+ Meer informatie

De Pelgrimsreis is voor Oud en Jong

7 minuten leestijd

XVII

„Hij vatte weer zijn hand en bracht hem een donkere kamer, waar zich een man bevond, die in een ijzeren kooi zat opgesloten. Die man zag er troosteloos uit; hij hield de ogen naar de grond gericht, de handen gevouwen en hij zuchtte alsof hem het hart zou breken”.

Hier hebben wij te doen meteen allerdroevigst geval. Een man die het licht niet meer kan verdragen, de vrijheid niet meer zoekt en zijn ogen niet meer vestigt op de Christus der Schriften.

Hij heeft zijn handen wel gevouwen, maar dat geeft hier niet een ootmoedige gebedsgestalte te kennen. Hij zucht wel, maar niet tot God om ontferming. Troosteloos zit de man in de smart van zelfbeklag neer.

De Pelgrim krijgt de raad met deze man te gaan spreken. Niemand kan het beter zeggen hoe het met hem gesteld is dan hij zelf.

Bij het staan in deze donkere kamer hebben wij de grootste voorzichtigheid te betrachten. Uitlegger wil niet dat wij over deze man een oordeel uitspreken, wat wij gewoonlijk zo gauw geneigd zijn te doen. Hebben wij dan niet veel, ja zelfs heel veel te veroordelen in die man? Nee, wij hebben in deze arme man niets te veroordelen, daar hij zichzelf veroordeelt. En daar hebben wij met ernst naar te luisteren om dat ter harte te nemen als een ernstige waarschuwing op onze levensweg. Als Uitlegger de Pelgrim zegt: „Laat de rampzalige toestand, waarin deze man verkeert, u tot waarschuwing strekken”, dan geldt dat ook ons. Op de vraag: „Wie zijt gij?” heeft de arme man in de ijzeren kooi de Pelgrim geantwoord: „Ik ben die ik voorheen niet was”. Daar heeft dus een grote verandering plaats gehad in zijn leven, al zegt hij ons nog niet wat gebeurd is. En dat zegt deze man zo maar niet; daarvoor is de zaak hem veel te ernstig. Hij loopt er echt niet mee te koop. Hij heeft van alle lichtzinnigheid omtrent het godsdienstige leven een aflkeer. Als u de zaak niet serieus stelt, dan kunt u gerust zijn kamer voorbij lopen, want dan zegt hij van het één noch van het ander iets.

Op de vraag: „Wat waart gij voorheen?” wordt de Pelgrim geantwoord: „Eens was ik een kloek en geacht beüjder, én in mijn eigen ogen, én in die van anderen; ik was, zoals ik meende, geschikt voor de hemel en vol van vreugde bij de gedachte, daar eenmaal te zullen heengaan”.

In dit antwoord spreekt de man niet van zijn eertijds, want dat woord doet ons denken aan twee tijden Aan de tijd waarin de mens leeft zoals hij geboren is, en aan de tijd waarin hij een nieuw leven leert leven uit kracht van wedergeboorte. Hij spreekt van voorheen, en dat voorheen houdt hier alleen een belijden van de waarheid in, en niet een beleven uit kracht van het nieuwe leven der genade. Wat is het erg als de menshethuis van zijn verwachting voor de eeuwigheid bouwt op een zandgrond. Wee de mens die niet zoekt de innerlijke geloofsgemeenschap met Christus, de Rotssteen, Wiens werk volkomen is. Hier wordt het ons betuigd door de mens in de ijzeren kooi vanuit de duisternis waarin hij verkeert, dat hij het belijden voor beleving heeft gehouden. En daarmee wordt het ons toegeroepen dat wij hebben te letten op de innerlijke beleving van het hart. Wie genoeg heeft aan de lamp van de belijdenis komt vroeg of laat in de duisternis te staan, wat hem zal verhinderen in te gaan. Op de vraag van onze Pelgrim: „Maar wat zijt gij dan nu?” wordt hem geantwoord: „Nu ben ik een prooi van de wanhoop en daarin besloten als in een ijzeren kooi. Ik kan er niet uit; het is nu onmogelijk er uit te komen”. Het ongeloof, de grootste vijand van het leven en beleven der genade, heerst over deze man, nu het hem duidelijk geworden is dat hij met zijn belijden niet voor God kan bestaan. Eerst was het bij hem een lichtzinnig geloven, en nu moet hij zuchten in al de zwaarmoedigheid van het ongeloof. De wanhoop, in de ijzeren kooi, die het ongeloof, dat zo hard is als metaal, voor hem heeft gebouwd. Met medelijden wordt nu gevraagd in de tegenwoordigheid van Uitlegger: „Maar hoe zijt gij in deze toestand geraakt?”

„Ik heb — antwoordde de ongelukkige man — verzuimd te waken en naarstig te zijn; ik heb mijn begeerte de vrije teugel gevierd, en heb gezondigd tegen het licht van het Goddelijke Woord en tegen de goedheid Gods; ik heb de Heilige Geest bedroefd en Hij is van mij geweken; ik heb de duivel getart en hij heeft mij overrompeld; ik heb mijn hart zo zeer verhard, dat ik geen berouw meer kan gevoelen”.

En als er dan met ontroering gevraagd wordt door de Pelgrim: „Is er voor u geen hoop meer? Moet u in deze kooi van wanhoop blijven?” luidt het antwoord: „Voor mij bestaat er geen hoop er ooit uit verlost te zullen worden”.

„Maar bij de Zoon Gods is barmhartigheid te verkrijgen” zegt de Pelgrim. En dat is inderdaad het enige lichtpunt totbevrijdingvanhet verderf en tot vernieuwing des levens. Maar ach, de arme man kan in deze duisternis het licht der vertroosting niet meer verdragen. Met beslistheid des harten zegt hij in zelfveroordeling: „Ik heb Hem opnieuw gekruisigd, ik heb Zijn Persoon veracht; ik heb Zijn rechtvaardigheid geminacht; ik heb Zijn bloed onrein geacht; ik heb de Geest der genade smaadheid aangedaan. Daarom heb ik mijzelf van alle beloften uitgesloten, zodat er voor mij niets overblijft dan bedreigingen, vreselijke, ontzettende bedreigingen en een verwachting van een toekomend oordeel en hitte des toorns, die mij als een tegenstander zal verslinden”.

Met ontroering heeft de Pelgrim geluisterd naar deze vreselijke bekentenis, wat hemdeed vragen: „Waarom hebt gij uzelf in deze toestand gebracht?” Waarop de man kwam te antwoorden: „Ter wille van de lusten, de voordelen en de genoegens van deze wereld. Daar van had ik mij het grootste genot voorgesteld, maar nu kwellen mij al die dingen en zij knagen aan mijn geweten als een worm, die niet sterft”.

En zo hebben wij het getuigenis van de man in de duisternis van de ijzeren kooi bijna woordelijk weergegeven, tot waarschuwing voor het kwaad waarvan hier gesproken is. De man was met zijn rechtzinnige belijdenis en godsdienstige vertoning gebleven in de dienst van de zonde, in de staat der ellende.

„Maar dit is een vreselijke toestand”, zegt de Pelgrim. En dan is dit de bede van zijn hart: „God helpe mij te waken en te bidden, opdat de klippen waarop deze man gestrand is, door mij vermeden mogen worden”.

Zeker, Uitlegger had deze donkere kamer voor ons gesloten kunnen houden, maar dat heeft hij eerlijkheidshalve niet willen en niet kunnen doen, want dat doet de Schrift ook niet. Laten wij dan, bij het scheiden van de man in de ijzeren kooi, deze waarschuwing ter harte nemen en er niet over gaan redeneren, want het is een zaak des gerichts.

De rechte weg naar de haven der eeuwige behoudenis is de weg van belijden en beleven. Het zijn dedadersdesWoords, die deelgenoten worden van de eeuwige zaligheid. Wie zich weinig of niet bekommert over de beleving van de waarheid, zal op één der klippen stranden, waarvan gesproken is. Maar in de ware beleving is het leven met deHeereen het sterven in de Heere.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.