+ Meer informatie

DE SCHAT DER KERK

7 minuten leestijd

5

Wet en Evangelie 2

De volgorde wet en evangelie hebben de reformatoren gehandhaafd en verdedigd. Luther schrijft: zeg mij toch, bid ik u, wat zal hij, in de Heilige Schriften weten, die zover nog, niet gekomen is, dat hij zou weten wat de wet en het evangelie zij of, zo hij het weet, dat hij; het veracht te onderscheiden? Deze moet allen dingen mengen: de hemel met de hel, het leven met de dood, en in één woord: deze weet, niet veel van Christus en hij vraagt er niet naar”.

In zijn catechismusverklaring zegt Ursinus over deze zaak het volgende: „zolang wij onze zonde en ellende niet kennen, zijn wij ongeschikt om het evangelie te horen. Hieruit is duidelijk, dat men met de prediking der wet moet beginnen, zoals wij ook zien, dat de apostelen en profeten gedaan hebben, opdat bij de mens de hoop op eigen gerechtigheid terneder geworpen worde en hij tot kennis van zichzelf en tot waar berouw worde voorbereid. Zo dit niet geschiedt, worden zij door de verkondiging der genade nog geruster en weerspanniger”. Dit is duidelijke taal. Praktisch gezien, en zo moeten we de zaken ook gaan zien, zal niemand tot de Heere komen, die niet eerst zijn ellende en schuld heeft; ontdekt. Naar de belofte van God mag hij komen, maar hij zal eerst komen als de Heere hem bewerkt door Zijn Geest. Dit mag ons niet lijdelijk maken, dit moet ons des temeer activeren om te smeken om Geesteswerking. Werkt de Heilige Geest in ons, dan zullen we op de vraag, waaruit kent gij uw ellende? van hart antwoorden: uit de wet Gods. Uit de wet Gods wil God de mens ontdekken en bekendmaken met zichzelf en met zijn doemwaardigheid. Maar nu moeten we dit goed onthouden, dat de wet als zodanig ons niet aan onze zonde en diepe verdorvenheid ontdekt, maar Gods Geest. En die Geest hanteert de wet in dienst van het evangelie. Vindt dit plaats, dan zal men, wanneer men deelt in Christus’ verlossende liefde getuigen: de Heere heeft mij ontdekt aan mijn schuld en zonde. Hij bracht me tot oprecht berouw, tot schuldbelijden. Hij deed mij smeken om genade. Het was en is alles Zijn werk. De wetskennis dient dus tot ontdekking. Zij brengt tot de belijdenis: ik ben van nature geneigd God en mijn naaste te haten. De wet is de kenbron van de ellende. Maar zou iemand kunnen opmerken: de moordenaar aan het kruis dan Hij kwam toch door een blik op Christus tot een zalige omkering? Inderdaad. Maar dit mag niet vergeten worden, dat het recht van God, de vergeldende kracht van de wet voor zijn oog blonk. Vandaar dat Hij Jezus zag als de Onschuldige en van zijn makker en zichzelf beleed: wij toch rechtvaardiglijk, want wij ontvangen straf, waardig hetgeen wij gedaan hebben”. Die strafwaardigheid wordt door een ieder aanvaard, die in de spiegel van Gods wet zichzelf heeft ontdekt en het recht van God ziet blinken. Er is dan een buigen voor Gods recht. Een aanvaarden van de voord: Vervloekt is een iegelijk, die niet alijft in al hetgeen geschreven is in het boek der wet, om dat te doen”.

Men belijdt van harte, dat men naar het rechtvaardig oordeel van God de tijdelijke en eeuwige straf verdiend hééft. Zalig worden is dan aan ’s mensen kant een onmogelijkheid. Men verstaat goed, dat door de werken der wet geen vlees gerechtvaardigd wordt voor God. Wie zover komt, gaat in zijn ellende niet onder. Op het noodgeschrei doet God grote wonderen. Het „gena, o God” wordt in de hemel gehoord. Het licht van Gods genade valt op de Middelaar. Hij wordt gelijk Calvijn het zo schoon zegt, ontdekt in het gewaad van de Heilige Schrift.

Er is een Middelaar. De Middelaar is er voor een zondaar. De Heere Jezus Christus. Gods eniggeboren Zoon. Hij is waarachtig, rechtvaardig mens en tegelijk waarachtig God. In Hem komt God tot de mens en kan de mens weer tot God komen. Die Middelaar is van God geschonken. Uit eeuwige liefde heeft God Hem Zelf geschonken. God Zelf heeft Hem gegeven in de kribbe van Bethleïem en aan het kruis van Golgotha. Hij is de gave Gods en dat naar Zijn eeuwig welbehagen. „Alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk die in Hem gelooft niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe”.

Door Hem gaat God de mens ook weer vernieuwen en herstellen. Daarom is Hij gegeven tot wijsheid, tot rechtvaardigheid tot heiligmaking, tot een volkomen verlossing. Hij doet geen half werk. Paulus zegt in 1 Cor. 30, dat Christus is gegeven tot loskoop. Het beeld is genomen uit de slavenwereld. In zijn tijd konden slaven worden losgekocht. En wanneer dat gebeurde waren ze vrij. Christus nu koopt de Zijnen los door de dure prijs van Zijn eigen bloed. Die loskoop is een volkomen verlossing. Wie door de Zoon is losgekocht, door Hem is vrij gemaakt, is waarlijk vrij. En waaruit weten we dit? Uit het heilig Evangelie. Heeft God in Zijn Woord Zijn wet geopenbaard, het evangelie bleef niet achterwege. Dat kon niet, want God is een God des welbehagens. Hij is rechtvaarlig, maar ook barmhartig, groot van goedertierenheid. Het evangelie is daarom de openlaring van Zijn genade tot verlossing van zondaren. En dat evangelie openbaart God biet alleen in het Nieuwe Testament, maar ook reeds in het Oude. In het Woord ontdekken we alzo wet en evangelie. God is een eisend, een toornend, maar ook een belovend en een schenkend God. Het Evangelie heeft God gejpenbaard in het paradijs. Door de heilige patriarchen en profeten laten verkondigen en door de offeranden en andere ceremoniën der wet laten voorbeelden en ten laatste door Zijn eniggeboren Zoon vervuld. De wet toornt, zij eist, zij kan geen genade geven. Het evangelie schenkt troost aan troostelozen, hoop aan hopelozen, genade aan goddelozen. Het evangelie predikt van Jezus Christus, Die in de wereld is gekomen om zondaren zalig te maken. Hij zoekt het verlorene. Hij richt de neergebogene weer op. Hij verlost van de vloek der wet. Hij roept het vermoeiden en beladenen toe: Komt herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven. En die tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen.

Hij verlost en maakt vrij van de dienstbaarheid der wet en stelt in de vrijheid der kinderen Gods. Door Hem is men niet meer onder de wet, maar onder de genade. Leidt dit tot bandeloosheid? Zijn Gods kinderen wettelozen? De wet blijft, maar het wordt een wet der liefde. Een regel des levens. Geheel de Heilige Schrift is een veroordeling van de voorstelling als zou de wet tot heiligmaking geen betekenis meer hebben. God heeft er recht op dat er geleefd wordt naar Zijn wil. Adeldom verplicht. Daarom moet steeds voor de aandacht staan de aanhef van de wet: Ik ben de Heere, uw God, Die u uit Egypteland, uit het diensthuis uitgeleid heb.

De God van de Sinaï laat ook Zijn geboden scherpelijk preken. Zijn heilige eis laat Hij steeds horen: Ik wil en gij zult. De vrucht van die predikingis verdieping van de ellendekennis, een innige begeerte om de vergeving der zonden en de gerechtigheid in Christus te zoeken. Een voortdurend gebed tot God om de genade van de Heilige Geest. Een staan naar de vernieuwing van het leven naar het evenbeeld Gods. Een heimwee naar de volmaking, om eeuwig te leven naar de wil van God. God de Heere altijd te dienen, dag en nacht in Zijn tempel. En dit zal gebeuren, want Jezus heeft het gezegd en Zijn woord wordt werkelijkheid: Ik leef en gij zult leven. De wet is door Mozes gegeven, de genade en de waarheid is door Jezus Christus geworden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.