+ Meer informatie

Het gesprek op het huisbezoek

11 minuten leestijd

De huidige praktijk beweegt zich binnen bepaalde grenzen met kleine variaties. Men gaat jaarlijks twee aan twee, probeert een gesprek over het geestelijk leven en wat daarmee samenhangt, en dat is eigenlijk heel het leven. Men heeft vaak moeite om de ander daarover los te krijgen. Daardoor wordt het huisbezoek vaak een moeizame, teleurstellende bezigheid. Men brengt soms twee of drie bezoeken per avond, ziet er tegenop, gewaagt soms van een mooi of meevallend huisbezoek, zelfs van een aangename avond. Echter: de meeste zijn moeilijk en het zijn de moeiten die ons doen vragen naar de techniek.

In sommige gevallen stuiten wij op een zekere angst voor de autoritaire vraag en vat men het huisbezoek op als een soort verhoor. Daarachter ligt soms de droeve werkelijkheid dat de ambtsdrager niet leeft op het niveau waarover hij spreekt. Als hij de mens aanpakt is ’t niet echt, het hele werk dreigt onnatuurlijk te worden, quasi-ambtelijk en zgn. officieel maar in feite geforceerd en onwaarachtig. Dat stoot af en slaat dicht. Op de vraag naar de techniek is daarom een eerste antwoord: bekeerdheid van de mens die het ambt draagt. Anders wordt het ambt een soort mombakkes.

Elke bekeerde man is echter nog geen bekwaam ouderling. Het omgekeerde is wel waar. Maar voor het huisbezoek is meer nodig. Paulus noemt de vereisten in zijn brieven aan Timotheus en Titus. Niet elke gelovige is bekwaam om te leren, te onderwijzen, didaktikos. Daartoe is nodig kennis van zaken, geestelijk inzicht, helder verstand, nuchter oordeel. Daarnaast het vermogen om deze kennis mee te delen en bij te brengen aan anderen. Het huisbezoek vraagt bovendien het aanvoelen en vaststellen wat er nu aan de ander precies geleerd moet worden. Tenslotte is de vraag hoe dat moet gebeuren. Met andere woorden: men moet een herderlijk gesprek kunnen voeren. En nu kom ik tot iets dat mij zwaar weegt: het gesprek. De moderne psychologie heeft onze ogen er weer voor geopend hoe fundamenteel en belangrijk het gesprek is in de tussen-menselijke verhoudingen. De bijbel heeft ons dat al eeuwenlang laten zien in verband met de verhouding tussen God en mens. Zowel bij de profeten in hun prediking als bij Jezus en de apostelen, neemt het gesprek een overwegende plaats in onder al de vormen van gemeenschap en zorg. Ik moge een adstructie achterwege laten met een verwijzing naar uw bijbel.

Zoek de gesprekken maar eens op bij profeten en evangelisten. Denk aan Ma-leachi en Johannes. Een ouderling moet studeren in zijn bijbel.

Wat nu dat gesprek zelf betreft: Wij hebben altijd een bepaald doel voor ogen. Wij komen niet zomaar eens horen hoe het gaat, we hebben niet enkel verslag uit te brengen op de kerkeraad over dit of dat gezin, we moeten herderlijke zorg verrichten en daar moet een goed verslag van komen in de zielen der schapen en in de hemel bij de Opperherder. We hebben een doel en een taak in ons gesprek. Dat is in het algemeen wat het doel is van al ons ambtswerk. Om de heiligen toe te rusten tot dienstbetoon, tot opbouw van het lichaam van Christus, of, met Petrus: Weidt de kudde Gods. Het gaat om het geestelijke en totale heil der kudde. Om het echte welzijn. Dat is Gods zaak en Gods opdracht. Wij doen huisbezoek tot Gods eer en des naasten heil. Daar moeten we bewust heen werken in ons gesprek. Daarbij moeten we echter rekening houden met de bijzondere omstandigheden bij elk herderlijk gesprek. In de concrete situatie zijn we nog ver van het doel af. Nu … moeten we in de goede richting leiden en voorthelpen, terechtwijzen en aanmoedigen. Dat is telkens weer anders. Een dokter heeft wel altijd de gezondheid op het oog, maar de behandeling en medicatie is zeer verscheiden. Zo ook in het huisbezoek. Vandaar de noodzaak eerst een diagnose te stellen en dan pas de therapie te vinden.

Wij moeten ons nauwkeurig op de hoogte stellen van iemands geestelijke ligging. Om daarna te bedenken wat in deze situatie eerst nodig is om nader tot het doel te geraken. De grote vraag is echter: hoe kom ik daar nu achter? Als u dat rechts-streeks vraagt wordt u tien tegen één verkeerd ingelicht, want slechts weinigen kennen zichzelf. Het is ook niet als bij de komst van de kruidenier zó, dat het boekje klaar ligt. Men stààt niet open en gààt ook niet zomaar open. (Dit alles natuurlijk zeer generaliserend! Maar met opzet!) Het is dwaas deze werkelijkheid praktisch te negeren en dan klachten, verwijten te uiten. We moeten er bij geslotenheid van veler gevoelsleven danig mee rekenen. En dan zou ik sterk willen aanraden in ’t algemeen af te stappen van alle direkte en formele informaties naar het intieme geestelijke leven, vragen die vaak als een bom neerploffen in een kop koffie zodat het weerpraatje verstomt en de vertrouwelijkheid en natuurlijkheid verbroken zijn. Deze methode is te goedkoop. Het stellen van zulke rechtstreekse vragen is alleen maar moeilijk in zoverre er moed voor nodig is om een handgranaat in vlak terrein te werpen omdat men zelf ook enig gevaar loopt, juist door het onhandig opwerpen van het gevaarlijke voorwerp.

Als er nu enige aanwijzingen volgen voor een betere techniek, verwacht u dan niet dat ’t in Keulen zal gaan donderen. Velen zullen zeggen: dat wist ik allang en dat deed ik al jaren. Anderen zullen denken: daar zit wat in voor mij.

Voor beiden schrijf ik.

Het is mij meermalen opgevallen dat bij het openen van de deur al over de schouder van de dominee gegluurd werd om vast te stellen wie er mee kwam. Dat wijst er op dat het niet onverschillig is wie er komt.

Men moet daar soms mee rekenen bij de taaktoewijzing maar ook bij de verkiezing en tenslotte in de persoonlijke vorming en bekwaming tot het ambt. Een ambtsdrager moet vertrouwen en respect hebben. Niet in familie- of maatschappelijke relatie staan tot het gezin. Het huisbezoek begint bij het binnenkomen. Tijdens de begroeting kunt u al heel wat waarnemingen verrichten. Het zijn vaak kleinigheden waardoor de mensen zichzelf doen kennen. Men overtuigt zich tevens of alle betrokkenen aanwezig zijn. Soms is nodig een mededeling omtrent de gang van zaken. Zonder tijd te verliezen moet het huisbezoek begonnen worden. Dat wil niet zeggen dat men met de deur in huis moet vallen. Soms kàn dat, n.l. als alle „deuren” open staan, maar dat is zelden het geval. Het is niet verkeerd het gesprek — „heel gewoon” op te zetten. Als de bezoekers het doel maar voor ogen houden en het gesprek daar ook heen leiden. Een enkele uitlating biedt soms een aanknopingspunt om de „overgang” te maken. Dit vereist een zekere vaardigheid gepaard met fijngevoeligheid. Men moet het doel bereiken zonder forceren. De verscheidenheid is echter zo groot, dat er in een bepaalde situatie geen betere methode is, dan die, welke men het minst geschikt acht: de abrupte vraag. Er zijn mensen die daar schijnbaar op wachten. Onze voorzichtigheid mag ons ook weer niet al te bang maken. Gebed en schriftlezing zijn een zeer goed begin. Het misbruik dat mogelijk is mag ons van het rechte gebruik niet afhouden. Zelfkritiek blijft hier geboden. Het gebed zij kort en evenals de schriftlezing ter zake dienende. De laatste zij geschikt als leidraad, gesprekstof, uitgangspunt of hoe men het noemen wil. Ik las b.v. in vele gezinnen Matth. 6 : 19 e.v. vergadert u geen schatten op de aarde enz. Daar ligt het verband tussen geestelijke en materiële belangen. Lees overal in één seizoen hetzelfde. Het mag wel uitgezocht zijn voor het huisbezoek maar niet voor een bepaald gezin.

Dat is gevaarlijk. Hoewel bij uitzondering toch wel weer eens geboden. Maar nooit om iemand daarmee te treffen. De leider van het huisbezoek begint te spreken over de practische betekenis en beleving van deze schriftwoorden. Wie zich beter thuisvoelt bij het „gewone” begin zal toch in de loop van het gesprek vaak een bepaald onderdeel van de Schrift ter sprake brengen om het dagelijks leven te trekken in het licht van Gods Woord en Wet. Men doet dat in de wij-vorm, dat opent de enkeling, men vermelde veronderstellenderwijs wat men hier en nu vermoedt en lette op de reacties. Zo tasten wij het gezin af en geven tegelijk reeds enig algemeen onderricht. Naarmate men vordert moet de ander steeds meer aan het woord gelaten worden. Laat men gerust afdwalen. Wees blij met de openheid, maar wat straks de draad wel weer op, zo onopvallend mogelijk. Zorg ervoor intens en serieus te luisteren. Verwerk wat u hoort en ziet steeds weer in uw gesprek over de Schrift en de beleving, tracht vast te stellen wat iemand diepste motief is, wat zijn levenshouding doorgaans is, denk bij alles: waarom zegt of doet hij dat. Herleid het vele tot het ene: zijn karakter en geestelijke ligging. Let op de sfeer van het gezin. Trek dat alles in het licht van Gods Woord en bedenk welke boodschap hier gebracht moet worden. Doe ook dat in de wij-vorm. Pas wanneer iemand zich echt uitspreekt zonder enig terughouding mag ik zeggen: U moest eens dit of dat, maar ook dan kan ik nog zeggen: Wij moeten eens wat meer bedenken. Dus niet uit de hoogte, maar naast elkaar. Dat heeft meer effect. Richt het gesprek zo in dat de ander zelf concludeert wat hem te doen staat. Dan is de overtuiging echt en niet opgelegd. Wordt nooit heftig, hatelijk of iets dergelijks. Al zou men u nog zo beledigen, blijf bij de zaak die u dient. Wie eigen eer niet zoekt kan er moeilijk in gekrenkt worden. Wij moeten soms wel smaadheid dragen voor Christus. Ga nooit redetwisten, zeker niet als ambtsdragers met elkaar Men moet samenwerken, elkaar helpen als het nodig of nuttig is. U moet niet de indruk wekken dat één van beide zijn taak niet aan kan.

Bedenk dat huisbezoek niet alleen persoonlijke zielszorg is maar vooral geestelijke gezinszorg. Het hoofd van het gezin is daarom de voornaamste gesprekspartner. Van hem gaat invloed uit en die moet goed zijn.

Uw eigenlijke taak is verkondiging van het Woord aan dit gezin. Het is een bijzonder toegepaste verkondiging maar dan ingepast in het gesprek, afgepast naar de geestelijke bevatting van de bezochten, toegepast overeenkomstig geestelijke ligging en algemene situatie, aangepast aan de taak en ontwikkeling, nooit ongepast of te onpas. Dus: Opgepast: wat u zegt en hoe u ’t zegt. Men houdt uw woorden vast. Maak ’t uzelf niet gemakkelijk door het zeggen van enkele algemene waarheden die de problemen ontwijken. Elk bezoek moet zijn een worsteling om te begrijpen en te leiden, om iets te zeggen dat „raak” is in de goede zin van het woord. Zo dat men later zegt: Dat had ik nu (niet gedacht misschien) maar net wel nodig.

Dit is een zware taak die in de meeste gevallen niet in één uur afgedaan kan worden. Ik adviseer minstens twee uur per gezin, dus: een hele avond. Als we op visite gaan nemen we ook wel 2, 3 of soms 4 uur er af. En dan komen we soms aan ’t geestelijk leven nog niet toe. En dan komen we dikwijls vaker dan éénmaal per jaar. Het huisbezoek is meer dan een formaliteit en dan een visite. Het moet niet gedaan worden met een zekere haast om straks met een zucht van verlichting te constateren: dat zit er weer op. Rustige zorg vraagt een rustige sfeer. U moet de tijd hebben.

Zulk huisbezoek vraagt van de kerkeraad een verstandige voorbereiding. Wij zijn niet klaar met te zeggen dat we onder biddend opzien tot God naar het ons toegewezen adres toegaan. Hoe beslissend dit ook is.

De voorbereiding moet eerder aanvangen en meer omvatten. Ze moet beginnen op de kerkeraad waar eventueel vastgesteld wordt welk schriftgedeelte gelezen zal worden. Dit gedeelte moet bestudeerd en doorgesproken worden zodat men er „in” zit. Waar men niet volgens deze methode werkt, zal n.a.v. de verslagen van het huisbezoek gesproken kunnen worden over de wijze waarop men het deed en doet en waarom men meent het zó te moeten doen.

De predikanten moeten daarin de „instructeurs” van hun kerkeraden zijn, hoewel er soms ouderlingen zijn, die in de gesprekstechniek verder ontwikkeld zijn dan hun predikant. Het gaat er ook niet om wie ons vormt en onderwijst, we doen het eigenlijk samen, als het maar gebeurt.

De algemene gesteldheid van de gemeente moet uitvoerig onder ogen gezien worden opdat men wete waaraan bijzondere aandacht dient te worden besteed. De bezoekende broeders moeten hun toegewezen gezinnen zowel tevoren als achteraf „bespreken” in de heilige zin van het woord. Er moet plan en lijn in ons werk zitten. Het verdient aanbeveling een schriftelijk rapport op te stellen of enkele korte notities te maken direkt na het bezoek.

Latere herinneringen zijn minder zuiver omdat bepaalde indrukken weer vervagen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.