+ Meer informatie

Een opzienbare ontdekking

6 minuten leestijd

Onze tijd kenmerkt zich door belangrijke ontdekkingen. Deze ontdekkingen schijnen het kerkelijk leven ook niet voorbij te gaan. Zo heeft één onzer kerkeraden op eenmaal ontdekt, dat in de art. 4 en 22 resp. 24 van de D.K.O. het woord „gemeente” in tweevoudige zin wordt gebruikt. Nu eens zou het woord „gemeente” alleen de mannelijke leden, en dan ook weer de vrouwelijke leden bedoelen. Zulks in verband met het verkiezen van een predikant, ouderling of diaken. In het verlengde zag men hier op eenmaal het kiesrecht der vrouw.

Een opzienbare ontdekking dus.

Honderden jaren leefde men daar overheen, en nu zijn dan de ogen opengegaan. Maar dominee, zo werd mij gevraagd, hoe moet dat nu? Komt het vrouwenkiesrecht nu ook al in de kerk?

De schrijver van deze rubriek kan alleen zijn gedachten over dat punt laten gaan, want dit onderwerp is reeds een voorwerp van „studie” geworden. Zonder op deze„studie” vooruit te lopen, leeft bij mij en vele anderen wel de vrees, dat deze eerste stap de weg is naar de tweede stap enz., totdat ook wij zijn aangekomen bij de vrouw in het ambt.

Hier ligt het gevaar van alleen maar „studeren” op de letter, zonder te accentueren het schriftuurlijk en kerkorderlijk begrip van het woord „gemeente”. En dan, laten wij oppassen voor het straklijnig denken, dat al zoveel wanorde ook in het kerkelijk leven heeft aangebracht.

’k Herinner mij altijd nog de lessen van onze geachte Prof. v.d. Schuit in het voor ons zo „belangrijke” vak: Logica. Veel ben ik helaas vergeten, maar één ding is mij bijgebleven nl. het verschil tussen formele waarheid en materiële waarheid.

Iets kan formeel waar genoemd worden – zo sprak onze prof. – en dat materieël de waarheid ontkend moet worden. Formeel zou gesteld kunnen worden: Het kiesrecht behoort tot de gemeente. De vrouwen behoren tot de gemeente. Konklusie: de vrouwen mogen meekiezen in de gemeente.

Is deze konklusie juist?

Formeel wel, maar materiëel naar Schrift en belijdenis, en gerekend met het historisch gewordene is deze konklusie niet juist, en moet zij een onwaarheid worden genoemd.

Schrift, belijdenis en historie immers geven aan de vrouw wel een gelijkwaardige plaats, maar geen gelijke plaats.

De gelijkwaardige plaats tekent de Schrift in dit woord: „daarin is geen man en vrouw, want gij zijt allen één in Christus Jezus”. (Gal. 3 : 28)

Deze gelijkwaardige plaats is echter geen gelijke plaats als het gaat over de verhouding: vrouw en gemeente.

1 Kor. 14 zegt hier genoeg: „Dat uw vrouwen in de gemeenten zwijgen, want het is haar niet toegelaten te spreken, maar bevolen onderworpen te zijn, gelijk ook de wet zegt”. En dan vers 35: „En zo zij iets willen leren, laat haar te huis haar eigen mannen vragen, want het staat lelijk voor de vrouwen, dat zij in de gemeente spreken”.

Hier is dus geen kwalifikatie van de vrouw, maar alleen een onderstreping van de plaats, haar van God gegeven, want gelijk Christus is het Hoofd der gemeente, zo is de man het hoofd van de vrouw. En gelijk Christus als het Hoofd Zijn ambten laat uitstralen in de gemeente, zo zal ook de man deze ambten moeten laten uitstralen in het midden van de gemeente, en niet de vrouw.

Ik geloof, dat wij deze gedachten niet mogen voorbijzien, en dat wij ons ook niet moeten laten verstrikken met het woord „tijdgebonden”, want dan staat binnen betrekkelijk korte tijd de vrouw ook bij ons op de kansel. Tevens zal de praktijk bewijzen, dat zo het kiesrecht der vrouw zou worden ingevoerd, het grootste deel van de vrouwelijke leden (vooral de ouderen) hieraan niet zal deelnemen, afgedacht van de nodige beroering die dit in de kerken weer zal brengen. Het jongere vrouwelijke deel, zal het vaak slecht opkomende mannelijke deel spoedig overheersen, en praktisch zal de regering der kerk komen te liggen in de handen van de vrouw, inplaats van de man. Zo zal de emancipatie zich laten gelden, ook in het leven der kerk, en zal in het wezen der zaak Christus als het Hoofd worden ontkroond, of tot een aanfluiting worden gemaakt.

In alle liefde, ernst en bewogenheid worden deze dingen gezegd, en zouden er alleenstaande vrouwen of weduwen zijn, die het toch als een gemis aanvoelen nooit eigen stem te mogen uitbrengen in het midden der gemeente, laten deze bijzonderen gevallen niets afdoen van de algemene regel door de Schrift gesteld. Zou de stem dan niet op het stembriefje mogen worden uitgebracht, wanneer het dan volle ernst voor God is, dan zal de Heere het ons niet kwalijk nemen als wij ons „stembrieQe” in de binnenkamer aan Hem tonen, en zal bij de officiële stemming niets geschieden „bij geval”, maar alles overeenkomstig Zijn raad en naar Zijn wil.

FORMULIEREN VAN ONENIGHEID.

Daar komt de laatste tijd van alles op „de helling”. De bijbelvertaling; de psalmberijming; de liturgie en vanzelf ook de liturgische formulieren.

Deze liturgische formulieren kenden wij altijd als formulieren van enigheid, tenminste wat de drie belijdenis-geschriften aangaat. Formulieren van Doop, Heilig Avondmaal, Huwelijk enz. zijn geen belijdenisgeschriften, en als zodanig kunnen zij ook niet als formulieren van enigheid worden gezien.

Toch kenden wij een zekere eenheid.

Dezelfde formulieren werden in al onze kerken gebruikt. Zal dit nu anders gaan worden? Zullen deze formulieren gaan worden formulieren van verdere onenigheid?

’t Is nu al moeilijk om in de hedendaagse psalmboekjes onze bekende formulieren aan te treffen. Ongemerkt (of welbewust) worden de formulieren van de Gereformeerde Kerken vaak in gebruik gebracht. Krijgen wij nu straks weer onze herziene chr. ger. formulieren?

Ik vrees dat dit niet de eenheid maar wel de oneenheid zeer in de hand zal werken.

Enkele proeven werden reeds toegezonden. Vragen kunnen hierbij worden gesteld.

Waarom moet in deze herziene geschriften de nieuwe vertaling tot uiting worden gebracht, daar het bekend is dat velen hier niet mee klaar zijn gekomen? En dan, wat is de zin van de vaak ingrijpende verandering? Moet het anders omdat het anders moet zijn?

Ten opzichte van de berijming der psalmen is door mij en vroegere synodi steeds aangedrongen op restauratie, d.w.z. verbetering van verouderde woorden en verkeerde zinswendingen. Onze Synode heeft daar ten slotte op geattendeerd, gelijk ook de mannen van de Ger. Bond, deze gedachte hebben voorgestaan. Waarom nu toch een algehele nieuwe berijming? Waarom nu toch een algehele nieuwe herziening?

Zonder op een woord te vallen of aan een bepaalde uitdrukking mij te binden, dacht ik toch, dat door dat alles de eenheid niet is gediend, maar wel de oneenheid wordt bevorderd.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.