+ Meer informatie

DEVOTIE IN DE EREDIENST

8 minuten leestijd

Over dit thema schrijven is niet gemakkelijk. Het heeft niet alleen veel aspecten, het valt ook moeilijk om het precies te benoemen. Wat wordt er precies mee bedoeld? En is het eigenlijk wel nodig om er over te schrijven? Het woord devotie heeft immers in veler gevoel een vulling die meer aan de rooms-katholieke geloofstraditie doet denken dan aan de vormen en de formules waarmee protestantse godsdienstoefeningen zijn gevuld.

Het is misschien goed eerst aan te geven wat in deze bijdrage onder de begrippen “devotie” en “eredienst” wil worden verstaan. Wie de in 1955 verschenen Encyclopedie van het Christendom opslaat bij het woord “devotie” wordt verwezen naar het woord “vroomheid”. Oorspronkelijk had dit woord een meer zedelijke betekenis, te weten flinkheid, ijverigheid en rechtvaardigheid. Sinds het piëtisme heeft het woord een meer godsdienstige vulling gekregen door er godvrezendheid mee aan te duiden. Kijken we er gekwalificeerde woordenboeken op na dan krijgen we “devotie” uitgelegd als vroomheid, godsvrucht, verering en één keer als innige verering. Bij het laatste wordt dan bij wijze van voorbeeld gewezen op de Mariadevotie, op het bidden van de kruisweg en op andere devoties uit de rooms-katholieke traditie, die overigens voor een belangrijk deel in onbruik zijn geraakt.

Eredienst. Eén van de woorden, waarmee de samenkomsten van de christelijke ge-meente worden aangeduid. We spreken doorgaans van dienst, kerkdienst, samenkomst en in meer deftige zin van godsdienstoefening. Bij het woord eredienst ligt de nadruk op het element van de aanbidding van God in lofzegging, gebed, verkondiging en bediening van de sacramenten. Allemaal elementen die onderdeel vormen van de samenkomsten van de gemeenten zoals we die in het gereformeerd protestantisme kennen en zoals we die ook binnen onze christelijke gereformeerde geloofsgemeenschap ervaren. Op een wijze en in een sfeer, waarvan ik persoonlijk vind dat echte devotie er dikwijls aan ontbreekt. De gedachtewisseling hierover binnen de redactieraad mondde uit in het verzoek aan te geven waaraan het op dit punt dan schort. Ik wil daartoe een bescheiden poging doen.

Rooms-katholieke en protestantse tradities.

Misschien is het mij toegestaan in het kort eerst iets te vertellen over mijn vriendschap in Amsterdam begin jaren vijftig met een collega, die na een bijna voltooide priesteropleiding uiteindelijk voor een seculiere loopbaan had gekozen. Tijdens zijn studie was hij, na nog een boeteklooster te hebben aangedaan, tot de conclusie gekomen dat hij niet in alles met de geloofsleer meekon. Hij bleef, hoeveel twijfels hem ook eigen waren, wel een vroom mens. Hij worstelde met de Godsvraag en bleef daarop een antwoord zoeken binnen de geloofsgemeenschap waarmee hij door geboorte en opvoeding verbonden was. Het celibaat zou voor hem als priester geen probleem hebben opgeleverd, want hij is tot zijn dood op 70-jarige leeftijd celibatair gebleven. Ton heeft mij wegwijs gemaakt in de rooms-katholieke geloofsleer. Op basis van wederkerigheid nam hij mij mee naar vieringen en een enkele keer naar een pontificale hoogmis in de Sint Bavo in Haarlem, terwijl hij mij dikwijls vergezelde naar de Lauriergrachtkerk, onder de prediking van wijlen ds. Johan Prins, die hij zeer waardeerde. Dikwijls bezochten we avonddiensten waarin vermaarde predikanten als Buskes en Overduin voorgingen. Bij alles wat hem daarin aangenaam trof, had hij dikwijls als (bescheiden geformuleerde) aanmerking dat het geheel van de erediensten in zijn gevoel zo weinig gewijd van karakter was en dat uiterlijk gezien de kerkgangers in de beleving en het ondergaan van de liturgische onderdelen maar zo weinig devotie uitstraalden. Uit de mond van iemand uit de rooms-katholieke traditie klonk dat niet onbegrijpelijk. De strakke inrichting van reformatorische erediensten contrasteerde en contrasteert sterk met het sacrale karakter van de vieringen in de andere traditie. Devotie, in de zin van eerbied, begint daar al bij binnenkomst in de kerk. De ruimte die men betreedt ademt een sacrale sfeer, doordat men in de omgeving van de altijd brandende godslamp Christus zelf tegenwoordig weet. Dat besef noopt de “beminde gelovigen” tot stilte en tot meditatief bezig zijn met wat komen gaat. Het “getetter en gekwetter” vóór de aanvang van protestantse kerkdiensten en het minstens zo luidruchtige geroezemoes na het amen van de zegen, verbaasden hem wel eens. Mijn argument dat in die contacten vóór en ná de dienst toch ook iets zit van christelijke gemeenschapsbeoefening kond bij mijn vriend niet de gedachte wegnemen dat bij de protestanten generaal gesproken weinig sprake was van een in stilte zich voorbereiden op de eredienst en het na afloop een in alle rust verwerken van de indrukken die men overhield aan wat in de eredienst passeerde. Vóór en na de diensten kreeg hij dikwijls de gedachte aan een sociëteit met een sterk gezellig-heidselement.

Plaats van ontmoeting met God

Een protestants kerkgebouw is geen sacrale plaats. Het wordt niet ingewijd, maar in gebruik genomen. Het is wel de plek van de gemeente waar de ontmoeting met God plaatsvindt, waarvan gezegd wordt dat waar op die plaats slechts enkelen in zijn Naam bij elkaar zijn, Christus in hun midden is. Met zijn Woord en met zijn Geest. En waarvan geldt dat alle handelingen die er worden verricht om een devote instelling van de gemeente vragen, in gezamelijkheid en individueel. Daaraan ontbreekt het in onze erediensten maar al te veel. Het is een constatering die op waarneming berust, op meer dan één plaats en in kerken van verschillende denominaties. Het is eigen aan en het manifesteert zich vooral in die reformatorische kerken, waarin de prediking nog altijd het belangrijkste onderdeel van de eredienst vormt. De inhoud van de verkondiging en niet in de laatste plaats de wijze waarop de boodschap van het Evangelie wordt verwoord, zijn voor veel kerkgangers allesbepalend als het aankomt op de mate van vreugde en voldoening die men aan de zondagse kerkdiensten beleeft. We herkennen dat in de wijze waarop kerkgangers hun waardering voor de zondagse Woordverkondiging tot uitdrukking plegen te brengen. We weten dat sommige dienaren van het Woord in die waardering hoge scores halen. Hun vindingrijkheid in het bedenken van originaliteiten, hun vermogen om een betoogtrant te omwikkelen die hun auditorium van het begin tot het einde van de preek geboeid houdt en het gezegend zijn met een goed inzicht in de Schriften, zijn in de regel bepalend voor het geestelijk nut en genoegen die de kerkgangers aan de erediensten beleven.

Geen gehoorzaal

Heilzaam zou zijn als men in de gemeenten zich ervan bewust zou zijn dat de ruimte waarin de gemeente op zondag samenkomt, geen gehoorzaal, maar plaats van ontmoeting tussen God en de gemeente van zijn Zoon Jezus Christus is. Dat klinkt nogal vanzelfsprekend, maar in de praktijk van het kerkelijk leven is het dat bepaald niet, in elk geval niet in de vereiste mate. Is de praktijk niet dat men naar de kerk gaat om een dominee te beluisteren en dat op voorhand de waarde van het verblijf in het Huis Gods bepaald wordt door de vraag wie de voorganger is en hoe die het er pleegt af te brengen? Men hoort er dikwijls over spreken met uitdrukkingen en kwalificaties, die er - positief of negatief - op wijzen dat de kerk voor velen in werkelijkheid meer plaats van handeling tussen dienaar des Woords en de gemeente is dan punt van ontmoeting tussen God en de gemeente van Jezus Christus. Natuurlijk zal elke kerkganger toestemmen dat het laatste primair is, dat het dáárom allereerst gaat, maar de praktijk is dat bij velen de mate van betrokkenheid bij het kerkelijk gebeuren en de geestelijke ervaringen die men in de zondagse samenkomsten heeft, sterk afhankelijk zijn van de prikkels die vanuit de verkondiging op de hoorder toekomen. Onder prikkels moet men in dit verband niet verstaan dat het Woord in diepere zin beslag legt en het leven heilzaam beïnvloedt, maar de prikkeling van verstand en gevoel door de pakkende wijze waarop de dingen worden verwoord.

De eredienst omvat méér dan de preek

Verder moet de gemeente beseffen - en ook daaraan ontbreekt het maar al te veel - dat de eredienst méér is dan verkondiging alleen. Men mag het hart ook ophalen aan en richten op de lofzang, het gebed, het aanhoren van de geboden, het gemeen-schappelijk uitspreken van de belijdenis, de lezing van de Heilige Schrift, het aanhoren van de groet en de inontvangstneming van de zegen. Op het gebed na misschien, maar in veel kerken kan men zich soms niet aan de indruk onttrekken dat in de aandacht van de gemeente de andere zojuist opgesomde handelingen met een zeker automatisme passeren en niet worden beleefd overeenkomstig de betekenis die zij hebben.

Ook daarin ligt een stuk gewenning, vervlakking en verarming. Voor te velen begint de eredienst pas bij de preek en eindigt zij nadat het amen heeft geklonken.

Als in de rooms-katholieke erediensten de lezing van het epistel en het Evangelie wordt aangekondigd, gaan alle aanwezigen staan. De Hoogheilige, als Hij spreekt, hoort men staande aan!

In onze samenkomsten blijft men zitten, soms hangerig. In mijn jongensjaren heb ik in Middelburg nog wel eens avonddiensten meegemaakt, waarin na de Schriftlezing door de gemeente twee mooie regels uit een oud gezang werden gezongen: “Amen, goddelijk Evangelie, amen zegt mijn ziel daarop”. Zoiets kan uitslijten, natuurlijk, maar toch had het iets.

En wat de nadering tot God in het gebed betreft: we zouden ook daarbij - voorzover onze constitutie het toelaat - behoren te staan, mannen én vrouwen. Aangenomen dat de voorganger wat de lengte van het gebed betreft rekening houdt met de maat die Jezus zelf daarvoor heeft aangereikt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.