+ Meer informatie

DE KLEINE VOSSEN EN HET BESTUURLIJKE WERK IN DE KERK

8 minuten leestijd

In dat werk blijkt nogal eens iets mis te gaan. Niet direct op net vlak van bestuurlijke en organisatorische zaken in de bredere kerkelijke verbanden, - hoewel het ook daar wel eens aan gevoel voor verhoudingen ontbreekt -, maar vooral binnen de plaatselijke kerken. En dan niet te denken aan mismanagement waardoor financiële schade wordt geleden, ofschoon ook dàt natuurlijk niet ondenkbaar is, maar aan keuzen, beslissingen en ondernemingen waarbij mensen, Individuen en soms hele groepen van de kerkelijke gemeente, emotioneel en misschien ook wel eens materieel sterk zijn betrokken en waarbij soms bijzonder ondoordacht en onzorgvuldig wordt gehandeld. Daaraan ligt lang niet altijd kwade trouw ten grondslag. Hoewel, uitgesloten hoeft die natuurlijk niet te zijn. Mensen blijven mensen, met lek en gebrek, ook als zij kerkelijke verantwoordelijkheid dragen. Maar ook in goede trouw genomen besluiten en gemaakte keuzen hoeven nog niet altijd weloverwogen en door elk kerkeraadslid goed doordacht te zijn. Het heeft er wel eens de schijn van dat niet eens zo weinig broeders, als het op hun verantwoordelijkheid voor de kerkelijke gang van zaken aankomt, zieh te weinig rekenschap geven van de noodzaak de te behandelen zaken van tevoren goed door te nemen en eventueel te nemen beslissingen op alle consequenties eerst goed te overzien. In de collectiviteit van het kerkeraadswerk draagt men als ambtsdrager persoonlijk verantwoordelijkheid en dat wordt niet altijd goed beseft. Het gevolg hiervan is dat de richting die een zaak kiest, dikwijls bepaald wordt door enkele toonaangevende kerkeraadsleden en hun voorkeuren, waarin de anderen - soms met twijfel - dan maar meegaan. Wordt men er later op aangesproken dan kan het gebeuren dat de aangesprokene zieh van een besluit of van een hangend voorstel distantieert met de opmerking, dat hij er ook anders over dacht en denkt, maar dat zijn inzichten rond de zaak niet relevant werden gevonden.

Ongelukjes en slordige afwerking van zaken in de bestuurlijke sfeer in de kerk kunnen in het vlak van de menselijke verhoudingen soms grote en erg vervelende gevolgen hebben. In alle kerken - ook in de onze - lopen heel wat mensen rond, verwond, geschampt en geschaafd door een bestuurlijk beleid waarbij het eergevoel, de waardigheid van de enkele mens met zijn kwetsbare en soms misschien al te snel geprikkelde gevoelens van eigenwaarde niet voldoende in aanmerking werden genomen. Ik maak het graag iets concreter door enkele dingen te noemen waarover men mij per brief informeerde of die zieh binnen mijn eigen waarneming in het verleden aan mij voordeden.

Welke organist?

In veel kerkelijke gemeenten bestaat een overcapaciteit aan orgeltalent. Hier en daar is er nogal gedrang bij de orgelbank. Kerkeraden kunnen het er maar moeilijk mee hebben. Wie komt het meest in aanmerking voor een aanstelling? Moeten in de beoordeling muziektechnische kwaliteiten, door Studie verkregen, voorop staan? Of dient ook de geoefende amateur met zijn romantische spelstructuur in aanmerking te komen? Hoe beoordeelt men de mate van kundigheid en feeling om de gemeente begeleiden bij iemand die van zichzelf meent alles “in huis te hebben”, maar van wie de meer professionele gegadigde zegt dat het een “knoeier” is? Aan Wiens spel zal door de gemeente voorkeur worden gegeven? Een kerkeraad moest uit meerdere kandidaten kiezen. Overwogen werd allen in de gemeente, die hun vingervlugheid langs de toetsen graag wilden bewijzen, te laten meerouleren, maar van die gedachte kwam men terug omdat er op die wijze weinig vaste structuur in de gemeentezang zou worden verkregen. Men koos een eerste (de beste) en een hulporganist, echter zonder met twee andere broeders die afvielen, genoegzaam door te spreken waarom zij niet tot de uitverkorenen be-hoorden. De keuze zal op zichzelf best juist zijn geweest, maar de afwerking naar de kant van hen die “buiten de prijzen” vielen, verdiende bepaald niet de schoonheidsprijs.

Een andere makelaar

Op een andere plaats stond men voor de koop van een pastorie. De gemeente telde een makelaar in onroerend goed die zijn goede diensten zeker zou hebben willen en kunnen verlenen. Eén van de toonaangevende kerkeraadsleden was echter bevriend met een makelaar buiten de gemeente, met wie hij over de onderneming al in een vroeg stadium van gedachten had gewisseld en die goede ideeën en mogelijkheden aan de hand had gedaan. Een persoonlijke lobby met enkele kopstukken uit de commissie van beheer leverde de conclusie op dat, ook al uit net oogpunt van objectiviteit en onpartijdigheid, beter niet voor de makelaar uit eigen kring kon worden gekozen. Hij werd niet geraadpleegd en niet ingeschakeld. Op zichzelf misschien niet zo heel erg, maar betrokkene moest via-via horen dat zijn bemiddeling niet nodig was. Dat maakte veel adrenaline in het bloed van de man los, wat in elk geval voor een deel had kunnen worden voorkomen als hem open en eerlijk de overwegingen van commissie en kerkeraad tot de andere keuze duidelijk waren gemaakt. Niets daarvan. Gevolg: verstoorde verhoudingen, niet alleen bij de makelaar uit eigen kring, maar indirect ook met degenen die de man in de gemeente tot zijn directe vrienden rekende.

Op wéér een andere plaats - niet in onze eigen kerken overigens - vroeg de koster leeftijdsontslag. Al jaren was er een hulpkoster die zich op uitstekende wijze van zijn taak kweet. Van het tegendeel was althans nooit gebleken uit kritiek, die hij naar zich toe had gekregen. Beraad tussen kerkeraad en commissie van beheer leidde - in weerwil van de goede conduiten van de hulpkoster - tot de aanstelling van een ander, zonder de hulpkoster van tevoren of direct na de beslissing ten faveure van de ander te laten weten welke overwegingen ertoe hadden geleid om zijn hulpkosterschap niet in een eerste kosterschap om te zetten. Gevolg: verbazing, teleurstelling en gegriefdheid omdat uit zo’n handelwijze toch wel een beetje geringschatting van de menselijke waardigheid sprak. Het is natuurlijk niet zo bedoeld geweest maar een zorgvuldiger handelwijze zou hier veel narigheid hebben voorkomen.

Geen kwade trouw

Achter deze en andere voorbeelden die te geven zouden zijn, steekt geen kwade trouw. Het is dikwijls meer een kwestie van ontbrekende elegantie, soms gecombineerd met angst en onvermogen om met mensen vóóraf of achteraf in alle openheid en eerlijkheid over hun onvervulbare wensen te spreken. Door ambtsdragers en werkers in andere kerkelijke circuits wordt wel eens te weinig beseft dat ook die bezigheid tot hun verantwoordelijkheid behoort en dat men zich aan de onplezierigheid die er nu eenmaal aanzit, niet mag onttrekken. Moeilijke gesprekken mogen niet uit de weg worden gegaan.

Brieven, hoe vervelend en querulanterig ze soms ook kunnen zijn, dienen op elegante wijze van een antwoord te worden voorzien. In dit verband merkte een overigens zeer construetief meedenkende zuster uit één van de omliggende gemeenten uit de regio tegenover mij op, dat zij op haar brieven, die zij van tijd tot tijd over in haar ogen relevante onderwerpen aan de kerkeraad schrijft, vrijwel nooit antwoord krijgt dan alleen in de vorm van een losse opmerking in de wandeling van een min of meer bevriend kerkeraadslid. Zij heeft er intussen het gevoel uit overgehouden dat brieven van mannen in de kerk in het algemeen méér gewicht hebben dan die van vrouwen.

Communicatieve vaardigheid

Sinds tientallen jaren laat men bij overheid en bedrijfsleven mensen die verantwoordelijkheid voor mensen in allerlei werkverbanden dragen, cursussen in communicatieve vaardigheid volgen. Men probeert daar mensen, met verantwoordelijkheid voor stemming en sfeer in de aan hun zorg toevertrouwde werkverbanden, te leren om conflicten te voorkomen en te beheersen, strategieën en tactieken te ontwikkelen die erop gericht zijn om wat in de menselijke verhoudingen dreigt scheef te groeien, weer recht te zetten. Oefening in daarop gerichte gesprekstechnieken vormt daarbij een vast en belangrijk onderdeel.

Ook in de kerk ligt het binnen de onderlinge verhoudingen soms snel scheef. Soms heeft dat te maken met de omstandigheid dat mensen habituele dwarsliggers zijn, ontoegankelijk voor redelijke argumenten, overtuigd van eigen gelijk ook al hebben ze ongelijk, die altijd de voet in het zand zetten, linksaf willen als anderen rechts aangeven en bij wie deloyaliteit een structurele eigenschap is. Maar er gaat in het bestuurlijke en misschien ook wel in het pastorale werk, niet zelden iets mis omdat in de omgang met en de behandeling van mensen aan wie moeilijke dingen moeten worden verteld, niet altijd met dàt helder inzicht en die fijngevoeligheid te werk wordt gegaan, waarvan de apostel in Filippenzen 1 : 9 spreekt. En zo sluipen er door heel wat kerkelijke wijngaarden grote en kleine Vossen, die met een grotere behoedzaamheid en meer bedachtzaamheid tijdig afgeschoten hadden kunnen zijn. Later zijn ze in de regel nog maar heel moeilijk te vangen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.