+ Meer informatie

Heer en Knecht.

5 minuten leestijd

Wanneer wij deze verhouding in het Israëlitische volksleven gaan beschouwen, dienen wij aanstonds goed te onderscheiden en ze niet te vereenzelvigen met onze verhouding van werkgever en werknemer. Wij lezen in onze Statenvertaling de woorden dienstknecht en dienstmaagd: Paulus noemt zich telkens een dienstknecht van Jezus Christus.

Bij 't gebruik van deze woorden hebbca wij dau te denken aan slaven en slavinnen, die het eigendom van hun meester of meesteres waren.

En als Paulus zich een „doulos Christou" d.i. een slaaf van Christus noemt, dan ligt daarin de schone betekenis, dat niet zijn wil, maar de wil van zijn Meester in zijn leven, ook in zijn ambtelijk leven, domineerde.

Nu heeft het woord slaaf, slavin altijd de bittere bijsmaak van vreselijke gruwelen. Inderdaad. Oosterse volken als Phoeniciërs, Arameërs, Filistijnen, Amelekieten, Edomieten, gingen zich aan slavenroof en slavenhandel zeer te buiten. En de profeten van Israël ergerden zich zeer aan diq onmenselijke behandeling. Zij toornden er tegen. Men leze o.m. Joël 3:4—6; 2 Kon. 5 : 2'; Amos 1 : 6—9.

Let wel. Het gaat in deze teksten om Israëls volk, van welk het woord gold en nog geldt: Die Mijn volk aanraakt, raakt Mijn oogappel aan. Al komen de oordelen over Israël vanwege hun zonden, wee het volk, dat zich aan hen vergrijpt op onmenselijke wijze.

Ook Israël had slaven en_slavinnen. Maar de behandeling was daar zeer menselijk.

Zij genoten de eer opgenomen te zijn in Gods wet. Zij waren dan ook geenszins rechtloos. Wie b.v. zijn slaaf mishandelde, moest hem de vrijheid geven. (Ex. 21 : 26, 27).

Hij genoot de Sabbathsrust. (Ex. 20 : 10 en Deut. 5 : 14). Hij kon goederen, ja op zijn beurt weer slaven bezitten. Wanneer een heer kinderloos stierf, kon de voornaamste slaaf erfgenaam worden. Ook huwde een slaaf we! met de dochter van zijn heer ('Gen. 15 : 2, 3; 1 Kron. 2 : 34, 35) De vreemde slaaf werd door de besnijdenis in Israël ingelijfd en genoot nu ook de voorrechten als zodanig, die Israël bezat: ij mocht de hoge feesten meevieren en mee aanzitten aan de offermaaltijd (Gen. 17 : 12, 13 en Deut. 12 : 18; 16 : 11).

De oorzaken van de slavernij waren velerlei. Vreemde slaven waren meest krijgsgevangenen of van deze geboren.

Begeerde) een Israëliet een krijgsgevangen meisje tot vrouw, dan mocht dit, mits zij vooraf haar hoofd geschoren en haar vader en moeder een maand lang beweend had. Hiermee sprak zij uit dat zij het heidendom verliet, de ware godsdienst aannam en ingelijfd werd in Gods volk. Maar hij mocht haar ook weer voor geld verkopen!

Er waren echter ook Hebreeuwse slaven, ai was hun getal klein.

Een Israëliet begaf zich soms door armoe vrijwillig in slavernij (Lev. 25 : 39, 47).

Een vader verkocht wel eens zijn dochter als slavin aan een anderen Israëliet (Ex. 2'1 : 7).

Beviel zij aan haar heer niet langer, dan mocht zij niet aan een vreemd volk verkocht worden.

Ook werd iemand wel slaaf door schulden (2 Kon. 4:1). In Gen. 15 : 1 vlg. hebben wij een voorbeeld, hoe een slavin aan den man tot bijwijf werd gegeven.

Er bleef echter onderscheid tussen Hebreeuwse en vreemde slaven. De eerstgenoemden mochten niet langer dan zes jaa r dienen. In het 7de jaar, n.1. zijner dienstbaarheid, moest hij voor vrij uitgaan, om niet (Ex. 21 : 2—6). Met het Sabbathsjaar heeft dit dus niets te maken. Anders was dit in het Jubeljaar. Dan moest ieder Israëliet met zijn kinderen vrij uitgaan en tot de bezitting zijner yaderen terugkeren (Lev. 25:40, 41),

De vreemde slaven echter dienden altoos door en gingen in het bezit van ouders op kinderen en kindskinderen over.

Nu kon het gebeuren-, dat een Israëlitische slaaf liever slaaf bleef, b.v. omdat hij in slavernij getrouwd was en vrouw en kinderen niet vrij werden, of dat hij toch weer tot slavernij zou vervallen. Dat kon; en als teken werd hem dan het oor doorboord (Deut. 15 : 16, 17). Slaaf geworden Israëlieten konden te allen tijde losgekocht worden door de familie. Ook konden zij zich zelf loskopen, wanneer hij de nodige contanten had verworven.

Ook voor weggelopen slaven bestonden regelen. Zij mochten niet aan luin heer overgeleverd worden (Deut. 23 : 15).

Een mooi voorbeeld hiervan is Onesimus. Let vooral op welke wijze Paulus dit probleem tot oplossing bracht. De slaven waren niet van gelijke rang. Men had er van hoger en lager rang. Laag geschat werden zij, die de voeten der gasten moesten wassen en zij die de sandalen voor hun heer moesten dragen.

Men leze nu eens Joh. 13 : 1—17; Matth. 3:11; ) 25 : 41. Sam.

Welk een schril contrast met onze tijdgeest, die niets dan egoïsme ademt.

Wat de tijd van het N.T. betreft: het Christendom trof in de Helleens-Romeinse wereld een harde slavernij aan. Wel waren er heidenen, die in Paulus' dagen heftig tegen de slavernij te keer gingen (o.a. Seneca: Brieven aan Lucilius Ep. XLVII), echter zij gingen van verkeerde princjpia uit

Natuurlijk is slavernij en Christelijke broederliefde wel enigszins een tegenstelling. Maar het N.T. heeft nooit de opheffing van de slavernij geproclameerd. (Onesimus!)

Wel vermaande Paulus de slaven herhaaldelijk tot oprechte gehoorzaamheid en de heren tot zachtmoedigheid. Aangenomen mag echter worden, dat, waar de broederlijke liefde levendig was, het juk niet zeer gevoeld werd.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.