+ Meer informatie

„Eerst Christus zien - dan sterven”

7 minuten leestijd

„en hem was een Goddelijke openbaring gedaan door de Heilige Geest, dat hij de dood niet zien zou, eer hij de Christus des Heeren zou zien." (Lucas 2 : 26.)

Hoe groot is de tegenstelling tussen het kind der wereld en het volk des Heeren.

Het hart des mensen gaat van nature uit naar die dingen, die in de ure des doods geen heil kunnen afwerpen. Daarin is ook geen wezenlijke sterkte te midden van het moeitevolle en teleurstellende leven. Waar zo'n mens naar verlangt is in wezen niet anders dan ijdelheid en kwelling de£ geestes.

Niet alzo is dat bij hen, die wedergeboren zijn uit een onvergankelijk zaad, naar het levende en eeuwig blijvende Woord Gods.

Neen, bij hen is het heel anders. Bij hen is het: „Eerst Christus zien — dan sterven." Het zien van alle andere dingen bekoort hen niet.

Zij willen Hem zien in al Zijn heerlijkheid, Hem naar Wie hun ziel dorst en hun vlees verlangt in een land, dor en mat zonder water.

Hem zien, Die zij zoeken in de nacht en in de dageraad.

Gelijk de duif uit Noach's ark daar buiten geen rust vond, verlangt 's Heeren volk naar de dag, dat zij Hem, die in de kribbe te Bethlehem is geboren, met de armen des geloofs mogen omhelzen en toeëigenen.

Zo nu was het ook bij Simeon. Hij had de belofte ontvangen, dat hij niet zou sterven, alvorens de Christus des Heeren te hebben gezien en vanaf dat ogenblik is er een innerlijk verlangen — een begeerte, in zijn ziel ontstaan, die in een verwachting werd samengevat: „Christus zien!"

Op dat ene punt spitste zich geheel zijn leven toe, waardoor zijn kracht werd vernieuwd. Zeker, ook zijn geloof zal bestreden zijn, gelijk al wat , echt is bestreden wordt.

Doch gelijk de kompasnaald, hoe ook geslingerd, toch steeds naar het Noorden wijst, zo ging ondanks alles het hart van Simeon altijd weer uit naar dat ene — „Christus zien."

Deze eenheid in zijn verlangen was de vrucht van het werk des Heiligen Geestes, Die in en op hem was.

En zo zal dat ook gekend en doorleefd worden in de harten van allen, die de Heere waarlijk vrezen.

Wat hen ook moge ternederdrukken, wat er in hun leven mag zijn, dit mogen zij in oprechtheid getuigen, dat zij slechts één ding van de Heere begeren en d& t willen zoeken — „Christus zien" met het oog des geloofs in al Zijn schoonheid, in al Zijn volheid, in al Zijn zaligheid.

Dat God zelf de vervuiler Zijner belofte is, werd in Simeon bevestigd. Dat maakt ook de troost uit van al het zoekende en heilbegerige volk.

Het kan wel eens schijnen of Gods beloften falen, verder haar vervulling missen, alsof de Heere de toezeggingen aan Zijn volk vergeet. Denk eens aan de weg, die door Simeon beleefd is. Reeds oud geworden, het hoofd al neigend naar de aarde en de belofte nog onvervuld.

Wat zal hij menigmaal de tempelberg hebben beklommen onder allerlei bezwaren en bcstrijdingen gebogen gaande.

Ja, de beproeving des geloofs - is ook hem niet vreemd gebleven, gelijk het doorleefd wordt door hen, die niet de belofte hebben genomen, maar werkelijk van de Heere mochten ontvangen. De weg die leidt naar de vervulling gaat altijd door de diepte, ja door het onmogelijke heen. Maar God houdt woord, „wat uit Zijn lippen ging, blijft vast en onverbroken."

Zie eens in Simeons leven. Hij heeft niet alleen met een belovend, maar ook met een vervullend God kennis gemaakt.

God vervult op Zijn tijd Zijn beloften, als wij het niet meer verwachten. Wonderlijk zijn daarbij soms Zijn wegen. Zo leidt Gods geest Simeon naar de tempel op dezelfde tijd dat het kindeke Jezus in de tempel wordt, gebracht.

Hoe nodig is de w r erking van die Geest in het levendmaken van de geestelijke dode zondaar. Doch ook om in het hart van die zondaar plaats te maken voor die rijke Jezus, in welk hart van nature geen plaats is voor Hem. Dan ontdekt die Geest ook in en door zijn gezegende werking Christus aan die zondaar en door die krachtige werking des Geestes doet Hij het zaligmakend geloof als een instrument in het leven van Gods volk zijn, om die Jezus te mogen en te kunnen vinden en omhelzen. •

Wat zal het voor Simeon geweest zijn, toen hem dat mocht gebeuren. Neen, hij heeft zich niet aan het nederig vertoon geëergerd maar mocht in dat Kindeke de beloofde en door hem verwachte Messias erkennen. Met een door Gods Geest verhelderd zielsoog heeft hij dat Kindeke omhelsd en aan zijn hart gedrukt.

Mijn lezers, wat zal dat geweest zijn. Geen twijfel

was er in hem aanwezig, neen de volle geloofszekerheid mocht hij ervaren en met dat Kindeke in zijn armen, waaraan hij al Zijn heil aanschouwde, kon en wilde hij sterven.

Het was, alsof hij een afscheidsbrief aan de wereld gaf en als dan zijn mond wordt geopend, vloeit die mond over van Gods lof. „Nu (eerder niet!) laat Gij, Heere Uw dienstknecht gaan in vrede, naar Uw Woord, want mijne ogen hebben Uwe Zaligheid gezien."

Toen kon hij henengaan in vrede, want hij wist dat sterven in Jezus, leven was •— eeuwig leven.

Lezers, zou het de moeite niet waard geweest zijn die oude Simeon in gezelschap van de oude Anna te horen zingen?

Welk een schouwspel in die tempel! Wat hebben de engelen in de hemel wel meegezongen. Gelukkig toch dat volk, die zo met Simeon die dierbare en gezegende Heere Jezus Christus mogen vinden. Nu wilde hij die zaligheid genieten, door hem zo lang verbeid en thans gezien op zijn bede. Die zaligheid wordt alleen in de hemel genoten. Simeon had dan ook zijn wens verkregen — „eerst Christus zien — dan sterven."

Helaas rekent de natuurlijke mens niet met de dood en de eeuwigheid. Hij is vreemd aan het zielsverlangen om die gezegende Christus te mogen zien en te omhelzen.

Vreselijk toch, want die zonder Hem kan leven, moet zonder Hem sterven. Denk er toch eens aan, dat de dood ieder uur wenkt. Mogelijk heeft U een vader of moeder of een Uwer betrekkingen zien sterven en iets uit hun mond vernomen van het blij vooruitzicht, dat hen streelde. Maar tussen die gelukzaligen en hen, die daarvan vreemdeling zijn, zal er eenmaal een eeuwige scheiding vallen.

Jonge-mensen, die dit leest; laat he^ ook tot U doordringen hoe nodig het is Christus te lerén kennen om te kunnen sterven. Het is nog de kostelijke genadetijd, zoekt Hem toch.

Een nieuwjaar gingen we in, het mocht eens alles nieuw worden. Een nieuw hart, een nieuwe keus en ook een nieuwe koers. En weest er van overtuigd, dat U dat nooit zal berouwen, o neen. Vraag het 's Heeren volk maar eens en zij zullen het U vertellen dat zij maar van één zaak spijt hebben, namelijk dat zij het zolang tegen de Heere hebben uitgehouden. Wat is dan ook het onderscheid groot tussen hen, die God dienen en hen die Hem niet dienen.

Dat komt in Simeon al heel duidelijk naar voren en het is trouwens de zalige ervaring van al Gods kinderen.

In hun hart leeft datzelfde verlangen als van Simeon, dat innerlijk uitzien naar de vervullingen van 's Heeren toezeggingen.

Houdt moed! gij allen die Hem vreest. Hij is getrouw. Zou Hij het zeggen en niet doen?

Schept moed uit Simeons ervaring. Aan U, die met hem betuigt — „eerst Christus zien — dan sterven" zal ook op Gods tijd diezelfde geloofsblijdschap geschonken worden.

Merk op, dat Simeon die weldaad, die rijke weldaad in de tempel mocht ontvangen, opdat allen, die met hem op die grote zaligheid zijn wachtende, mogen leven in 's Heeren weg en in Zijn ordinantiën. De Heere is niet aan de middelen gebonden, doch wel Zijn volk. Welaan dan, de Heere geve het U allen tot roem Zijns Naams, dan alleen kunnen wij leven en sterven.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.