+ Meer informatie

Tussen vrije hand en morele sentimenten

Enkele opmerkingen over christelijk-sociaal denken en de terugkeer van de ethiek in de economie

30 minuten leestijd

Abstract:
Dit artikel schetst de ontwikkeling van de plaats die ethiek heeft in de economie en de economische wetenschap tegen de achtergrond van de ontwikkeling van het christelijksociaal denken. Ethiek is in de geschiedenis van de economische wetenschap steeds meer naar de marge gedrongen maar wint de laatste jaren aan betekenis en erkenning in zowel het bedrijfsleven als de economische wetenschap. Dit blijkt onder andere uit de toenemende aandacht voor bedrijfsethiek waarin thema's als maatschappelijke verantwoordelijkheid en integriteit centraal komen te staan en uit de opkomst van de nieuwe institutionele economie (NIE). Het artikel bevat een bespreking van de NIE waarin expliciet aandacht gegeven wordt aan morele preferenties en hun betekenis voor het economische handelen. Er wordt beargumenteerd dat de NIE veel heeft bijgedragen aan de terugkeer van ethiek in de 'mainstream' van de economische wetenschap en dat ze belangrijke aanzetten geeft voor een verbreding van het traditionele paradigma van de neo-klassiek economie. De toenemende ontvankelijkheid van de 'morele dimensie' in de economie en in het publieke debat biedt nieuwe kansen voor het christelijk-sociaal denken. Tegelijk zijn veel van de idealen en doelen van de christelijk-sociale beweging, althans in eigen land, gerealiseerd en is er sprake van een zekere erosie van traditionele maatschappelijke structuren, gewoonten en instituties. Als gevolg daarvan bevinden het christelijk-sociaal denken en de christelijksociale beweging zich op een keerpunt. In het artikel worden aanzetten gegeven voor antwoorden van het christelijk-sociaal denken en de christelijk-sociale beweging op een viertal maatschappelijke ontwikkelingen: institutionele ontzuiling, de tendens dat mensen hun keuzes vooral zelf—onafhankelijk van authoriteiten — zullen maken, toenemende internationalisering van het leven en 'decentralisatie' van de ethiek.


Het onderwerp dat de laatste maanden het debat onder economen lijkt te hebben beheerst, is dat van de 'Nieuwe Economie'. De nieuwe economie staat voor een radicaal andere fase in de economische werkelijkheid. De benutting van informatie- en communicatietechnologie leidt tot geheel nieuwe kansen en mogelijkheden in het economisch verkeer, waardoor de economie op een structureel hogere groei zal kunnen rekenen. Bovendien zou de traditionele afwisseling van hoog- en laagconjunctuur voorbij zijn. Dit alles kan plaatsvinden bij een lage inflatie. Als verklaring voor de nieuwe economie wordt gewezen op de nu al jarenlang aanhoudende economische groei in de Verenigde Staten, een ontwikkeling waarvoor oude inzichten en opvattingen niet meer toereikend zouden zijn. Er is dus iets heel nieuws aan de gang. De aandelen van ondernemingen die tot de nieuwe economie behoren doen het de laatste tijd aanzienlijk beter dan die van ondernemingen uit de 'oude economie'. De critici van de nieuwe economie-euforie daarentegen zien wel de betekenis van de ICT, maar achten het zeer wel mogelijk dat er ook in de toekomst sprake zal zijn van verzadigings- en terugvaltendensen in de economie. Zij willen in dit stadium niet vooruit lopen op de vermeende financiële voordelen van de nieuwe economie. Het probleem in dit debat is uiteraard dat het momenteel een beetje koffiedik kijken is. Het is gewoon nog te vroeg voor definitieve conclusies. Toch is er momenteel niet alleen de discussie over de nieuwe economie die de aandacht vraagt. Steeds duidelijker kunnen er in economische beschouwingen geluiden worden vernomen die lange tijd in het debat hebben ontbroken. Het gaat dan om de toenemende betekenis van de ethiek in zowel de economische praktijk als in de economische theorievorming. Het denken over economie en het economische lijkt daarmee in een nieuwe fase terecht te zijn gekomen. Nu gaat het hier niet alleen om een economendebat, maar vooral ook om het verband tussen veranderingen in de 'mainstream' van de economische wetenschap en de betekenis die morele stromingen voor het economiedebat hebben. Tot die stromingen behoort nadrukkelijk ook het christelijk-sociaal denken. In deze bijdrage zal worden stilgestaan bij de nu optredende veranderingen in het economendebat en bij veranderende inzichten in het christelijk-sociaal denken. Ook het christelijk-sociaal denken wordt immers geconfronteerd met een nieuwe maatschappelijke en economische werkelijkheid. De opbouw van dit artikel is als volgt. Allereerst wordt de plaats van de ethiek in 'mainstream' economie van de afgelopen decennia geschetst. Geconcludeerd kan worden dat ethiek in de geschiedenis van de economische wetenschap steeds meer naar de marge is gedrongen. Vervolgens wordt beargumenteerd dat er zowel in het bedrijfsleven als in de economische wetenschap de laatste jaren onmiskenbaar een nieuwe ontvankelijkheid ontstaat voor de morele dimensie in de economie, Deze ontwikkeling gaat gepaard aan erosie van traditionele maatschappelijke structuren, gewoonten en oude instituties. Dit betekent dat het christelijk-sociaal denken als maatschappelijke en morele stroming zich op een keerpunt bevindt. Aan het slot van het artikel worden aanzetten gegeven voor antwoorden van het christelijk-sociaal denken en de christelijksociale beweging op een viertal maatschappelijke ontwikkelingen.

De vrije hand
Toen de grondlegger van de moderne economie, Adam Smith, aan het einde van de achttiende eeuw zijn pleidooi hield voor de vrije hand in de economie — het koersen op het kompas van maximale vrijheid voor de economische subjecten waardoor uiteindelijk het belang van allen zou zijn gediend — was dat niet louter een economischtheoretische beschouwing. Het ging Smith niet alleen om economisch welbevinden, maar evenzeer om het recht doen aan morele kwaliteit. Voorafgaand aan het bekende boek An Inquiry into the Causes of the Wealth ofNations (Smith 1776) schreef hij immers een ander boek: The Theory of Moral Sentiments (Smith 1759). Voor Adam Smith kon de vrijheid in het economisch verkeer niet los worden gezien van morele kwaliteit. In de negentiende eeuw vormde de vrije of onzichtbare hand echter het belangrijkste leidende principe in de economische praktijk van het westen. Zichtbare resultaten werden geboekt ten aanzien van technologische ontwikkeling en economische groei, maar tegelijk was er ook sprake van een zichtbare schaduwzijde in de vorm van een ernstige 'Sociale Quaestie'. De Industriële Revolutie kon onder andere ontstaan door de radicale scheiding van kapitaal en arbeid, door ongebonden vrijheid in het economisch verkeer en door aanvankelijke afwezigheid van tegenwicht biedende krachten die deze ongebondenheid aan de kaak stelden. Het industriële kapitalisme en de nachtwakerstaat boden overigens ook weer de kiemen voor nieuwe stromingen: het marxisme (en later de sociaal-democratie) en de christelijk-sociale stroming (waarvan de geestelijke wortels uiteraard veel dieper liggen). Via regelgeving door de overheid dan wel door bedrijfsorganisatie - gemeenschappelijk overlegkaders van werkgevers en werknemers - werd getracht de uitwassen van het vrije marktsysteem te beteugelen. Maar de sociale wetgeving en de kaders van overleg (die later in Nederland zouden uitmonden in 'het poldermodel') namen op zichzelf niet weg dat er een scheiding bleef bestaan tussen de vrije hand en de 'morele sentimenten'. Zodoende ontstond lange tijd het beeld dat ondernemingen werken voor de markt, met het doel te voorzien in voldoende rendement en continuïteit binnen de regels die door overheid en CAO- en andere onderhandelingspartijen worden gesteld. Een thema als dat van de maatschappelijke verantwoordelijkheid van de onderneming bleef dan ook lange tijd onbesproken. Ook in de theorievorming ontstonden visies waarin Adam Smith's combinatie van 'vrije hand' en 'morele sentimenten' ontbraken. Zo was de Keynesiaanse beleidsfilosofie geënt op de gedachte van de volledige kenbaarheid van het economisch proces en op de overtuiging dat via gerichte sturing van met name de overheid correcties op dat economisch proces konden worden aangebracht. De Keynesiaanse benadering liep in de jaren zeventig van de twintigste eeuw stuk op de harde feiten. Maakbaarheid via de overheid kwam in het gedrang en er deden zich ontwikkelingen voor die niet pasten in de theorie, zoals de combinatie van inflatie en stagnatie ('stagflatie'). Dit leidde tot de opkomst van de neo-klassieke economische benadering in de beleidspraktijk. In die benadering — die haar wortels heeft in het neo-klassieke paradigma, waarover later meer—is de overheid niet de probleemoplosser maar veeleer de probleemschepper. De welvaart is volgens deze visie het beste gediend met het efficiënte coördinatiemechanisme van de markt. De aanbodkrachten in de economie moest dus juist zo veel mogelijk vrijheid worden gelaten; (overheids)regulering is het zand in de raderen van het marktmechanisme. Deze visiewending maakte de weg vrij voor 'grote operaties' zoals privatisering, deregulering, decentralisatie en afslanking van de overheid. Meer 'vrije hand' in de economie werd absoluut noodzakelijk geacht. Een van de kernboodschappen was dan ook dat 'rigiditeiten' voor de marktwerking, om het even of die nu van overheid of sociale partners afkomstig waren, dienden te worden weggenomen. Dit denken beleefde zijn hoogtepunt in de Verenigde Staten en Groot-Brittanië in de jaren tachtig, ten tijde van respectievelijk de 'Reagonomics' en het 'Thatcherism', en in Nederland gedurende eerste helft van de jaren negentig, toen de 'stroperige overlegeconomie' het moest ontgelden en het beleid in het teken kwam te staan van 'Marktwerking, deregulering en wetgevingskwaliteit'. Toch lijkt het tij ook nu weer te keren. Wat doet zich voor?

De terugkeer van de ethiek
In het bedrijfsleven is de laatste jaren onmiskenbaar een ontwikkeling aanwezig waarin steeds grotere waarde wordt toegekend aan bedrijfsethiek. In het oog springend was uiteraard de gedragscode van Shell die werd aangescherpt na de publieksacties rondom de Brent Spar-affaire — het olieplatform dat in de Atlantische Oceaan zou worden afgezonken — en de maatschappelijke weerstand rondom de dood van de mensenrechtenactivist Ken Saro Wiwa. Soms wordt een dergelijke aanscherping van de gedragscode afgedaan als louter een noodzakelijke reactie op maatschappelijke druk en als instrument om (nog beter) economisch te presteren. Hoewel economische overwegingen uiteraard nimmer mogen en kunnen worden veronachtzaamd, lijkt er toch meer aan de hand. Binnen Shell werd aangegeven dat de onderneming van de samenleving een 'licence to operate' heeft gekregen en dat dit nu juist verantwoord maatschappelijk gedrag veronderstelt. Tal van andere ondernemingen hebben inmiddels ook codes opgesteld of aangescherpt: banken die niet langer zaken willen doen met cliënten die hun vermogen via drugshandel hebben bereikt, ondernemingen die aangeven geen kleding te zullen verkopen die via kinderarbeid tot stand is gekomen, winkeliers die nieuwe strategieën volgen met betrekking tot afvalmateriaal, bedrijven die nadrukkelijk meer op milieugebied presteren dan waartoe de wetgeving verplicht. De lijst kan gemakkelijk worden aangevuld. 'Integrity consulting' wordt een bloeiende dienstverleningstak. Een nieuwe organisatie als 'Transparancy International' dringt aan op een open, transparante en ethische opstelling van bedrijven naar de samenleving. Meer en meer lijken de 'Free Hand' en de 'Moral Sentiments' in de economie weer op elkaar betrokken te worden. Dit laatste lijkt ook te gelden voor de theoretische visies op de economie. Lange tijd waren bijvoorbeeld waarden en normen een 'datum' voorde economische wetenschap: de econoom weet dat waarden en normen bestaan, maar daar doet hij geen uitspraken over, ze zijn voor hem een gegeven. Ethiek was meer iets voor politici of voor economische politiek. Binnen de economische faculteit van de Vrije Universiteit is er enkele decennia geleden het debat gevoerd tussen de normatieve en de positieve wetenschapsbeoefenaren. De scheiding tussen positieve en normatieve wetenschap, die zijn wortels heeft in het werk van John Stuart Mill, voert in essentie terug op wat wel eens "Hume 's guillotine" is genoemd (Black 1970: 24; zie tabel 1): een door David Hume in zijn Treatise ofHuman Nature gepropageerde strikte scheiding tussen feiten en waarden.

Tabel 1. 'Hume 's guillotine'

positief:                                       normatief:
is                                                 behoort 
feiten                                          waarden
objectief                                      subjectief
descriptief                                   prescriptief
wetenschap                                kunst/ambacht
waar/niet-waar                           goed/slecht

Een VU-econoom als T. P. van der Kooy, die het bij voortduring had over 'de ethische norm en het economisch leven' en 'de norm der gerechtigheid en de economie' (Van der Kooy 1954), behoorde tot de 'normatieve' groep. Aan de VU werd uiteindelijk echter de rol van de tweede groep dominant. De econoom Bob Goudzwaard, die met zijn pleidooien voor de 'economie van het genoeg' en voor het 'voorzorgbeginsel' (Goudzwaard 1976,1992; Goudzwaard en de Lange 1986) eveneens stelling nam tegen Hume's guillotine, was werkzaam bij de sociale faculteit, niet bij de economische faculteit. De VU is in dit opzicht niet bijzonder: met name vanaf de jaren '50 werd het enthousiasme voor de nieuwe Keynesiaanse inzichten groot en de opvatting dat economische theorie, met een steeds sterker mathematische inslag, waardenvrij zou moeten zijn werd de algemene norm. 'Normatieve' economen, zoals Goudzwaard, werden luizen in .de pels—gewaardeerde luizen, dat wel (Visser 1999). Er zijn echter veel aanknopingspunten voor de stelling dat de economische theorievorming in een nieuwe fase terecht is gekomen. In meer algemene zin kan worden gesignaleerd dat de laatste jaren de aandacht voor normen en waarden in de economie aanzienlijk is toegenomen. Deze hernieuwde aandacht voor normen en waarden kan voor een groot deel op het conto van de zogenaamde 'Nieuwe Institutionele Economie' worden geschreven. Instituties worden wel gedefinieerd als naar tijd en plaats gebonden sociale constructies, die het menselijk gedrag het verloop en de uitkomsten van sociaal handelen in belangrijke mate structureren. Het daarbij om formele regels, organisatorische structuren, informele gedragspatronen, maar ook waarden en normen (North 1990). De Nieuwe Institutionele Economie (NIE), waarvan Douglas North (1990) en Oliver Williamson (1985) de belangrijkste 'founding fathers' zijn, stelt twee, met elkaar samenhangende, belangrijke uitgangspunten van het traditionele 'positieve' paradigma van de neo-klassieke economie ter discussie: (1) het axioma van de rationele economische actoren met consistente en stabiele preferenties en (2) het gegeven-zijn van feitelijke normen. Kernachtig geformuleerd betekent dit dat de neo-klassieke economie uitgaat van individuen — consumenten en producenten — die met schaarse middelen (inkomen) en op basis van gegeven preferenties op een consistente, dat is rationele, manier hun doelen proberen te bereiken, c.q. hun behoeften proberen te bevredigen, door te handelen. Dit handelen, in de theorie vertegenwoordigd door een representatief individu — de homo economicus — is het primaire object van onderzoek in de economie. Het doel van dit economisch handelen bestaat uit het maximaliseren van nut, (mathematisch) geformaliseerd in een nutsfunctie, waarbij het nut voor consumenten doorgaans is gedefinieerd in termen van consumptiegoederen en voor producenten in termen van te maken winst. Het economisch handelen wordt gecoördineerd door prijsprikkels die op hun beurt voortvloeien uit de interactie van vraag en aanbod op markten. Een belangrijke omissie in dit standaard neo-klassieke model is de afwezigheid van transactiekosten, dat wil zeggen kosten die inherent zijn aan de interacties van vraag en aanbod. Het tot stand komen van zo'n interactie kunnen we opvatten als een 'contract'. Vrijwel alle' contracten' die in de economie worden gesloten zijn incompleet: ze bevatten niet alle effecten van een aankoop en verkoop op derden (bijvoorbeeld de buren of het milieu) en ook de mogelijke gevolgen van onvoorziene gebeurtenissen, malversaties en onvolledige informatie zijn vaak niet tot in detail vastgelegd. De reden is simpel: de kosten om dat wel te doen — de transactiekosten — zouden veel te hoog zijn. Gelukkig zijn er normen. Normen fungeren als een substituut voor complete contracten: het zich conform normen gedragen (bijvoorbeeld door elkaar niet op te lichten) draagt bij aan een soepele interactie tussen vraag en aanbod. "Normen vullen de gaten van ontbrekende markten in incomplete contracten. Ze zijn daarmee een productieve factor — het sociale kapitaal" (Bovenberg en Van de Klundert 1999). De NIE nu richt zich op de link tussen instituties en transactiekosten in de economie. Normen en waarden worden expliciet tot die instituties gerekend. Daarmee behoren normen, of morele preferenties, niet langer tot de 'data' die de econoom voor gegeven houdt, maar krijgen ze een expliciete plaats in de mainstream van de economische analyse. Die analyse heeft onder andere betrekking op het bestuderen en verklaren van de ontwikkeling van normen in het economisch handelen (bijvoorbeeld altruïsme versus opportunisme), de wisselwerking tussen markten en morele preferenties (worden normen altijd verzwakt door meer marktwerking, of kunnen ze er ook door worden versterkt?) en de rol van begrensde rationaliteit in het economisch handelen. Een belangrijk veld van onderzoek in dit verband is de (evolutionaire) speltheorie waarin (strategisch) gedrag onder verschillende vormen van rationaliteit en (niet-stabiele) preferenties bestudeerd wordt door middel van mathematische modellen (zie Bowles en Gintis 1998, Van de Klundert 1999). Samenvattend kan gesteld worden dat via de NIE ethiek en sociale normen weer een plaats lijken te krijgen in de mainstream economie (zie ook Hausman en McPherson 1993). Daarmee wordt economie weer politieke economie (Bowles en Gintis 1993). Tevens lijkt NIE daarmee ook Hume 's guillotine te ontmantelen. Tot slot levert de NIE een belangrijke bijdrage aan het verbreden van het traditionele economische paradigma dat is gecentreerd rond de homo economicus, een ontwikkeling overigens met een lange voorgeschiedenis (zie o.a. Sen 1977, 1987) en die breder is dan de NIE. Een van de duidelijkste voorbeelden van dit laatste is het boek The Moral Dimension van de gemeenschapsdenker Amitai Etzioni (1988). Daarin wordt de economische theorie niet ontdaan van morele overwegingen, maar wordt juist gezocht naar een verbinding tussen economie en 'morele sentimenten'. Etzioni's benadering is sterk communitaristisch gekleurd, anders gezegd: zijn opvattingen zijn nadrukkelijk een uiting van een interdisciplinair gemeenschapsdenken. Opnieuw kan opgemerkt worden dat Etzioni's analyse serieus wordt genomen in de economische literatuur (Khalil 1997). Binnen de economische wetenschap komt dus meer ruimte voor de morele dimensie van het economisch handelen. Dit loopt parallel met de aandacht voor de morele dimensie in de economische praktijk. Waar bijvoorbeeld CAO-afspraken en overleg via Sociaal-Economische Raad en Stichting van de Arbeid eerder werden afgedaan als 'rigiditeiten' die de marktwerking belemmeren, wordt nu juist meer gewezen op de positieve betekenis, ook in economisch opzicht, van dergelijke instituties. De internationale belangstelling voor het Nederlandse poldermodel, met al zijn overleg- en coördinatiemechanismen, vanaf de zomer van 1996, kwam primair voort uit de kennelijk veronderstelde samenhang tussen de typisch Nederlandse sociaal-economische ordening en de internationaal gezien opmerkelijke economische 'performance'. Instituties van het poldermodel passen eigenlijk minder goed in bijvoorbeeld louter Keynesiaanse of neoklassieke oriëntaties Wat betreft de morele dimensie mag het opvallend worden genoemd dat diverse nieuwe begrippen hun intrede in de theorievorming hebben gedaan. De managementgoeroe Peter Drucker wees er een aantal jaar geleden op dat 'verantwoordelijkheid' het richtinggevende principe zal worden van de kennissamenleving van de eenentwintigste eeuw (Drucker 1993). Juist nu de rol van nationale overheden door internationaliseringsprocessen wordt teruggedrongen groeit er een nieuwe, maatschappelijk verantwoorde rol voor ondernemingen en instellingen. Naast het begrip verantwoordelijkheid, behoort de factor 'vertrouwen' al helemaal tot de huidige economische vocabulaire. Fukuyama's boek Trust (1995) heeft daar ontegenzeggelijk aan bijgedragen. Zijn stelling is dat landen waar vertrouwen bestaat en is geïnstitutionaliseerd het in economisch opzicht aanmerkelijk beter doen dan landen waar dat niet het geval. Maar ook schrijvers als Peyrefitte (1995) en Putnam (1993) wijzen op de economische betekenis van 'vertrouwen'. Tenslotte valt in toenemende mate het woord 'integriteit' te beluisteren. Tenminste een deel van de Azië-crisis, en dan meer in het bijzonder de positie van Japan, wordt toegeschreven aan een tekort aan integriteit van de top van het bedrijfsleven. Door de institutionele economie en door het gebruik van begrippen als verantwoordelijkheid, vertrouwen en integriteit ontstaan nieuwe perspectieven, zowel in de economische praktijk als in de economische theorievorming. Hoewel er ook sprake is van tegengestelde ontwikkelingen, zoals de toenemende invloed van het Angelsaksische aandeelhoudersdenken, kan toch geconcludeerd worden dat er een nieuwe ontvankelijkheid ontstaat voor de morele dimensie in de economie, waardoor in feite de vrije hand en de morele sentimenten weer meer direct op elkaar betrokken raken. Thema's als maatschappelijke verantwoordelijkheid, persoonlijke ontplooiing en verantwoordelijkheid, en ethiek lijken aan belang te winnen. Die ontwikkeling gaat gepaard aan erosie van traditionele maatschappelijke structuren en gewoonten. Een deel van de oude instituties komt aan het einde van hun levenscyclus. Dit alles roept de vraag op naar de plaats en taak van het christelijk-sociaal denken in een samenleving die in hoog tempo verandert.

Christelijk-sociaal denken op een keerpunt
Het moderne christelijk-sociaal denken ontstond in de loop van de negentiende eeuw. Het was een stroming waarin de maatschappelijke toestanden van die tijd werden gehekeld. Een beweging als die van het Reveil verzette zich tegen de uitwassen van een sociaal-economische structuur die veel onbillijkheden kende. Als verklaringsfactor werd steeds gewezen op het morele en religieuze tekort in die dagen. Gaandeweg werd het denken over samenleving en economie meer gestructureerd. De grondslagen van samenleving en economie zelf werden ter discussie gesteld; het ging om 'architectonische maatschappijkritiek'. Men kwam op tegen de geest van de Franse Revolutie, tegen ongebonden kapitalisme van de liberalen en tegen het idee van de klassenstrijd van de socialisten. Men bepleitte emancipatie van achtergestelde groepen—de 'kleine luyden' — gelijkstelling van openbaar en bijzonder onderwijs, aanpak van de 'Sociale Quaestie'. Op basis van christelijke opvattingen kon een theoretisch concept van de inrichting van de samenleving worden ontwikkeld: de'souvereiniteit in eigen kring'. Sinds 1891, het jaar waarin het (eerste Christelijk-) Sociaal Congres werd gehouden en de encycliek Rerum Novarum verscheen, ging het in de christelijk-sociale beweging om drie zaken. In de eerste plaats ging het om het ontwikkelen van visies op de structuur van samenleving en economie. Met name Kuyper, Dooyeweerd en Slotemaker de Bruine moeten in dat verband worden genoemd. Met het leerstuk van 'siek' wist men eigen en herkenbare alternatieven te ontwikkelen voor sociaal-democratische en liberale ordeningsopvattingen. In de tweede plaats werd praktische maatschappelijke actie noodzakelijk geacht. Daartoe werden tal van organisaties in het leven geroepen die zich vanuit een christelijke grondslag bezighielden met het desbetreffende werkterrein. De oprichting van deze organisaties leidde tot de verzuiling van de samenleving. In de derde plaats werd meegewerkt aan de totstandkoming van wetten en regels die richting gaven aan maatschappelijke ontwikkelingen: sociale wetgeving, algemeen kiesrecht, onderwijsen omroepwetgeving, bedrijfsorganisatie, enzovoorts. Protestanten en rooms-katholieken (die zich lieten leiden door beginselen als solidarisme, subsidiariteit en personalisme) werkten daarbij regelmatig samen. Na de Tweede Wereldoorlog wees de toenmalige CN V-voorzitter Ruppert nog eens op de vijf wezenlijke aspecten van 'christelijk-sociaal': steeds acht blijven slaan op de 'eeuwigheidsbestemming' van de mens, de waardigheid van ieder mens respecteren, de samenwerking tussen mensen bevorderen, ruimte bieden voor het werk van maatschappelijke verbanden en de toestanden "steeds meten aan de gerechtigheid". Deze elementen onderstrepen het feit dat christelijk-sociaal denken niet statisch is, maar dynamisch. De thema's waarmee het christelijk-sociaal denken zich in de twintigste eeuw heeft beziggehouden kennen de nodige dynamiek: sociale zekerheid, bedrijfsorganisatie, later ontwikkelingslanden en milieu en weer later de situatie van landen in Midden- en Oost- Europa. Hoewel er dus een aantal 'constanten' aanwezig zijn in het christelijk-sociaal denken, is er steeds de plicht het eigen denken opnieuw te spiegelen aan de veranderingen in samenleving en economie.

Wat betreft dit laatste heeft het christelijk-sociaal denken momenteel een typische positie. Er lijkt zelfs sprake van een zekere spagaat. Aan de ene kant biedt de toenemende relevantie van de 'morele dimensie' in het publieke debat nieuwe kansen voor dit denken. Steeds meer worden mensen, groepen en instellingen teruggeworpen op de bronnen van moraliteit. New Age lijkt over zijn hoogtepunt heen en er groeit nieuwe affiniteit voor — ook — het Christendom. Aan de andere kant zijn veel van de idealen en doelen van de christelijk-sociale beweging, althans in eigen land, gerealiseerd. Dat geldt bijvoorbeeld voor diverse sociale doelen. De instituties, en dan met name op sociaal-economisch terrein, zijn opgehouden te bestaan en maken nu — met uitzondering van de vakbeweging — onderdeel uit van grotere verbanden. Net zoals de mainstream onder economen verandert, zullen ook veranderingen gaan optreden voor het christelijk-sociaal denken en de christelijk-sociale beweging. Daarbij staan niet de christelijk uitgangspunten ter discussie — zie onder andere Ruppert — maar wel de wijze waarop dit type denken vormt dient te krijgen in een radicaal andere omgeving. Aan welke veranderingen moet dan met name worden gedacht? Tenminste vier ontwikkelingen springen in het oog. In de eerste plaats blijft er sprake van een institutionele ontzuiling. De vanzelfsprekendheid waarmee organisatievorming op christelijke grondslag in de twintigste eeuw gestalte kon krijgen, is verdwenen. Dat sluit nieuwe organisatievormen geenszins uit, maar het zal anders zijn. In veel gevallen zal het christelijk-sociaal denken binnen en vanuit algemene organisaties vorm en inhoud moeten krijgen. Denktanks, bezinningscentra, instituten kunnen daarbij belangrijke activiteiten verrichten mits zij een duidelijke verankering kennen binnen de betreffende organisaties en met een inhoudelijk commitment van de betrokken besturen. Reële mogelijkheden van beleidsbeïnvloeding dienen aanwezig te zijn. In meer algemene zin zal er aanzienlijk meer werk gemaakt moeten worden van het morele debat, een debat over de betekenis van christelijk-sociale uitgangspunten in een nieuwe maatschappelijke werkelijkheid. Dergelijke debatten zullen de afzonderlijke sectoren kunnen overstijgen. Nieuwe communicatievormen kunnen daarbij ondersteunend werken. Ook is het nodig te werken aan nieuwe theoretische concepten over onderwerpen als het rationeel-calculerende danwel het relationele mensbeeld, de toekomst van de onderneming, taak en plaats van maatschappelijke organisaties, de relatie tussen individuele keuzevrijheid ('maatwerk') en de betekenis van collectieve arrangementen. In de tweede plaats zijn er wereldwijd tendensen aanwezig die markeren dat mensen hun keuzes vooral zelf zullen maken, zonder daarbij door 'autoriteiten' voor de voeten te worden gelopen. Shell spreekt in zijn jongste toekomstscenario in dat verband van 'People's Power'. Dit veronderstelt dat er nieuwe christelijk-sociale impulsen, voorbeelden en begrippen komen die mensen raken en die andere perspectieven bieden dan bijvoorbeeld louter materiële kwesties met een korte termijn karakter. Onderwerpen als integriteit, vertrouwen, maatschappelijke verantwoordelijkheid houden velen bezig, maar de discussie wint aan betekenis wanneer de aandacht voor de 'morele bronnen' aanzienlijk wordt versterkt. Christelijk-sociaal denken zal veel meer 'van onderop' gestalte moeten krijgen, omdat mensen zelf veranderen en omdat veel traditionele kaders zijn weggevallen en niet meer in dezelfde vorm zullen terugkeren. Essentieel is de vraag hoe de economische instituties van de toekomst recht zullen doen aan persoonlijke en maatschappelijke verantwoordelijkheid, integriteit en dergelijke. Op dit punt kan een zinvol debat plaatsvinden met neoklassieke en (neo-)institutionele economen. In de derde plaats zal het leven, mede door de ICT, steeds meer internationaliseren. Dat kan overigens goed samengaan met de belangstelling voor eigen taal, cultuur en geschiedenis — waarschijnlijk zal die belangstelling eerder toe- dan afnemen — maar het leven wordt wel steeds meer beheerst door ontwikkelingen die duidelijk verder gaan dan de eigen landsgrenzen. De opbouw van de christelijk-sociale beweging — in relatie tot de sociale kwestie, de schoolstrijd en het kiesrecht — was primair een nationale zaak. De verzuiling was een Nederlands fenomeen. Toch mogen ook de internationale aspecten in die tijd niet worden veronachtzaamd. Denk aan de pauselijke encycliek Rerum Novarum (1891), de inzichten over rechtvaardigheid die in andere landen opkwamen en de contacten met 'voorlieden' en collega's uit andere landen. Op dit moment en in de toekomst worden maatschappelijke en sociaal-economische ontwikkelingen steeds meer internationaal bepaald. Indien collectieve arrangementen nodig zijn, zal er gekeken moeten worden naar internationale kaders: instellingen van de Europese Unie, OESO, IMF en dergelijke, de internationaal opererende Niet-Gouvernementele Organisaties, ondernemingsraden van internationale ondernemingen, gedrags- en bedrijfscodes in het bedrijfsleven. Het is de vraag of in de huidige samenleving een christelijk-sociale instelling vergelijkbaar met de Liberale Internationale erg zinvol is. Wel zullen nieuwe internationale samenwerkings- en communicatievormen tot stand moeten komen, die met name het internationale morele debat kunnen stimuleren. Dan ontstaan ook de goede kaders voor leerprocessen,'bestpractices' en het ontwikkelen van landsgrensoverschrijdende ideeën. In de vierde plaats kan een ontwikkeling worden waargenomen — het kwam reeds eerder ter sprake—die kan worden aangeduid als' decentralisatie van ethiek': ondernemingen die zelf hun ethische codes opstellen, maatschappelijke debatten via fora en internet over uiteenlopende (morele) kwesties, elektronische referenda. Dit impliceert dat christelijk-sociaal denken meer dan nu 'van onderop' moet gaan leven. De betekenis van waarden en normen wordt meer en meer onderstreept, maar de vraag om welke waarden en normen het nu precies gaat en welke consequenties daaraan kunnen worden verbonden voor beleid, afspraken, gedragscodes blijft niet zelden onbeantwoord. De uitdaging is nu juist na te gaan wat duurzaamheid, rechtvaardigheid, solidariteit, persoonlijke verantwoordelijkheid, inzet voor anderen in theoretische concepten én de concrete werkelijkheid kan betekenen. Het keerpunt voor het christelijk-sociaal denken bestaat erin dat bij realisatie van wat destijds is beoogd de aandacht nu dient te worden gericht op nieuwe tekorten in de samenleving en — positief geformuleerd — op de eigen inbreng in het debat over de morele dimensie. Nu de morele dimensie steeds meer in het maatschappelijk leven voorop komt te staan, is er alle reden dergelijke zaken uit de privé-sfeer te trekken en voluit naar voren te laten komen in een nieuw maatschappelijk debat. Daarmee wordt ook het christelijksociaal denken weer teruggeworpen op de eigen christelijke bron. Dat is trouwens ook hard nodig, wanneer men in de nieuwe maatschappelijke omgeving cultuurkritiek wil leveren.

Conclusie
De economie kent geen 'ethische constante'. In de geschiedenis van de economische wetenschap zijn de 'vrije hand' en de 'morele sentimenten' afwisselend op elkaar betrokken en gescheiden geweest. Waren zij bij Adam Smith nadrukkelijk verbonden, later raakten zij verder uit elkaar. Dit gold ook de economische praktijk. Ten tijde van de industriële revolutie kreeg de vrije hand alle ruimte en sneeuwde de morele dimensie in de economie onder. Mede dankzij morele en maatschappelijke tegenbewegingen als het socialisme, Marxisme en de christelijk-sociale beweging werd de vrije hand beteugeld. Maar de sociale wetgeving en de kaders van overleg namen op zichzelf niet weg dat er een scheiding bleef bestaan tussen de vrije hand en de 'morele sentimenten'. Sinds halverwege de jaren zeventig krijgt de 'vrije hand' in de economie steeds meer ruimte door het wegnemen van 'Keynesiaanse rigiditeiten' ten gunste van marktwerking en deregulering. In de economische wetenschap werd de ethiek als normatieve wetenschap in toenemende mate naar de marge gedrongen door de positieve wetenschapsbeoefening. In dit artikel is beargumenteerd dat dit tij bezig is te keren. Er is onmiskenbaar sprake van een terugkeer van de ethiek in de economische praktijk en wetenschap. Dit blijkt uit de toenemende aandacht voor bedrijfsethiek waarin thema's als maatschappelijke verantwoordelijkheid en integriteit centraal komen te staan. Het blijkt ook uit de opkomst van de nieuwe institutionele economie waarin expliciet aandacht gegeven wordt aan ethiek en waardoor morele preferenties terug keren in de mainstream economische wetenschap. De toenemende ontvankelijkheid van de 'morele dimensie' in de economie en in het publieke debat biedt nieuwe kansen voor het christelijk-sociaal denken. Tegelijk zijn veel van de idealen en doelen van de christelijk-sociale beweging, althans in eigen land, gerealiseerd en is er sprake van een zekere erosie van traditionele maatschappelijke structuren, gewoonten en instituties. Als gevolg daarvan bevinden het christelijk-sociaal denken en de christelijk-sociale beweging zich op een keerpunt. Net zoals de mainstream onder economen verandert, zullen ook veranderingen gaan optreden voor het christelijk-sociaal denken en de christelijk-sociale beweging. Daarbij staan niet de christelijk uitgangspunten ter discussie, maar wel de wijze waarop dit type denken vormt dient te krijgen. In het artikel zijn aanzetten gegeven voor antwoorden van het christelijk-sociaal denken en de christelijk-sociale beweging op een viertal maatschappelijke ontwikkelingen. In antwoord op de institutionele ontzuiling zal het christelijk-sociaal denken binnen en vanuit algemene organisaties vorm en inhoud moeten krijgen en zal er meer werk gemaakt moeten worden van een moreel debat over de betekenis van christelijk-sociale uitgangspunten voor de maatschappij. In antwoord op de toenemende individualiteit en afnemende rol van autoriteit ten aanzien van het maken van keuzen zal het christelijk sociaal denken veel meer 'van onderop' gestalte moeten krijgen. Dit kan onder andere door het versterken van de 'morele bronnen' in het publieke debat over onderwerpen als integriteit, vertrouwen en maatschappelijke verantwoordelijkheid. In antwoord op de toenemende internationalisering zullen nieuwe internationale samenwerkings- en communicatievormen tot stand moeten komen, die met name het internationale morele debat kunnen stimuleren. Het is echter nog maar de vraag of in de huidige samenleving een christelijk-sociale instelling vergelijkbaar met de Liberale Internationale erg zinvol is. In antwoord op de 'decentralisatie van ethiek' zal het christelijk-sociaal denken meer dan nu concreet moeten aangeven welke waarden en normen nu precies van belang zijn en waarom en welke consequenties daaraan kunnen worden verbonden voor beleid, afspraken en gedragscodes. Een onderwerp waar nieuwe economische inzichten en de morele dimensie samenkomen is dat van marktwerking en privatisering. Sinds de eerste helft van de jaren negentig is in Nederland in het beleid veel aandacht gegeven aan 'Marktwerking, deregulering en wetgevingskwaliteit'. De ervaring met privatisering van het kabelnet, het openbaar vervoer, de energiesector en de sociale zekerheid leert dat de gewenste resultaten lang niet altijd gerealiseerd worden. Wat zich hier wreekt, is het gebrek aan een coherente visie op de onderscheiden maatschappelijke sectoren, op de principes die in deze sectoren voorop behoren te staan en op de verschillende taken die organisaties hebben te verrichten. Bij het laatste moet dan gedacht worden aan overheidsinstellingen die de typisch publiekrechtelijke taken vervullen, commerciële ondernemingen die voor de markt werken en maatschappelijke instellingen (of'maatschappelijke ondernemingen') die zakelijk en efficiënt 'publieke domein taken' vervullen maar waarbij eventuele winsten niet wegvloeien naar de aandeelhouders maar behouden blijven voor het maatschappelijke doel dat deze instellingen hebben te behartigen. De christelijk-sociale visie op de spreiding van verantwoordelijkheden blijkt hier plotseling verrassend actueel. Soms schieten marktprikkels gewoon tekort, louter omdat het in bepaalde sectoren om andere doelstellingen en werkmethoden gaat en moet gaan. Juist waar publieke aspecten in het geding zijn, zouden morele categorieën in de zin van persoonlijke en institutionele verantwoordelijkheid, vertrouwen en integriteit wel eens veel relevanter kunnen zijn dan de lange tijd gepropageerde marktwerking. In de veranderende maatschappelijke en economische omgeving heeft het christelijk-sociaal denken vooral tot taak nieuwe inzichten aan te dragen. Aan het begin van een nieuwe eeuw is dat een belangwekkend perspectief.

Literatuur
Blaug, M. 1992. The Methodology of Economics: Or How Economists Explain. Cambridge: Cambridge University Press. Black, M. 1970. Margins of Precision. Essays in Logic and Language. Ithaca: Cornell University Press. Bovenberg, A. L. en Th. C. M. J. van de Klundert. 1999. Christelijke traditie en neoklassieke economie in gesprek. Economisch Statistische Berichten 84: 848-852.
Bowles, S. and H. Gintis. 1993. The Revenge of Homo Economicus: Contested Exchange and the Revival of Political Economy. Journal of Economic Perspectives 7: 83-102.
Bowles, S. and H. Gintis. 1998. The Moral Economy of Communities: Structured Populations and the Evolution of Pro-Social Norms. Evolution and Human Behavior 19: 3-25.
Drucker, P. F. 1993. Post-Capitalist Society. New York: Butterworth-Heinemann.
Etzioni, A. 1988. The Moral Dimension: Toward a New Economics. New York: The Free Press.
Fukuyama, F. 1995. Trust: The Social Virtues and the Creation of Prosperity. Londen: Hamish Hamilton.
Goudzwaard, B. 1976. Kapitalisme en vooruitgang. Assen: Van Gorcum.
Goudzwaard, B. 1992. Inleiding over samenhang tussen de oorzaken van de sociale problemen. In: P. A. G. Cammaert en C. A. van den Berg, red., Congresboek van het Christelijk Sociaal Congres. Kampen: Kok.
Goudzwaard, B. en H. M. de Lange. 1986. Genoeg van te veel — Genoeg van te weinig. Wissels omzetten in de economie. Baarn: Ten Have.
Hausman, D. M. en M. S. McPherson. 1993. Taking Ethics Seriously: Economics and Contemporary Moral Philosophy. Journal of Economic Literature 31: 671- 731.
Khalil, E. L. 1997. Etzioni versus Becker: Do Moral Sentiments Differ from Ordinary Tastes? De Economist 145 (4): 491-520.
Van de Klundert, Th. 1999a. Economic efficiency and ethics. De Economist 147 (2): 127-149.
Van de Klundert, Th., ed. 1999b. Economisering van de samenleving. Tilburg: Centrum voor Wetenschap en Levensbeschouwing, Katholieke Universiteit Brabant.
Van der Kooy, T. P. 1954. Over economie en humaniteit. Wageningen: Zomer & Keuning.
North, Douglas C. 1990. Institutions, Institutional Change and Economic Performance. Cambridge: Cambridge University Press.
Peyrefitte, A. 1995. La société de confiance. Essay sur les origines et la nature du développement. Paris: Seuil.
Putnam, Robert D. 1993. Making Democracy Work. Civic Traditions in Modern Italy. Princeton, NJ: Princeton University Press.
Sen, A. 1977. Rational Fools: A Critique on the Behavioural Foundations of Economic Theory. Philosophy and Public Affairs 6: 317-344.
Sen, A. 1987. On Ethics and Economics. Oxford: Blackwell.
Smith, Adam. 1984. The Theory of Moral Sentiments. Indianapolis: Liberty (D. D. Raphael en A. L. MacFie, eds., oorspronkelijke uitgave 1759).
Smith, Adam. 1970. The Wealth of Nations. London, Penguin Books (A. S. Skinner, ed., oorspronkelijke uitgave 1776).
Visser, Hans. 1999. "Hoedje voor de profeten!" Economisch Statistische Berichten 84 (24): 970-973.
Willamson, Oliver Eaton. 1985. The Economic Institutions of Capitalism. New York: Free Press.


Noten:
Noot van de auteur Jan Peter Balkenende is bijzonder hoogleraar christelijk-sociaal denken over economie en maatschappij aan de Vrije Universiteit te Amsterdam en lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal voor het CDA. Correspondentie richten aan: Prof. mr dr J. P. Balkenende, Paradijsselpark 217, 2904 PA Capelle aan den IJssel;
e-mail: j.balkenende@tk.parlement.nl

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.