk wel eens van gehoord, van je ouders en grootouders, hoe men vroeger geen brood in huis had en verder aan het allernodigste gebrek had. Door de sociale verzorging die er tegenwoordig is, heeft praktisch iedereen voldoende om te leven. In het verleden, dat moet ook eerlijk worden bekend, is de kerk nog al eens te kort geschoten. En als ik over het verleden spreek, dan denk ik niet alleen aan datgene wat honderd jaar geleden plaats had. Want in de dagen van Jacobus, een van de bijbelschrijvers, was dit al het geval. Hij heeft daarom het „Wee” uitgeroepen over de rijken, die in hun roeping t.o.v. de armen te kort schoten. De Heere wil dat de armen verzorgd zullen worden. Hen moet een christelijke handreiking worden gedaan. Dat is, niet zo maar wat geven, of misschien in een gulle bui, veel geven. Neen, een christelijke handreiking is een zodanige handreiking, dat degene die iets ontvangt, in de gave de hand van Christus gevoelt. Hij mag in geen enkel opzicht de indruk krijgen dat hij uit de hand van deze of gene goedgeefse broeder of zuster moet leven. Hij mag ook niet de indruk krijgen, dat hij het van de „diakonie” moet hebben. Christus is het Zelf, Die door middel van Zijn instellingen, de kerk, Zijn volk wil onderhouden, ze uit Zijn hand wil laten leven. Daar begreep men iets van, in die eerste tijd, toen de Heilige Geest pas was uitgestort. Toen durfde niemand iets het „zijne” te noemen. Zij leefden uit het besef, dat alles wat zij bezaten, „gegeven goed” was. Zij hadden niets, wat zij niet van de Heere hadden ontvangen. En daar zij elkander zagen en erkenden, als leden van een en hetzelfde lichaam, daarom hadden zij alle goederen gemeen. Dat we daar nu ver vandaan zijn, behoeft niet met zoveel woorden aan getoond te worden. Velen leven uit de gedachte van: God zorgt voor ons allen en verder moet een ieder maar zien dat hij aan z’n trekken komt. Een dergelijke levenshouding is natuurlijk niet uit de Heilige Geest, maar uit de boze geest. Daar waar de Geest nog krachtig werkt, wordt er nog iets van beleefd, wat het zeggen wil, dat men zelf ook uit de hand des Heeren leven moet. En dan sluit men z’n hand ook niet toe. Dan komt de „gierigaard” buiten de deur staan. De Heere, de Koning der kerk, heeft een afkeer van gierige mensen. Deze zullen in het koninkrijk Gods niet komen. Is de gierigaard bij jullie al buiten de deur gezet? Ik geef dit maar weer ter overweging door.

Ik moest eens ergens preken, waar naar mijn gevoelen de kollekten wel iets beter konden zijn. Ze waren overigens nogal druk in de weer met oud papier en lorren en oud roest voor de „zaak des Heeren”. Dat bracht „geld” op. Ja, ja! Als ik zo iets hoor, wordt ik altijd een klein beetje naar. Niet dat ik dergelijke akties, b.v. van kinderen, niet kan waarderen. Dat ook, zeer zeker. Ik zeg dan maar: Het is meegenomen en de kinderen doen een nuttig werk. Ik sta heus wel met mijn beide benen in de werkelijkheid. Maar als het daar van komen moet, dan is het toch voor de Heere maar een „beledigende aangelegenheid”. Onder het Oude Testament moest altijd het „eerste” en het „beste” voor de Heere afgezonderd worden. En ik dacht dat dit in het Nieuwe Testament, waarin wij leven, toch ook nog wel iets te zeggen heeft. Toen ik in die gemeente preekte had ik tot tekst, de vraag van de Heere Jezus aan Petrus: Hebt gij Mij hef? Ik zeide toen, terwijl ik de kollekte aankondigde: Als je deze vraag nu met een dubbeltje of een kwartje beantwoorden kimt, dan moet je jezelf maar afvragen, hoe hoog de thermometer van de liefde staat. Ik dacht dat jullie hier nu ook wel een antwoord op kunnen geven. Tussen haakjes moet ik opmerken, dat daar natuurlijk niets discriminerends mee gezegd is over het „penningske der weduwe”. Ook moeten jullie er niet uit af lezen alsof de genade „te koop” zou zijn. Als die zwarte zak komt, moet alleen de liefde haar taal spreken. De Heere vraagt dan: Wat ben Ik u waard?

Ja, dat is een vraag, die toch wel even op je af komt. Leg hem alstublieft niet naast je neer. De Heere stelt hem zelf. Wat ben Ik U waard? Hebben jullie daar wel eens over nagedacht? Zo niet, doe het dan echt eens. Ik ben bang, dat velen, als ze eerlijk zijn, deze vraag negatief zullen moeten beantwoorden. Zo in de zin van: De Heere is ons weinig of niets waard. Ik geloof dat die dominee het goed zei, toen hij zeide: De Heere is ons nog geen „gedachte” waard.

Dit wordt anders als we de Heere leren kennen, echt leren kennen, als de Bron van alle goed, die ons ellendige zondaren uit de grootste nood verlossen wil en ook verlost. Daar heeft Hij alles voor over gehad. Hij heeft het liefste wat Hij had er voor over gehad. Hij heeft er Zijn eigen Zoon voor over gehad. Wie dat nu verstaat, die kan het ook die dichter van Ps. 116 nazeggen: Die God is „àl mijn liefde waardig”. Wat ben je dan rijk. Want dan heb je God tot je deel. En als je God tot je Deel mag hebben, dan heb je ook alles wat Godes is. Hij is dan een Schild voor je en een loon, zéér groot. Wie kan zeggen hoe groot dit is? Er zijn mensen die zelf niet weten hoe rijk ze eigenlijk zijn. Weten jullie wie dat zijn? Dat zijn nu de kinderen van God. Zij zingen daarom wel eens vol verwondering: Hoe groot is het goed dat Gij zult geven, Hem, Wiens oprechte geest, Op U betrouwt, U vreest! enz. Ps. 31:15.

Deze niet te versmaden rijkdom, zij jullie aller deel, jongens en meisjes. Want het is een rijkdom die de roest niet verderft en die de mot niet doorgraven kan. Als je rijk bent in aardse goederen, wat ook een zegen kan zijn, als je er „goed” mee weet te doen, dan moet je het toch eens achter laten. Maar het goed dat God geeft, heeft waarde voor de tijd en voor de eeuwigheid. Zelfs dieven kunnen het niet afnemen. De Heere heeft de schatten van Zijn volk in bewaring. Daar is het echt „safe”.

Maar ik moet weer gaan eindigen. Ontvangen jullie allemaal de hartelijke groeten van jullie vriend

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.