+ Meer informatie

IS OUDER WORDEN ALLEEN MAAR EEN ZEGEN?

13 minuten leestijd

Gezegende ouderdom: we kennen die uitdrukking, bijvoorbeeld uit rouwadvertenties van hoogbejaarden. Het wordt dan gezien als een bijzonder geschenk van Boven wanneer iemand een lang leven heeft mogen ontvangen!

Dat geldt zeker daar, waar de gemiddelde leeftijd waarop mensen overlijden veel lager is dan wij in ons deel van de wereld nu gewend zijn. Voor ons zijn zeer hoge leeftijden geen zeldzaamheid meer. De gemiddelde leeftijd van de bewoners van een verzorgingshuis ligt tussen de 85 en 90 jaar! Maar ook in onze tijd zijn er velen die op jongere, soms zeer jonge leeftijd sterven - en in het licht daarvan wordt ook nu het mogen bereiken van zo’n hoge leeftijd positief gewaardeerd. En wie leeft in het geloof spreekt dan dankbaar van een zegen van God. Althans: in het algemeen gesproken! Want er zijn ook omstandigheden die een schaduw kunnen werpen over die dankbaarheid, en waarin de vraag bovenkomt die de titel vormt van dit artikel.

Als oud worden pijn doet…

ledereen wil graag oud worden, maar oud zijn valt niet mee…: ook dat is een bekend gezegde, en het is niet van vandaag of gisteren. In de bijbel horen we al dat verlenging van leven ook verlenging en vermeerdering van moeite betekent. Denk aan Psalm 90 (‘zeventig jaren, tachtig jaren… wat daarin onze trots was is moeite en leed’, v. 10). Lees ook de aangrijpende beeidende tekening in Prediker 12:1-7, waarin de ouderdom getypeerd wordt als ‘kwade dagen’ en ‘jaren waar men geen behagen in heeft’.

Het oud worden kende dus altijd z’n schaduwzijden, en ze zijn nog steeds aanwezig. Denk ook aan de vereenzaming door het wegvallen van de levensgezel(lin), van leeftijdgenoten en soms (heel smartelijk) van eigen kind of kleinkind. Terwijl zij of hij die altijd alleen is gebleven de last daarvan, juist op oudere leeftijd steeds sterker zal voelen.

Daar komen echter in onze tijd een aantal dingen bij die voorheen niet zo golden. De zeer snelle veranderingen in onze wereld maken dat je met je ervaring van vroeger al snel niet meer ‘bij de tijd’ bent. En: naarmate door verbetering van levensomstandigheden en medische zorg de leeftijden hoger worden, nemen ernstige gezondheidsklachten weer toe. De zorgbehoefte groeit - maar tegelijk brengen maatschappelijke Processen (bezuinigingen, 36-urige werkweek) mee, dat er minder zorg en aandacht gegeven kan worden. Overigens hulde aan veel oudere, maar zeker ook jongere medewerkers die blijk geven van een bewonderenswaardige toewijding. Maar op hun stressbestendigheid wordt wel een grote aanslag gedaan. - Er moet in verzorgingshuizen vaker een beroep gedaan worden op kinderen en familie van de bewoners, die - naar mijn ervaring - in veel gevallen grote liefde en trouw bewijzen aan ouders, tantes en ooms in het verzorgingshuis. Daarnaast is er een toenemende behoefte aan de inzet van vrijwilligers. Maar door (alweer) de maatschappelijke ontwikkelingen, bijvoorbeeld het tweeverdiener (moeten) zijn, wordt het moeilijker er voldoende te vinden. Een en ander mag in de christelijke gemeente wel een dringende reden tot diaconale bezinning en zorg zijn.

In dit verband is ook nog te noemen, dat ouderen het in onze tijd, nog meer dan vroeger, moeten beleven en verwerken dat (klein)kinderen kerk en geloof de rug toekeren of in ieder geval wegen gaan waar men moeilijk mee kan instemmen. En hoe moet dan je houding zijn? Wie op hoge leeftijd zelf de rijkdom en kracht van het geloof kent (daarop komt het dan wel aan!), zou daar graag over willen spreken met degenen die je zo na aan het hart liggen. Maar de ervaring leert dat dat vaak op den duur eerder averechts dan positief werkt. Om de relatie niet te verstoren zwijg je dan maar. Toch zit je er wel mee.

En hoe te handelen als je zelf graag naar de kerk zou willen of via kerktelefoon, radio of t.v. een dienst zou willen volgen - maar de kinderen die zelf de kerk links laten liggen willen dán juist op bezoek komen? Toegeven… of vragen om een ander tijdstip van bezoek, met de kans dat er misnoegen ontstaat?

Door al deze dingen - vooral wanneer een aantal ervan bij elkaar komen - kan de ouderdorn zo zwaar drukken dat het soms moeilijk wordt om elke nieuwe dag dankbaar te begroeten en men eerder wenst maar niet meer wakker te worden. ‘Van mij hoeft het niet meer…’ - die verzuchting heb ik als pastor van een verzorgingshuis nogal eens gehoord. Of - minder platvloers en meer vanuit het geloof geformuleerd -: ‘waarom neemt de Here mij niet weg?’ Dan lijkt het wel eens, alsof oud-zijn meer een vloek is dan een zegen…

Nu komt in alle negatieve dingen die genoemd zijn zeker iets uit van wat Paulus zegt - met de paradijsvloek uit Genesis 3 in gedachten - ‘de schepping is aan de vruchteloosheid onderworpen…’ (Rom. 8:20). We ervaren ook in het verouderingsproces met z’n afbraak en aftakeling pijnlijk de gevolgen van en de straf op de zonde. Met al onze medisch-technische mogelijkheden kunnen we daar wel remmend en verzachtend op inwerken, en daarmee de gemiddelde leeftijd aanmerkelijk omhoog brengen - die vermeerdering van jaren brengt ook vermeerdering van lasten mee. En uiteindelijk staan we ook hier dan toch voor de grens van ons kunnen. Dat is voor mensen van deze tijd die geneigd zijn te denken dat lijden niet acceptabel is en dat overal toch een remedie voor moet zijn, moeilijk te aanvaarden. Wie gelooft, zal mogen leren ook hierin te buigen voor Gods grootheid. Maar… moeten we, als het zover is, door de woorden ‘gezegende ouderdom’ dan maar een streep halen? Als ouder worden veelal betekent: minder worden, betekent dat dan ook: minder gezegend worden? Gelukkig niet. Alleen zullen we ons dan wel moeten hoeden voor een te beperkte en ondiepe opvatting van ‘zegen’. Alsof zegen gelijk opgaat (of neergaat) met welzijn?

Gezegende reuma

Die woorden gebruikte een gemeentelid tegenover haar predikant. ‘Ik heb reuma.. maar het is wel gezegende reuma!’ Hoe kan iemand dat zeggen?

Het woord ‘zegen’ heeft in de bijbel een rand en een kern. Tot de rand behoren de zegeningen, de goede dingen van het leven. Maar de kérn, het hart van ‘zegen’ ligt in iets anders. Daarin, dat God er is, en dat Hij in genade bij ons wil zijn. En dat omwille van Jezus, die de vloek over de zonde voor ons gedragen en van zijn diepste kracht beroofd heeft. Het is die zegen die God al aan Abraham beloofd heeft, en die nu in het evangelie naar ons toe komt, en die in het geloof ontvangen wordt: dat God niet meer tegen ons, maar mét ons en vóór ons wil zijn.

Het ontbreken van die zekerheid kan een belangrijke reden zijn waarom ouderdom niet als zegen ervaren wordt. Soms ook door zonden uit het verleden die weggestopt zijn maar die nu gaan opspelen (Psalm 32). In de pastorale zorg komt het er dan op aan, de ander onder Gods zegen te helpen komen tot geloofsovergave aan Christus, en ook bij te staan in twijfel en aanvechting. Het is goed dat er daarbij, waar dat nodig is, mimte is voor persoonlijke biecht én het aanzeggen van de vergeving.

Waar de vrede met God gekend wordt, kunnen we leren om anders met de moeite van het leven, en ook van de ouderdom, om te gaan. Ook als er zegeningen wegvallen, mag ik dan mijn kracht zoeken in het vertrouwen dat God zelf blijft. We kunnen daarbij denken aan woorden uit Psalm 84, het lied van de pelgrims naar de de stad van God. Daar lezen we in vers 7: ‘Als zij trekken door een dal van balsemstruiken (dat moet een dor en heet dal geweest zijn, moeizaam en vermoeiend om doorheen te gaan: dat mogen we dus ook toepassen op de moeiten van de ouderdom) maken zij het tot een oord van bronnen’. Opvallend dat er niet staat: ‘maakt God het tot een oord van bronnen’, maar: ‘maken zij het’. Dat wijst op geloofsactiviteit, geloofswerkzaamheid. Wie op een levenstraject waar de weg zwaar valt, zich in alle aanvechting blijft oefenen in vertrouwen op God, zal ondervinden dat er bronnen opengaan van zegen en kracht. Zoals een lied het zegt: ‘Als God, mijn God maar voor mij is, wat is er mij dan tegen? Dan werken druk en droefenis mij nochtans tot een zegen’ (Gez. 466).

Voorzichtig, maar met overtuiging

Ik schrijf deze laatste regels met voorzichtigheid, en we kunnen in de pastorale zorg aan mensen in de ouderdom deze dingen ook alleen maar met voorzichtigheid naar voren brengen. Doen we dat niet, dan kunnen onze woorden de tegenwerping oproepen: u moest eerst zelf maar eens meemaken hoe moeilijk het allemaal kan zijn, dan zou u niet zo gemakkelijk praten.

Toch mogen we deze dingen wel met overtuiging zeggen, omdat ze waar gebleken zijn. De mevrouw die ik boven citeerde had geen gemakkelijk praten. Zij voelde de pijn van de reuma. Maar ze ervoer in die pijn ook de nabijheid en kracht van haar God - en wist zich daarom, met reuma en al, een gezegend mens. En ik ben dankbaar voor alle oude mensen die ik heb ontmoet en nóg ontmoet, die het in alle moeite van hun ouderdom, niet zonder strijd, toch zó beleefden. Ze herinneren mij aan de woorden van Psalm 92: ‘Zij zullen in de ouderdom nog vrucht dragen, groen en fris zullen zij zijn, om te verkondigen dat de HERE waarachtig is’. Van harte hoop ik dat het mij, wanneer ik zover mag komen, ook zó gegeven wordt. Telkens weer word ik bij mijn eigen bezinning daarop diep getroffen bij het lezen van het schitterende gedicht dat Ida Gerhardt schreef over het oud worden en dat u - met een korte toelichting - in de buurt van dit artikel vindt.

Wij zijn geroepen, elkaar te zegenen

Onze woorden over de zegen van Gods nabijheid zullen krachteloos zijn wanneer ze niet gedragen en bevestigd worden door onze omgang met elkaar. Een omgang waarin we aan de ander de zegen van Gods nabijheid laten voelen door zélf nabij te zijn. Waarin we Gods handen laten zien door de manier waarop wij onze hand uitsteken, om te helpen, of soms alleen maar om met onze hand de hand van de ander vast te houden.

Dat geldt zeker naarmate de moeite van de ouderdom zo groot wordt, en het lijden zo zwaar, lichamelijk en/of mentaal, dat de geloofsactiviteit er a.h.w. door verlamd wordt en het leven zelfs alle zin lijkt te verliezen.

Het zijn vooral die situaties waarin ook door christenen de vraag gesteld wordt: zijn we geroepen om het leven zonder meer te laten voortduren tot het bittere einde, of mogen we het intreden van het einde zelf bevorderen? Het zou de moeite waard zijn dat hierover een afzonderlijk artikel gepubliceerd werd. Zelf wil ik mij beperken tot het volgende.

In feite zijn hier twee vragen aan de orde waar we wel duidelijk tussen moeten onderscheiden:

De eerste is: is het onze christenplicht het leven tot elke prijs te rekken? Moet elke behandeling of medicatie die daartoe mogelijk is, ook beslist worden toegepast of mag daar onder omstandigheden van afgezien worden? Hieronder valt ook de kwestie van het z.g. ‘versterven’: wanneer een bejaarde medemens duidelijk te kennen geeft, geen eten of drinken meer te willen, mag daar dan in berust worden of moeten wij alles doen om het hem of haar toch toe te dienen? Ik kan mij goed vinden in het standpunt van die christen-ethici en -medici die menen dat er omstandigheden zijn waarin wij het levenseinde, wanneer het zich aandient, niet krampachtig moeten willen tegenhouden, maar terzijde moeten treden om ruimte te maken voor het sterven. Daarbij is dan ook geen sprake van euthanasie, actief noch passief.

Dat is wél het geval bij de heel andere vraag: mogen wij in omstandigheden als boven aangeduid zélf iets doen waardoor het einde intreedt, dan wel de ander daarbij behulpzaam zijn? Een snel en gemakkelijk gegeven antwoord op die vraag - zonder dat we de diepte en zwaarte van het lijden op ons laten inwerken - lijkt me ongepast. Toch mag mijns inziens het antwoord niet anders zijn dan een duidelijk ‘neen’. Mits we beseffen dat dat nog maar het begin is van het antwoord dat hier nodig is. Het is al vaak gezegd: de vraag om euthanasie is eigenlijk een schreeuw om levenshulp. En waar die hulp geboden wordt, blijkt de vraag om euthanasie dan ook veelal te verstommen en de gedachte daaraan te verdwijnen.

Dat betekent heel wat. Als ouderdom meer een vloek dan een zegen lijkt te worden is het mee de verantwoordelijkheid van degenen die om de bejaarde mens heen staan - in het kader van dit blad zeg ik dan: de verantwoordelijkheid van ambtsdragers en van de gemeente als geheel - om ervoor te zorgen dat de ouderdom toch gezegend kan zijn, doordat we elkaar die zegen doorgeven. Eén van de dingen die voor veel bejaarden het ouder worden zwaar maken is: dat ze zich laten leiden door de vrees om voor anderen tot last te zijn. Dat willen ze koste wat het kost voorkomen! Het zal onze taak zijn om door onze houding dat gevoel zoveel mogelijk weg te nemen. Nu de professionele zorg voor bejaarde mensen helaas niet die tijd, aandacht en hulp kan bieden die men zou moeten en willen bieden, zal het er op aankomen dat de gemeente laat merken, dat de hoogbejaarden voor haar niet hebben afgedaan, maar er werkelijk bij horen. Neem tijd voor ze, leet met ze mee, wees nabij. Dat zal offers vragen, en wellicht correcties nodig maken op onze levensstijl die, ook onder christenen, vaak zozeer gericht is op het eigen genieten. Maar zou de zorg voor bejaarden niet bij uitstek een terrein moeten zijn waarop in deze tijd het: ‘Gij geheel anders, gij hebt Christus leren kennen’ zichtbaar wordt?

Drs. W. Steenbergen, emeritus-predikant van ‘s-Hertogenbosch, was tot voor kort part-time werkzaam als verpleeghuispastor.

GENESIS

Oud worden is het eindelijk vermogen
ver-af te zijn van plannen en gefallen;
een eindelijke verheldering van ogen
voordat het donker van de nacht gaat vallen.

Het is een opengaan van vergezichten,
een bijna van gehavendheid genezen;
een aan de rand der tijdeloosheid wezen.
Of in de avond gij de zee ziet lichten.

Het is, allengs, een onomstotelijk weten
dat gij vernieuwd zult wezen en herschapen
wanneer men van u schrijven zal: ‘ontslapen’,
wanneer uw naam op aarde is vergeten.

Ida Gerhardt, Verzamelde gedichten, II, 565

Toelichting:

Oud worden - hoe zien wij dat meestal? Het is de tijd waarin je van alles niet meer kunt. Het plannen en berekeningen maken is dan voorbij, en daarmee gaat het leven zelf voorbij. Het moment nadert waarop je vergeten zult zijn.…

Hoe anders wordt het in dit gedicht gezegd. ‘Ver-af te zijn van plannen en gefallen’ is geen onmacht die je moet betreuren, het is een ‘eindelijk vermogen’. Eindelijk ben je zover gevorderd dat je de gevangenis van alle aardse plannen en gefallen achter je kunt laten en vrij bent om oog te hebben voor wat wezenlijk is, voor het vergezicht van Gods toekomst. Wat wacht, is niet het einde maar een nieuw begin - vandaar de titel ‘Genesis’: wording. Voor wie gelooft betekent het sterven het moment dat je genezen zult zijn van alles waardoor je in dit leven zo gehavend werd. Het moment waarop God je zal herscheppen tot díe mens die Hij van je maken wilde.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.