+ Meer informatie

Naar de katechisatie

6 minuten leestijd

103

DE VOLDOENING DOOR CHRISTUS (4)

Wij hebben beloofd nog enkele teksten te bespreken, die aangevoerd worden om te bewijzen, dat Christus voor alle mensen heeft voldaan, is gestorven.

Wat komt het er toch steeds op aan om „Schrift met Schrift te vergelijken.”

U hebt wel eens ondervonden hoe b.v. de Jehovah-getuigen tientallen teksten menen te hebben om hun godsdienstige theorieën te bewijzen. Maar die rukken ze allemaal uit hun verband. B.v. de tekst: „de ziel, die zondigt, zal sterven.” U weet, dat de Jehovahgetuigen beweren, dat de ziel van de goddelozen vergaat, ophoudt te bestaan. Maar ze vergeten, dat hier met ziel „de mens” wordt bedoeld. Zo staat er in Gen. 47 : 26: „Al de zielen, die met Jacob in Egypte kwamen… waren allen zes en zestig ZIELEN.” Het is bovendien ook niet waar, dat de zielen der goddelozen vernietigd worden. De Schrift leert wel anders. De dood van een mens houdt niet in, een ophouden van bestaan, maar zij is een voortbestaan, doch ten eeuwige verderve.

Maar, keren we terug tot onze les.

De Bijbel leert ons duidelijk, dat er geen „algemene verzoening” is, gelijk velen menen. En het is niet alleen het UNIVERSALISME en het Remonstrantisme dat hierin dwaalt, we horen ook nog al eens in onze kringen, ja zelfs op kansels wordt ’t verkondigd, dat Christus voor „ons” d.i. voor ons allen gestorven is.

We hebben reeds in onze vorige les opgemerkt, dat Christus’ bloed wel ALGENOEGZAAM is voor allen, ja, al zou het zijn voor duizend werelden. De Dordtse Leerregels belijden dit in hoofdstuk II no. 3: „Deze dood des Zoons Gods is de enige en volmaakte offerande en genoegdoening voor de zonden; van oneindige kracht en waardigheid tot verzoening van de zonden der ganse wereld.”

Maar dit is niet hetzelfde als de VOLDOENING, die dus alleen geldt voor de uitverkorenen. Dit blijkt uit al die plaatsen in de Bijbel, welke het werk van Christus betrekken op Zijn volk, op Zijn schapen, voor de Zijnen. Zie o.m. Matth. 1 : 21: „Want Hij zal Zijn volk zaligmaken van hunne zonden.” Joh. 10 : 15: „En Ik stel Mijn Leven voor de schapen.” Dit zijn Christus’ schapen. „Mijne schapen horen Mijne stem, en Ik ken ze, en zij volgen Mij.” Joh. 17 : 9: „Ik bid niet voor de wereld, maar voor degenen, die Gij Mij gegeven hebt, want zij zijn Uwe.” Zie verder: Efeze 1 : 22; 2 : 20; Hebr. 2 : 10 en 11.

Wanneer Christus wel voor alle mensen zou zijn gestorven en dat toch niet alle mensen zalig worden, dan strijdt zulks tegen de verkiezing. Want zoals God alles bepaald heeft naar Zijn gemaakt bestek, zo voert Hij ook alles uit volgens Zijn besluit. Dit sluit dus ook uit de gedachte, dat Jezus door Zijn verdienste alleen maar de MOGELIJKHEID tot zalig worden zou hebben verworven. Dan zou ook het zalig worden gelegd worden in de hand van de mens.

Maar hoe hebben we dan de tekst te verklaren van I Tim. 2 : 4: „welke wil, dat alle mensen zalig worden en tot kennis der waarheid komen.” En vers 6: „Die Zichzelf gegeven heeft tot een rantsoen voor allen.”

We moeten deze teksten verklaren uit hun VERBAND. En wat leert dit verband? Wat we lezen in de eerste verzen: „Ik vermaan dan voor alle dingen, dat gedaan worden smekingen, gebeden, voorbiddingen, dankzeggingen voor alle mensen; voor koningen en allen, die in hoogheid zijn”.

Het gaat dus hier om „allerlei soort” van mensen, van allerlei rangen en standen. God wil dus, dat uit al die soorten van mensen er zalig zullen worden en tot kennis der waarheid komen. De schare, die Johannes zag staan voor Gods Troon, bestond uit allerlei volken, talen en natiên.

Zo is het ook met de teksten, waarin sprake is van de „WERELD”. „Alzo lief heeft God de wereld gehad.” Joh. 3 : 16. Hier wordt niet bedoeld alle mensen hoofd voor hoofd, maar de wereld als „kosmos”, zoals er ook in het oorspronkelijke staat. De Kosmos (sieraad) zoals die eenmaal weer in schoonheid zal uitkomen als de „nieuwe hemel en de nieuwe aarde.” Uit deze wereld vergadert Christus de uitverkorenen.

Om ten slotte nog een bewijs te leveren, dat Christus niet voor alle mensen heeft voldaan, maar alleen voor de Zijnen, kunnen we wijzen op de TEGENSTELLING, welke er zou zijn tussen het werk van de drie Goddelijke Personen en wel zo: de Vader heeft niet ALLEN verkoren en de H. Geest werkt niet in ALLEN het geloof, hoe zou dan Christus wel ALLEN verzoend hebben? U gevoelt, dat er dan sprake zou zijn van een tegenstrijdigheid in Gods werken en dat kan niet.

Altijd stemmen de drie Goddelijke Personen samen en Ze komen altijd met elkander overeen!

We willen echter nog een eventueel misverstand uit de weg trachten te ruimen in betrekking tot de praktische kant van de leer van Christus’ voldoening van de uitverkiezing.

Beide vormen de kern van de ware religie, van de leer des Bijbels. Beide zijn het hart van de Kerk, zoals Calvijn dit noemde.

Maar, sluiten nu ook beide grondstukken der waarheid uit, de verantwoordelijkheid van de mens ten opzichte van de PREDIKING en van de welmenende nodiging des Heeren tot zondaren? Immers neen!

Lezen we niet in Ezech. 33 : 11: „Zeg tot hen: zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere Heere, zo Ik lust heb in de dood des goddelozen! Maar daarin heb Ik lust, dat de goddeloze zich bekere van zijn weg en leve!” En in Jes. 55 : 6: „Zoekt den Heere, terwijl Hij te vinden is, roept Hem aan, terwijl Hij nabij is.”

Ook onze belijdenis-geschriften spreken duidelijke taal ten deze. Dordtse Leerregels He hoofdstuk, no. 5: „Voorts is de belofte des Evangelies, dat een iegelijk, die in de gekruiste Christus gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe; welke belofte alle volken en mensen, tot welke God naar Zijn welbehagen Zijn Evangelie zendt, zonder onderscheid moet verkondigd en voorgesteld worden, met bevel van bekering en geloof.” Is dus de verkiezing en de leer der voldoening het hart van de Kerk, we lezen nergens in de H. Schrift, dat we eerst moeten weten of we uitverkoren zijn en dan zullen mogen bidden om bekering en om geloof. In de praktijk van het geestelijke leven, dat de Heilige Geest werkt, laat de Heere de mens nooit eerst zien, dat Hij verkoren is en dat Christus voor hem heeft voldaan, maar… dat hij verloren ligt, dood in de zonden en misdaden.” Daarmede begint ook de apostel in zijn brief aan Efeze, hfd. twee. En eerst in vers 5 en vs. 8 schrijft hij: „uit genade zijt gij zalig geworden.”

Voor een ontdekt en ontgrond volk wordt het genoegdoenend werk van Christus eerst noodzakelijk en dierbaar!

De leer der VERKIEZING heeft God in Zijn Woord geopenbaard als bron van vertroosting en zekerheid voor Zijn bestreden volk. Dan leidt de Heere dit volk wel eens terug naar Zijn eeuwige verkiezing en zal het eindigen in Zijn vrijmachtig welbehagen.

„Door U, door U alleen, om ’t eeuwig welbehagen”!

Urk.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.