+ Meer informatie

Gisbertus Voetius

5 minuten leestijd

Voetius en de Nadere Reformatie

(IV)

Voetius en de Nadere Reformatie

Gisbertus Voetius bezat, zoals we in voorgaande artikelen gezien hebben, voortreffelijke kwaliteiten op bijna alle terreinen van de theologie. Maar uitzonderlijke bedrevenheid in de dogmatiek, de exegese, het kerkrecht, enz. maken iemand nog geen theoloog van de Nadere Reformatie. Dat laatste is Voetius echter boven alles geweest: de stuwende kracht en de bezielende leider van het Gereformeerde Piëtisme in de Vaderlandse Kerk. En als zodanig verdient hij onze bijzondere belangstelling. Nu moeten we niet de vergissing begaan, een figuur met zulke kwaliteiten als een gespleten persoonlijkheid voor te stellen. Er was bij Voetius geen tegenstelling tussen het wetenschappelij-

ke en het praktische; deze beide waren juist harmonisch in één persoon verenigd. Als alle mannen van de Nadere Reformatie stond Voetius op de bres voor de Gereformeerde waarheid. Maar juist omdat hij Gereformeerd was, wilde hij Gereformeerd blijven. „Ecclesia reformata semper reformanda." („Een kerk die gereformeerd is, moet altijd gereformeerd worden").

Hierin ligt het geheim van de „Voetiaanse preciesheid", die al te vaak bespottelijk is gemaakt. Nauwelijks was de Kerk uit het diensthuis van Rome geleid of er stond een nieuwe paus op (zo redeneert men dan) die de mensen nog zwaardere lasten oplegde!

Om Voetius' ijver voor de ere Gods op alle levensterreinen te verklaren, moeten we ons verplaatsen in zijn tijd en in zijn stad. Hij had daar de strijd te voeren tegen een overheid, die de rechten van de Kerk met voeten trad; tegen een bevolking, waarvan het grootste deel slechts in naam Gereformeerd was; tegen allerlei volkszonden, die uit de Roomse tijd waren overgebleven; tegen predikanten, die de Christelijke vrijheid voor ongebondenheid hielden. En dan te bedenken, dat Voetius en de zijnen in de Vaderlandse Kerk slechts een geringe minderheid uitmaakten: de meesten, ook de predikanten, moesten van de Voetiaanse preciesheid niet veel hebben!

Van het begin tot het einde heeft de Utrechtse hoogleraar geijverd voor een Christelijke levensstijl. Deze bestond voor hem in zelftucht, zelfverloochening, eenheid tussen belijdenis en wandel, strenge tucht over de gemeenteleden. Deze „preciesheid" kwam niet alleen ter sprake in zijn preken, hij doceerde ze ook in zijn colleges.

Zo hield Voetius o.a. verhandelingen over de Zondagsviering, over het dansen, over de make-up, over het toneel, over cle Roomse feestdagen (Driekoningen en Vastenavond werden in die tijd ook cloor niet-Roomsen gevierd!) Men ziet, dat de behandelde problemen nu, na drie eeuwen, nog in hoge mate aktueel zijn. De verleiding is dan ook groot, Voetius' zienswijze uitvoerig weer te geven, maar dat is in dit korte bestek niet mogelijk.

Het spreekt vanzelf, dat Voetius alles dat naar ijdel vermaak of trotse kleding zweemde, van cle hand wees. Maar daarbij bleef hij niet in het negatieve. Naast de zonden noemt hij ook de deugden. Zelfs op het gebied van eten en drinken en kleding geeft hij uitvoerige voorschriften. In alles pleit hij voor matigheir, soberheid en eenvoud.

Oppervlakkig beschouwd zit er een wettisch element in de Voetiaanse „preciesheid." Zo verweet de beroemde Groningse hoogleraar Maresius (Voetius' grote tegenstander!) hem, dat hij muggen uitzoog en kamelen doorzweigde! Anderen scholden hem voor een kloosterling, een doper. Voetius heeft zelf dit gevaar wel beseft. Hij zegt althans, dat er waren, „clie op zijn Voetiaans precies willen schrijven.... naar kerken en catechisaties lopen, om te streven naar hoogheid in de kerk of in de staat!"

Het was er Voetius toch niet om te doen, een wettisch Christendom aan te kweken. De eis der heiligmaking was voor hem een Schriftuurlijke eis. Dat hij met zijn groep slechts een minderheid in kerk en staat vormde, clat deerde hem niet. Als ieder goed Calvinist trof ook hem het verwijt, dat hij de wil van een minderheid oplegde aan een meerderheid. Aan het slot van één van zijn disputen verklaart Voetius het geheim van de door hem voorgestane „preciesheid". Hij zegt clat Gods kinderen in de wereld moeten wandelen „voorzichtelijk, ja precieselijk, " dat ze „wat moesten zijn en wat moeten doen bóven anderen." (Matth. 5 vers 47).

Als goed Gereformeerd Piëtist heeft Voetius ook de diepste roerselen van de menselijke ziel bestudeerd. Reeds op de kansel van Heusden had hij uitgeroepen: „Gij die de verschillen in de religie weet te ontleden, waarom ontleedt ge uw eigen consciëntie niet? " Het zelfonderzoek neemt dan ook in zijn latere werken een belangrijke plaats in. Het diende om de huichelaars te ontmaskeren, de bekommerden de weg des behouds aan te wijzen en Gods volk te vertroosten.

Veel werk van Voetius is alleen door theologen te waarderen. Het lijkt ons echter toe, dat hij in sommige werken van pastorale aard ook door leken" gelezen kan worden. We hebben dan voornamelijk op het oog zijn dispuut over de „Geestelijke Verlatingen", voortgezet door zijn collega Johannes Hoornbeeck. Dit werk, opgenomen in zijn „Disputationes selectae" is later vertaald, afzonderlijk uitgegeven en sindsdien meermalen herdrukt. Bij het lezen van dit boekje gaat de grote Voetius voor ons herleven als zielszorger en dat is hij in de eerste plaats geweest!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.