+ Meer informatie

Nieuwe wegen, oude sporen

6 minuten leestijd

2

We komen hier weer terug op het boekje van J. H. en W. H. Velema onder bovenstaande titel. We halen nog een gedeelte uit paragraaf 6, hoofdstuk III aan:

„In het bovengeschetste klimaat is het van het grootste belang, dat het Evangelie op de j uiste wijze wordt vertolkt. Dit naar twee kanten. Het Evangelie moet vertolkt worden overeenkomstig de zin en de mening van de Heilige Geest, Die de auteur is van de Bijbel. Het Evangelie moet ook zo gebracht worden, dat het bij de moderne mens kan „aankomen”. Wat dit laatste betreft: het Evangelie brengen in een taal van twee eeuwen geleden, is een het Evangelie onwaardige zaak. Geen enkele taal, van welke eeuw ook, kan gekanoniseerd worden. De Statenvertaling heeft taalvormend gewerkt. De belijdenisgeschriften hebben een eigen theologisch idioom. We zijn dankbaar voor deze monumenten van denken en uitdrukken. Maar deze taal, hoe zeer we er aan verknocht zijn, is niet voor alle eeuwen de taal waarin het God belieft tot ons te spreken. Met behoud van de eeuwige waarheid Gods zullen we toch altijd weer moeten proberen de mens van nu in zijn eigen taal en uitdrukkingswijze aan te spreken. Dat is niet de vulgaire straattaal. Trouwens het gaat niet om een populaire taal, maar om een taal, die past in het denken leefklimaat van de moderne mens. Er mag geen kloof zijn tussen het leven in de keiharde maatschappij, door en door zakelijk, en de kerk. Als men levend in deze tijd, werkend met de modernste methoden, in de kerk komt waar een levensgevoel en wereldbeeld van een halve eeuw geleden doorslaggevend zijn, dan wordt de moderne mens teruggestoten. En dat mag niet. Het Evangelie is niet naar de mens, maar de wijze waarop het gebracht wordt moet de mens wel aanspreken en zeker niet de lachlust opwekken.

Dat gebeurt wanneer men in een geindustrialiseerde maatschappij het Evangelie brengt alsof men in een agrarischesamenlevingleeft. Of wanneer men de afhankelijkheid van de mens, die vandaag evenzeer een feit is als een eeuw geleden, op dezelfde wijze onder woorden brengt als toen. In de 17e eeuw werd in een Friese kerk de voorbede gevraagd voor iemand, die in de week daarop een reis moest maken naar Den Haag. Tegenwoordig doen we dat niet meer voor iemand, die een trip per vliegtuig maakt naar Canada. De moderne mens is op een andere manier afhankelijk dan vroeger. Als de kerk dat in haar ambtelijke dienst niet verdiskonteert, plaatst ze zich buiten de werkelijkheid”.

Hier komen gedachten naar voren waar we het niet mee eens zijn. Om te beginnen willen we er op wijzen, dat in deze tijd gelukkig nog wel gebeden en gedankt wordt voor behouden overkomst in en uit Canada. We hebben zelf in Canada op verzoek van de mensen meermalen in het openbare gebed, in de samenkomsten van de gemeente, voor hen gebeden en met hen gedankt.

En een kind des Heeren aan de overzijde van de oceaan vertelde ons eens, hoe ze een vliegreis naar ons land had gemaakt en hoe verwonderd ze was, dat ze hier behouden aangekomen was. We zijn nog in alle opzichtenvan de Heere afhankelijk, maar het gaat er ook om, dat we dat beleven.

Maar nu de zaak zelf.

De afstand tussen de moderne mens, al ofniet tot een kerk behorend, en de kerk in de rechte zin van het woord, als volk van God, is veel groter dan de schrijver hier stelt. Er is een oneindige afstand, een diepe kloof tussen hen in denken en willen en in alles. Dat is van de val af zo geweest. De natuurlijke mens begrijpt niet de dingen des Geestes. Ze zijn hem een dwaasheid. De mens staat vijandig tegenover het Evangelie. Dat belijdt de schrijver natuurlijk ook, maar dan zouden we het er over eens moeten kunnenzijn, dat het Evangelie nooit zo gebracht kan worden, dat het bij de moderne mens „aankomt”.

Ook niet bij de konservatieve mens. Bij niemand! We blijven belijden de noodzaak van de bediening van de Heilige Geest.

De moderne zegswijze, de aanpassing aan het denken leefklimaat van de moderne mens, heeft een levensgroot gevaar in zich. De Schrift moet verklaard en toegepast worden, zo, dat Gods kinderen daarin voedsel vinden, dat ze er amen op kunnen zeggen. Datis door het getuigenis des Geestes ook het geval. De moderne manier van vertolking van het Evangelie blijkt juist op dit punt niet aan te slaan en niet „aan te komen” bij hen, die de Heere vrezen.

We nemen het helemaal niet op voor een ouderwetse uitdrukkingswijze, maar willen toch konstateren, dat Gods kinderen vanvandaag nog voedsel vinden in werken van onzevaderen, die vroeger de kerk gediend hebben. Juist in deze tijd iser grote vraagnaar preken en andere werken van hen, die allangde rust zijn ingegaan.

Op grond hiervan kunnen we het niet eens zijn met wat de schrijver verder zegt over het vertalen, het vertolken van de Bijbelse boodschap voor de buitenkerkelijken en onze eigen jeugd. Laten Gods knechten het Evangelie brengen op een waardige wijze, onder inwachting van de zegen des Heeren. Het blijkt ook in deze tijd, dat jongeren en buitenkerkelijken, die de Heere in het hart grijpt, aansluiting zoeken en vinden bij Gods kinderen. Eenvoudige predikers spraken en spreken vaak meer naar het hart van Jeruzalem dan anderen, en de Heere gebruikt hen tot dekomst van Zijn koninkrijk.

We zouden nog meer kunnen noemen, maar willen hiermee volstaan. Het zal voldoende duidelijk zijn, dat we veel waardering hebben voor het werk van deze bekwame schrijvers, maar toch ook kritiek hebben en waaruit deze voortvloeit.

Nog een enkele opmerking willen we maken. We moeten erkennen, dat er veeltraditionalisme is. Dat is de nood van de kerk naast de nood van de wereld. Er gaat haast geen getuigenis van de kerk uit, omdat er zo weinig leven uit en met de Heere wordt gevonden. Dat leven alleen breekt met alle traditionalisme. Dat bewaart ook voor een bepaalde progressiviteit, die een groot gevaar is.

We leven in een ernstige tijd op het gebied van het wereldgebeuren, maar ook op het terrein van het geestes-leven. Op een nieuwe wijze komt openbaar wat de Schrift zegt: „De dwaas zegt in zijn hart: er is geen God”. Het is in het paradijs begonnen en zal doorgaan tot het einde. De hele wereld zaltenslotte moeten erkennen dat er een God is, Die leeft en vonnis geeft.

Gods werk zal doorgaan, ondanks de nood der tijden. De Heere staat voor Zijn werk in en vervult Zijn Woord. Hij gebruikt nietige middelen, zwakke mensen, om te arbeiden door Zijn Woord en Geest tot zaligheid van zondaren, tot verheerlijking van Zijn naam. De kerk zal er blijven, omdat God het wil. Daarin ligt de troost en kracht voor Gods volk.

Gelukkig de mens, van welke leeftijd of welke afkomst ook, die door de bearbeiding van de Heilige Geest de waarheid magleren verstaan. Al Gods kinderen zijn op de leerschool des levens en worden door de Heere Zelf onderwezen tot zaligheid.

Het gebed van ouders en van ambtsdragers en van alien, die bidden geleerd hebben, mag wel zijn: Heere, gedenk aan Uwverbond.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.