+ Meer informatie

Het woord gaat voort (11)

de eerste preek

7 minuten leestijd

Een woord van vertroosting.

Na de gebeurtenissen op Cyprus heeft Paulus onbetwist de leiding van het zendingsteam. Van nu aan is sprake van „Paulus, en die met hem zijn". We willen ons nu in dit artikel samen eens buigen over de eerste preek, die ons van Paulus is overgeleverd. Ik bedoel het gedeelte Handelingen 13 : 13 - 41.

In vers 13 lezen we, hoe de zendelingen het eiland Cyprus verlaten, en oversteken naar Klein Azië, het tegenwoordige Turkije. Dat was vroeger (en plaatselijk is het dat nog wel) een bar, onherbergzaam oord. Bijna onbegaanbaar waren de woeste, eindeloze berggebieden, waar men dagen kon dolen zonder een mens te zien. Je moest echt wel iets belangrijks te doen hebben, wilde je je in die verschrikkelijke woestenij begeven. Maar zendelingen hebben iets belangrijks te doen....

Toch wordt Johannes Markus de opgave hier te zwaar. Wordt hij afgeschrikt doorhet vooruitzicht van de vermoeiende tocht? Is hij het niet eens met het reisplan, en zou hij de arbeid liever op Cyprus hebben voortgezet? Of voelt hij, dat hij niet d i e overgave aan de zaak des Heeren heeft, die voor een zendeling nodig is? Ik voor mij geloof, dat Johannes Markus tot dusver nog niet voldoende de scherpe, en toch zo belangrijke woorden van Jezus uit Lukas 14 : 25 - 35 ter harte heeft genomen. Hij keert weder naar Jeruzalem! Niet naar Antiochië, de zendingsgemeente (durft hij niet? ), maar naar de veel conservatievere, wat judaïstisch gezinde gemeente van Jeruzalem.

Dit moet voor Paulus en Barnabas (vooral voor hem; Markus is zijn neef) een slag zijn geweest. Zij gaan echter door! Wie we ook bij ons hebben, we kunnen wel ophouden als Jezus Christus ons verlaat. Wie ons ook verlaat, we kunnen doorgaan, als Jezus Christus bij ons blijft. Dwars door het bergland, met zijn ravijnen, vallende stenen, struikrovers, brandende zon en verzengende hitte gaat het naar het Noorden, naar de landstreek Pisidië. Graag zouden we nog wat meer van de reis vernemen, maar het Wóórd gaat voort! In Antiochië, een stad in Pisidië, wordt het sabbat. Naar hun gewoonte gaan de zendelingen op deze dag naar de synagoge.

Ook in deze afgelegen plaats hebben de Joden blijkbaar hun synagoge. Eerst wordt een stuk uit de Pentateuch gelezen, daarna een gedeelte uit de profeten. Het is gebruikelijk, dat vervolgens een „leraar" spreekt over het voorgelezen gedeelte. Nu is het blijkbaar de leiders van de synagoge ter ore gekomen, dat de twee vreemdelingen leraars zijn. Er komen enkele mannen naar hen toe, die hen vragen of zij nog niet een woord van vertroosting voor het volk hebben. Een woord van vertroosting, ja, dat hebben zij wel.... Wat een prachtige uitdrukking is: een woord van vertroosting. In het griekse woord in de grondtekst leven eigenlijk twee gedachten: vermaning en vertroosting. Als het nodig is, heeft elke prediker te vermanen. Maar er zal toch (als het goed is!) niets zijn, dat hij zó graag doet als vertroosten. Heeft de Heere hem niet Zelf de opdracht gegeven? „Troost, troost Mijn volk!"

De bekende afgescheiden predikant Ds. Brummelkamp werd er nog al eens op aangevallen, dat hij te „liefelijk" zou preken. Moe en verdrietig van alle kritiek schreef hij toen eens een preek uit, waarin hij er de gesel van de Wet flink overlegde, het de gemeente eens goed aanzei. Maar toen hij op de kansel stond, met de uitgeschreven preek vóór zich, zag hij daar zijn gemeente zitten. Hij zag de moegewerkte arbeiders, de afgetobde huismoeders. Hij las in de ogen de ellende, de zorgen, het verdriet, maar ook de hunkering naar een woord van troost, van vrede. En toen moest hij eraan denken, hoe er van Jezus geschreven staat, dat Hij innerlijk met ontferming over de schare werd bewogen, omdat zij waren als schapen, die geen herder hebben En Brummelkamp vouwde zijn preek op, stak hem in zijn zak en zei tot zichzelf: laat ik ze maar weer troosten!

Een merkwaardige opbouw.

Zo is het dan Paulus, die op verzoek van de leiders der synagoge gaat spreken. Zijn preek vindt je in de verzen 1G - 41. Alle eeuwen door zijn de predikers in hoge mate geboeid door de wijze, waarop Paulus heeft gepredikt. Het is n.1. opvallend, dat in alle preken van de apostel éénzelfde lijn is aan te wijzen. Die lijn is echter alleen aanwe-

zig in de preken, die tot de heidenen werden gericht. We hopen daar in de toekomst nog op terug te komen. De preek die we nu voor ons hebben staat dus geheel apart. Zij is gericht tot Joden, proselieten en Godvrezenden (vs. 16; zie ook over deze indeling ons zesde artikeltje).

Als je de preek eens rustig doorleest, dan valt je direct op welk een groot gedeelte Paulus besteedt aan de geschiedenis. Natuurlijk kennen deze Joden die geschiedenis óók wel. Waarom er dan toch zo uitvoerig op ingegaan? Wel, in de eerste plaats is het uiterst belangrijk, dat het g e-1 o o f zich altijd vastgrijpt aan wat de Heere in de geschiedenis heeft gedaan, en dan niet alleen in de gewone geschiedenis, maar vooral in de h e i 1 s geschiedenis. Wat Paulus hier doet, is eigenlijk niets anders, dan de Joden herinneren aan een aantal heel belangrijke heilsfeiten! In de tweede plaats wil de apostel aantonen, dat héél de heilsgeschiedenis van het Oude Testament uitloopt op het alles overtreffende heilsfeit van de komst van Jezus Christus. Zijn komst is de vervulling van de b e 1 o f-t e, de belofte waarvan heel het Oude Testament getuigt. Daarom is vers 23 de kern, het beslissende woord in deze preek. Na dit vers spreekt Paulus nog over het leven van de Heere Jezus en Zijn sterven (24 - 29), dan toont hij het schriftuurlijke van Christus' opstanding aan (30 - 37), waarna hij zijn rede eindigt met een machtige verkondiging van schuldvergeving en een dringend appèl deze woorden niet naast zich neer te leggen. Teksten die „eruit springen" zijn naar mijn besef de verzen 26 en 38. Zij springen eruit, omdat zij zo duidelijk als maar mogelijk is, zeggen hoe het evangelie gepredikt wil worden! Aan de ene kant wacht Paulus zich duidelijk voor het preken van een „algemene verzoening". Aan de andere kant weigert hij beslist zijn gehoor aan te spreken in de zgn. „wensvorm", b.v. op deze manier: „Nu hoop ik, dat u deze boodschap geloven mag", of: „Moge dit nu betekenis voor U krijgen", of iets dergelijks. Neen! Een apostel, een prediker wenst niet, maar hij verkondigt als gevolmachtigde dienstknecht van Jezus Christus de boodschap der verzoening. Paulus heeft als het ware door zijn sobere, maar met dynamiet geladen woorden het kruis van Golgotha midden in de gemeente gezet, en na de nacht van Goede Vrijdag is in zijn preek ook gevolgd de morgen van Pasen. En dit alles wordt de gemeente verkondigd. Het wordt hen aangezegd. „Tot u is het woord dezer zaligheid gezonden!" en „Zo zij u dan bekend, mannen broeders, dat door Dezen u vergeving van zonden verkondigd wordt!"

En dan treedt Paulus een stap terug. Hij kan er nu niets meer aan doen; het is de Heilige Geest, Die nu aan het werk is, overtuigend, wervend, wederbarend, troostend, genezend. Maar Paulus heeft zijn taak gedaan: de boodschap van vergeving en afwassing der zonden door het bloed van het Lam is in al zijn volheid en rijkdom in het midden van de gemeente gelegd. Wat een ieder nu met. deze boodschap doet, wel, daar is hij of zij nu zelf verantwoordelijk voor. Niemand kan zich meer beroepen op onwetendheid, óók niet meer op onmacht, want Paulus heeft gepredikt dat God wél machtig is; zelfs kan niemand zich meer verschuilen achter zijn onwil, want er is gepredikt dat Jezus Christus zéér gewillig is de last van zonde en schuld van een moegewerkte, uitgestreden zondaar over t.e nemen!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.