+ Meer informatie

Besprekingen van de Heilige Oorlog

7 minuten leestijd

31

Toen Mensziel en Diabolus het verhaal van Onbuigzaam hadden aangehoord, besloten zij tegelijk dat ze doen zouden wat zij konden om Immanuël uit de stad te houden. En de oude Kwaderust, van wie u reeds gehoord hebt, zouden zij zenden om dit de Prins en de kapiteins te zeggen.

De oude edelman klom dus bovenop de Oorpoort en riep tot het leger om gehoor. Toen hem de audiëntie verleend werd, zei hij: „Ik heb een commissie van mijn hoge heer, om uw Prins Immanuël en u te doen weten dat Mensziel en zijn koning besloten hebben samen te staan of te vallen en dat uw Prins zich tevergeefs inbeeldt, dat Hij Mensziel ooit krijgen zal, ten ware Hij het met geweld innam.” En zo werden enigen uit het leger gezonden om dit besluit van Kwaderust met de stad, Immanuël te melden.

Toen zei de edele Vorst: „Ik moet de kracht van Mijn zwaard beproeven, want Ik wil Mijn belegering niet opbreken en van Mensziel aftrekken, wegens al haar rebellie en afwerping die zij tegen Mij gemaakt hebben. Maar Ik wil zeker Mijn Mensziel innemen.”

Dit gezegd hebbende beval Hij dat kapitein Boanerges, kapitein Overtuiging, kapitein Oordeel kapitein Uitvoering terstond met het geluid der bazuinen met vliegende vaandels en met gejuich van het heir, recht op de Oorpoort zouden aanmarcheren. Hij wilde ook dat kapitein Geloof, Goede Hoop en Liefde zich voor de Oorpoort begeven zouden. Hij gebood verder dat de overige kapiteins en hun soldaten zich rondom de stad zouden legeren, waar zij de meeste afbreuk aan hun vijanden doen konden. En zo Hij ’t beval was alles gedaan. Daarop liet Hij het wachtwoord geven, dat luidde: Immanuël.

Men maakte nu een alarmgeschrei, de stormrammen werden aangebracht, weldra wierpen de slingers de stenen onophoudelijk in de stad en zo ving de strijd aan.

Diabolus voerde de stedelingen zelf ten strijde en dat wel aan alle poorten. Daarom was de tegenstand te krachtiger, te helser en te schadelijker voor Immanuël. Dus werd de edele Prins door Diabolus en Mensziel onthaald en opgehouden vele dagen aan elkander. Waardig om te zien was het, hoe de kapiteins van El-Schaddai zich in deze strijd gedroegen.

Kapitein Boanerges deed drie geduchte aanvallen op de Oorpoort, de één na de andere, zodat de poorten dreunden. Krachtig wist hij te spreken van het oordeel dat Mensziel zou treffen als het zich aan de Zoon van El-Schaddai niet kwam over te geven. Kapitein Overtuiging drong ook zo dicht aan met Boanerges als enigszins mogelijk was. Hij overtuigde de burgers van de gruwelstukken door hen bedreven wel zo krachtig, zodat van verontschuldigingen geen sprake was. En beiden merkende dat de poort al een weinig begon te bewegen, bevalen dat de stormrammen ingeschakeld zouden worden, opdat de stad zou komen tot de overgave aan Immanuël.

Maar toen Overtuiging daartoe zeer dicht aan de poort naderde, werd hij met grote kracht teruggeslagen en ontving drie wonden in de mond om hem tot zwijgen te brengen.

Van een onvoorwaardelijke overgave wilde men in de stad niets weten.

Onderwijl gingen de vrijwilligers voortdurend rond om de kapiteins aan te moedigen het staande te houden tegenover al de boosheid en bitterheid van de tegenstand die geboden werd.

Wegens de dapperheid der twee kapiteins, van wie we tevoren reeds gesproken hebben, zond de Prins heen om ze tot Zijn tent te doen brengen. Daar gekomen ontvingen zij verlof om een wijle uit te rusten en enige verkwikkingen te genieten. Het is een zware taak van dag tot dag te strijden tegen de vijandschap van het ongeloof.

Kapitein Goede Hoop en kapitein Liefde bleven ook niet in gebreke in dit ontzaggelijk gevecht, zij gedroegen zich zo dapper bij de Oorpoort, zodat zij die bijna openbraken. Moed in het vertrouwen op de Heere en liefde tot het behoud van de stad, deed hen zo dapper strijden. Dezen werden ook door de Prins bemoedigd gelijk ook de andere kapiteins, omdat zij zich zo kloekmoedig gedragen hadden.

Maar door wat verliezen en verwondingen was de stad niet te bewegen de wapenen in te leveren. Wel moest kapitein Roemende een toontje lager zingen toen de Oorpoort begon te beven, want hij had geprofeteerd dat zulks niet mogelijk was.

Kapitein Zeker was er niet meer zo zeker van dat de stad door wat kreupele en lamme burgers te beschermen was tegenover het leger van Immanuël.

Daar was ook kapitein Pocher, een snode boef. Hij was kapitein over de troep die vuurbranden, pijlen en dood met zich voerde en ontving door kapitein Goede Hope aan de Oorpoort een dodelijke wond in zijn borst.

Zo was er ook een mijnheer Gevoel, die wel geen kapitein was, maar een grote stokebrand om Mensziel tot rebellie aan te hitsen, deze ontving door één van Boanerges’ soldaten, een wond in zijn oog. En was hij niet schielijk tot de vlucht besloten, hij zou door de kapitein zelf gedood zijn.

Nooit zag men Wil zo tam. Hij was niet in staat te doen gelijk hij gewoon was. Sommigen zeggen dat hij een wond in het been ontving, want hij was daarna hinkende gezien op de muur van de stad. Maar al heel spoedig werden de gewonden verbonden en de doden begraven en de verwoestingen zo veel mogelijk hersteld. Want al wat werken kon had daar mee te werken om Vorst Immanuël buiten de stad te houden.

Toen deze slag voorbij was beval de Vorst, ondanks al de tegenstand en bittere vijandschap van Mensziel, dat men nogmaals de witte vlag zou planten op de berg Genade in ’t gezicht van de stad. Om te tonen dat Immanuël nog genade aan het ellendige Mensziel wilde bewijzen. Als nog is El-Schaddai bereid de afkerige stad Zijn nederbuigende goedheid te bewijzen zonder inzicht van enige waardigheid in haar, maar om Zijns naams wil. Verzoening door de voldoening van de enige en algenoegzame offerande van Jezus Christus wordt Mensziel aangeboden.

Hoe smartelijk was het oudtijds voor Hem toen Jeruzalem zich niet liet vergaderen, door de prediking van Zijn ontfermende liefde te versmaden. En als Hij de stad zag, weende Hij over haar, zeggende: „Och of gij ook bekendet, ook nog in deze uw dag, hetgeen tot uw vrede dient.” Het is niet gering te achten, over al die welmenende roepstemmen heen te werken.

Toen Diabolus de witte vlag weer zag waaien, daarbij wetende dat dit niet voor hem, maar voor Mensziel was, bedacht hij een andere list. Hij wilde nu eens zien of Immanuël Zijn belegering niet wilde opbreken en aftrekken op belofte van reformatie. Dus ging hij in de avond, toen de zon reeds een wijle onder was, af tot de poort en riep om Immanuël te spreken, Die dan ook weldra neer kwam aan de poort.

Voor het oog van de mens een grote verandering, satan verandert zich in een engel des lichts en zijn dienaren als waren zij dienaren van de gerechtigheid, om het werk der reformatie te dienen. Maar dat doorziet Vorst Immanuël.

Toen zeide Immanuël tot hem: „O gij leugenaar, vol van bedrog, hoe dikwijls zijt gij veranderd en weer veranderd, opdat gij Mijn Mensziel in bezitting zoudt mogen behouden, Mijn beminde stad waar Ik alleen en niemand anders, gelijk tevoren duidelijk gezegd is, recht op heb. Hoe menigmaal hebt gij nu al aanbiedingen gedaan, en deze laatste is net zo slecht, zoal niet slechter dan de voorgaanden. Wilt ge nu het u niet gelukte te bedriegen, toen ge u in ’t zwart vertoonde, u veranderen in een engel des lichts? En zult ge u nu omdat gij bedriegen wilt, aanstellen als een leraar der gerechtigheid?”

Een reformatie vanuit de wet redt de stad niet en een reformatie uit de genade van Jezus Christus begeert de stad niet. Mensziel heeft de verheerlijking van het wonder der genade nodig, om het eigendom van Immanuël te worden.

Nijkerk.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.