+ Meer informatie

Karel de Grote.

6 minuten leestijd

II.

Tijdens Kareis regering was er ook grote handelsbloei. Er ontstonden nieuwe handelsplaatsen, of bestaande kwamen tot bloei. Wij noemen in deze landen Utrecht en Dorestad. De Friese kooplui zag men overal: in St. Denis, York, Bremen, Hamburg Sleeswijk. Ingevoerd werden pelterijen, granen, delfstoffen, wol, wijnen; uitgevoerd: boter, kaas, vee, meekrap, laken.

In nauw verband met de handel stond het muntwezen; alhoewel de handel nog gedeeltelijk ruilhandel bleef.

Wel hadden onze voorouders onder 't Frankisch bestuur ook gemunt geld, maar dit was ontleend aan de Romeinen (eenheid de gouden solidus van Constantijn) en voldeed op de duur niet meer.

In 625 werd in Dorestad een muntfabriek opgericht. In de 8e l eeuw krijgen we hier de zilveren Standaard en onder Karei spreekt men van pond, schelling, penning (1 : 20 : 12; 1 pond = 20 sch; 1 sch. = 12 penningen; verg. het Engels geld van heden):

Natuurlijk kwamen ook afwijkingen voor, b.v. bij Friezen en Saksen, maar Karei ijverde sterk voor eenheid van munt in zijn ganse rijk, hetgeen te begrijpen is. Daarom regelde hij deze zaak zelf.

In de steden woonden de kooplieden en ambachtslui kwartiersgewijze (soort gilde vorming). Kareis bemoeiingen met de kerk zijn vele en velerlei geweest. Zeker schrijver zegt er van: Er is misschien geen wereldlijk vorst, die in de geschiedenis der kerk een plaats inneemt als Karei de Grote. Als paus Leo III door een Romeinse fractie is verjaagd, herstelt Karei hem in zijn rechten. Hij stelt bisschoppen en abten aan, zorgt voor een kerkelijke indeling in 21 aartsbisdommen, bemoeit zich met kerkelijke leergëschillen (b.v. het filioque en de beeldenstrijd). Al steunde hij de paus, toch zorgde hij er voor, dat hij de meerdere van deze bleef. Hij beschouwde zich als de wereldlijke leider der Westerse Christenheid, als een David, een gezalfde des Heeren, wiens roeping het is ook alle zorg aan de kerk te besteden.

De zoeven genoemde schrijver merkt nog op, dat hier geen sprake is van een geestelijke en wereldlijke macht naast elkaar; maar bij Karei liepen beiden dooreen. Daarom is zijn keizerskroning in 800 zo'n merkwaardig feit. Het schijnt echter, dat deze gebeurtenis nog niet voldoende opgehelderd is. Wij laten het daarom rusten.

Dat Karei zich ook bemoeien zou met de volksopvoeding, laat zich begrijpen.

Hij zag er de noodzakelijkheid te zeer van in. Immers, tot op zijn tijd was het met de volksontwikkeling treurig gesteld. De Merovingers hadden wel een paleisschool (schola palatina), maar het resultaat was, dat d< > koningen nauwelijks en de prinsen in 't geheel niet konden 'schrijven!

Ook Karei had zo'n hofschool, die natuurlijk met hem meereisde. Het eerste, wat hij deed, was, dezè school geheel hervormen. Hij was zo gelukkig beslag te kunnen leggen op een eminent leraar, Alcuïn, welke hij aan het hoofd van de school stelde.

Men zou hem Kareis minister van onderwijs kunnen noemen.

Genoemde Alcuïn gaf dan onderwijs aan de prinsen en prinsessen, aan de zoon's der edelen en de toekomstige staatsdienaren. Ook Karei zelf was leerling der school, volgde zo mogelijk de lessen en nam de goede leerlingen in staats-of persoonlijke dienst op.

Mijn lezers zullen echter wel vreemd opkijken, als ze horen, dat genoemde school zo ongeveer gelijk stond met onze lagere school! Alleen wak toegevoegd Latijnse grammatica en rethorica.

Maar ook met het overig onderwijs bemoeide hij zich. Reeds in 786 en 787 liet hij brieven vütgaan over de studie der letteren. Hij schreef in die brieven, dat de beoefening der wetenschappen, door onverschilligheid der voorvaderen in vergetelheid geraakt, door hem weer zou worden bevorderd. Want, zo schreef hij, zonder de studie is het niet mogelijk om de mysteriën der H.S. te doorgronden. Geen wonder, dat er alom meer scholen verrezen, waarop naarstig toezicht werd gehouden.

Zelfs het catechetisch onderwijs had zijn zorg. Maar de eisen waren niet hoog: nl. minstens kennis van geloofsbelijdenis en 't Onze Vader, al was het in hun moedertaal.

Hij verzamelde om zich heen een kring van geleerden als Diaconus, Alcuïn en bevorderde de studie der klassieken. Augustinus (de Civitas) was zijn lievelingsschrijver. Ook interesseerde hij zich zeer voor de Frankische taal. De maanden en windstreken gaf hij Frankische namen. Voorts schijnt hij een voorstander geweest te zijn, dat er in de Frankische taal gepreekt werd.

Wat het staatsbestuur betreft.

Karei had geen vaste re'sidentie; ook zijn opvolgers riet. Sis zodanig zijn te noemen: Aken, Ingelheim, Mainz, Nijmen en het stamslot Herstal in de Ardennen. Op 't eind van zijn leven verdeelde hij het grote rijk in drieën, waarover hij zijn drie zonen als medebestuurders stelde met de titel van koning. Lodewijk kreeg Aquitanië, Pippijn Italië en Z.-Duitsland tot de Donau, Karei het Noorden en Oosten.

Hij zelf had het opperbestuur met enkele getrouwen, die men zijn ministers zou kunnen noemen.

Jaarlijks werden twee rijksdagen gehouden: een in 't voorjaar (het Maart-of Meiveld) en een in 't najaar.

Op de le rijksdag - verschenen afgevaardigden uit het gehele rijk, waar bezwaren werden ingediend, rapporten ingeleverd enz.

Op de herfst rijksdag kwamen alleen de aanzienlijkste edelen en ambtenaren. Men besprak er de verschillende rijksbelangen en tevens werden er de rijkswetten (= capftularia) behandeld en door Karei vastgesteld. Deze „capitularia" regelden beide kerkelijke en wereldlijke zaken.

Het rijk was verdeeld in gouwen, aan wier hoofd „comités" of graven stonden: meestal grootgrondbezitters en van aanzienlijke geboorte. Driemaal in 't jaar reisde de graaf door de gouw en hield dan het gouwgericht „den ding", om rechtspraak te houden, de vonnissen te vellen en deze ook uit te voeren.

Voorts was de graaf aanvoerder van de heerban (= de dienstplichtigen) en inner van de belastingen. De in de gouw gelegen „regalia" (= domeinen) werden voor Karei beheerd 1 door een „domesticus". De gouwen waren verdeeld in „marken" of „honderd manschappen", die vanwege de graaf werden bestuurd door een „centenarius".

Een grensgouw noemde men een „marchio" (vandaar markgraaf).

Verder had Karei zijn „duces", hertogen, legeraanvoerders; echter met een tijdelijke aanstelling. De z.g. stamhertogen verdwenen. Kareis voorgangers hadden er al te veel narigheid mee beleefd.

Al f3e genoemde personen, waren dus ambtenaren. Men houde dit goed in 't oog. En ook op deze werd toezicht gehouden door de „missi regii" of koningsboden, die na afloop van hun dienstreis rapport moesten uitbrengen.

Uit het bovenstaande blijkt de geheel enige plaats, die Karfel in de geschiedenis van Kerk en Staat inneemt.

Dat zich om hem een sagenkring vormde i's te begrijpen. Ik noem o.m. het Roelandslied en de Ellegast. De Roomse kerk heeft hem gecanoniseerd (— heilig verklaard) wat voor ons natuurlijk nonsens en goddeloos is.

Hij was een mens met veel gebreken; nochtans een groot man, een vader voor zijn onderdanen.

Hij stierf in 814 te Aken aan longontsteking en werd aldaar in de kerk in een prachtig gebeeldhouwde kist bijgezet.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.