+ Meer informatie

Dienstverlening aan bejaarden

14 minuten leestijd

Het beeld van de ouderdom is, zowel bij bejaarden als niet-bejaarden, vaak ongunstiger dan de werkelijkheid. In de ogen van menigeen is bejaard-zijn hetzelfde als hulp behoevend-zijn. De neiging bestaat dan om personen die weliswaar de 65 gepasseerd zijn maar geen opvallende ouder domsverschijnselen vertonen niet tot de categorie „bejaarden” te rekenen. 1)

Daardoor verkijkt men zich op de proble matiek. Enerzijds neigt men tot generalisaties (hulpbehoevendheid betekent: niet meer voor zichzelf kunnen zorgen), anderzijds wordt de gevarieerdheid van de vraagstukken waarvoor de bejaarden staan niet voldoende onderkend.

Die vraagstukken zijn in de eerste plaats gewoon menselijk, zij het betrokken op het ouder worden: het niet meer opgenomen zijn in het arbeidsproces, de idee van op non-actief staan, de overschakeling op een totaal ander levensritme. Dat zijn zaken waar vrijwel alle ouderen zich mee gecon fronteerd zien.

Het werkelijk hulp-behoevend zijn geldt voor een veel geringer aantal bejaarden, Waarmee uiteraard niet gezegd is dat zich ten dezen geen indringende problemen voordoen. Integendeel.

Sprekende cijfers

Momenteel telt Nederland meer dan 1.250.000 mannen en vrouwen van 65 jaar en ouder. Dat komt neer op rond 10 pet. van de totale bevolking. In de grote steden is dit percentage hoger. Den Haag bijv. kent een percentage van 14 pet.

Van alle bejaarden is ongeveer 38 pet. nog geen 70 jaar; ca. 67 pet. is beneden de 75. Slechts ongeveer 4 pet. heeft de leeftijd van 85 jaar overschreden. Naar burgerlijke staat is de verdeling ruwweg als \olgt: gehuwd 54 pet. weduwstaat 34 pet. ongehuwd 10 pet. en gescheiden 2 pet. 2) Minder dan een tiende deel van de bejaarden verblijft in een bejaardenoord.

Institutionele zorg

Het aantal bejaarden in een verzorgings of verpleegtehuis mag dan slechts ± 0,8 procent van de bevolking uitmaken, het is altijd nog rond 100.000.

Er is sinds de oorlog van deze zgn. institutionele zorg veel heil verwacht, vooral als gevolg van het onjuiste beeld dat velen, zoals gezegd, van het ouderdomsvraagstuk hebben. Bejaardenoorden rijzen als paddestoelen uit de grond en de wachtlijsten zijn lang.

Er zijn thans ongeveer 2000 tehuizen met gemiddeld 50 bedden. De commerciële tehuizen. ongeveer een derde van het totaal, hebben gemiddeld ca 20 bedden. De behoefte aan bejaardenoorden heeft nog een andere oorzaak, die vooral de laatste tijd in beleidskringen groeiende aandacht krijgt. Men komt steeds meer tot de overtuiging dat met name het verzorgingstehuis niet de eerst aangewezen voorziening is die de bejaarden moet worden aangeboden bij een geringe mate van hulpbehoevendheid. Maar het ontbreken van andere, meer geëigende voorzieningen heeft ertoe geleid dat men z’n toevlucht nam tot de „voor de hand liggende” oplossing van het tehuis.

De institutionele voorziening is echter beslist

geen goedkope oplossing. De bouwkosten tenderen naar ƒ 40.000,— per bed, afhankelijk van de aard van het tehuis. En de exploitatielasten zullen gemiddeld ƒ 500,— a ƒ 800,— per inwoner per maand bedragen. 3)

Het is begrijpelijk dat men momenteel ernstig zoekt naar andere aanwendings mogelijkheden van deze forse en nog al door stijgende bedragen. Mogelijkheden die bovendien, of liever vooral, beter aansluiten op de werkelijke behoeften. Want het bejaardentehuis is voor tal van oude mensen geen primair noodzakelijke voorziening. Regelmatig kan men uitspraken horen omtrent het feit dat vele bejaarden in feite niet in een verzorgings- of verpleegtehuis thuis horen. 4)

En tegelijk dat andere hulpbehoevende be jaarden die er nu juist wèl voor in aanmerking komen geen kans maken: hun gebreken vormen veelal een belemmering voor opname.

Bejaarden thuis

96 pet. van de bejaarden zou, met enige steun. 5)

Daarvan uitgaande, is het dus wel alleszins het nastreven waard om die „enige steun”zo goed mogelijk te bieden. Dat temeer als op die manier voor grote groepen bejaarden het verzorgingstehuis niet meer noodzakelijk zal zijn.

Deze gedachte wint steeds meer veld: het bejaardenbeleid van vandaag richt zich meer en meer op het zich doen handhaven van de bejaarde in zijn verworven en vertrouwde milieu. Om dat te realiseren is nog veel onderzoek en experiment nodig. Welke factoren tasten de zelfstandigheid van de oudere mens aan? Welke mogelijkheden, welke mankracht en middelen zijn beschikbaar om de gewenste hulp- en dienstverlening te bewerkstelligen? Op welke wijze moeten de soorten voorzieningen,

naargelang de mate van hulpbehoe vendheid, op elkaar worden aangesloten? Vooral dit laatste — de aansluiting — is de laatste jaren onderwerp van studie. Het begrip „gesloten circuit”doet opgeld. 6) Daarmee wordt bedoeld een keten van voorzieningen, zowel voor de zelfstandig wonende als de in tehuizen en inrichtingen vertoevende bejaarden. Maar dan met een tweerichtingsverkeer: de mogelijkheid moet in voldoende mate aanwezig zijn dat be jaarden, die (tijdelijk) verpleegd worden, zonder veel moeite kunnen terugkeren bijv. in de eigen woning, maar dan mèt de doorgaans noodzakelijke medische begeleiding.

Aan die begeleiding, medisch en sociaal, wordt gelukkig langs verschillende wegen veel gedaan. Echter nog niet in toereikende omvang. Zo kan men thans het pleidooi horen voeren voor de instelling van sociaal-geriatrische diensten, die de dienst verleningen in de ruimste zin zouden moeten coördineren. 7)

men van dienstverlening

Nogmaals: voorop moet staan het zo lang mogelijk behouden van de zelfstandige leefwijze in het eigen vertrouwde milieu, alsmede de integratie van de bejaarden in de maatschappij.

Die integratie is ook een belangrijk punt. Bejaarden zijn geen mensen die „er niet meer bijhoren” Men zou ze de „post actieven”(na-actieven) kunnen noemen, wat minder discriminerend klinkt dan „non-actieven”. De bejaarden zijn in de derde levensfase, volgend op de preactieve (kinderen) en actieve fase. De bejaarden hebben evenveel recht op deelneming aan het maatschappelijk leven als de kinderen en de werkenden. 8)

Om die reden zullen de verschillende voorzieningen voor bejaarden een zo weinig mogelijk isolerend karakter mogen hebben. Daarmee is tevens gezegd dat er niet per definitie overal aparte, specifieke voorzieningen voor bejaarden beschikbaar moeten zijn. Wezenlijk is dat de algemene voorzieningen, die in principe voor iedere burger openstaan, ook ten goede komen aan de bejaarden.

Een enkel voorbeeld ter verheldering. 9)

Maatschappelijk werk

Wat de sociale dienstverlening betreft kan in de eerste plaats gewezen worden op het (algemeen) maatschappelijk werk. Zoals bekend richt dit werk zich op moeilijkheden in het functioneren als lid van de maatschappij of ook als groep in de samenleving. Het algemeen maatschappelijk werk tracht dergelijke moeilijkheden op methodische en systematische

wijze op te lossen, te verminderen of te voorkomen.

De ervaring leert nu dat bij benadering zo’ 22 pet. van het cliëntenbestand van het algemeen maatschappelijk werk 65 jaar of ouder is, ofwel twaalf procent „boven normaal” Het algemeen maatschappelijk werk mag, afgaande op deze cijfers, dus wel als een belangrijke voorziening voor bejaarden beschouwd worden.

Het is dan ook niet verwonderlijk dat ongeveer een derde deel van het totaal aantal instellingen voor algemeen maatschappelijk weïk zich bezighouden met bepaalde activiteiten ten behoeve van bejaarden, zoals bezoekdiensten, sociëteiten, enquêtes, vakantieweken, etc.

Gezinsverzorging en -hulp

Als tweede „algemene”voorziening is er de gezinsverzorging en gezinshulp. Algemeen, omdat ook deze werkvorm dienstbaar is aan de gehele bevolking. Wel is het zo dat er financiële faciliteiten bestaan ten gerieve van een adequate bejaardenhulp (hoger subsidiepercentage). 10)

Ook gaat een stimulans uit op het aanvatten van hulp aan bejaarden op grotere schaal, van het feit dat deze hulp niet tijdelijk behoeft te zijn en niet voor hele dagen dient te worden verleend. Dit in afwijking van de algemene regel.

Intussen is er aan bejaardenverzorgsters en -helpsters een aanzienlijk tekort. Binnenkort zullen uitgebreide wervingsacties worden ondernomen om in dat tekort zoveel mogelijk te voorzien. Er is met name behoefte aan duizenden part-timekrachten. Onder meer is een betere honorering in het vooruitzicht gesteld.

Huishoudelijke- en gezinsvoorlichting

Bejaarden kunnen op twee manieren deelnemen aan cursussen, gegeven door instellingen voor huishoudelijke en gezinsvoorlichting. Er zijn cursussen die voor iedere leeftijdsgroep openstaan en andere die spe ciaal voor bejaarden worden georganiseerd. In 1967 werden 86 specifieke bejaardencursussen gegeven voor 1370 deelnemers. Het accent ligt op gymnastiek en voeding; daarnaast komen onderwerpen aan de orde als bloemen schikken, koken, spelletjes met kleinkinderen, verzorging van kamerplanten en handwerken.

De sociale raadsman

De sociale raadsman vervult een brugfunctie tussen de ingewikkeld geworden maatschappij — met haar veelheid van instellingen en voorzieningen — en de individuele burger voor wie deze voorzieningen zijn bedoeld. Zijn activiteiten richten zich op informatie, advisering, verwijzing en bemiddeling van de individuele burger uit een oogpunt van algemene voorlichting. Vooral in de grote steden met hun omvangrijke en gecompliceerde dienstverleningsstructuur blijkt er aan een dergelijke figuur behoefte te bestaan.

De aanwezigheid van een sociaal raadsman kan voor bejaarden van groot nut zijn. De statistieken leren dat er veel bezoekers zijn in de leeftijdsklasse van 60 en 70 jaar (in Amsterdam rond 50 pet., in Den Haag omstreeks 35 procent).

Sociale raadslieden zijn thans te consulteren in Amsterdam: 24 raadslieden, in Den Haag: 11 en in Rotterdam: 6.

Dienstencentra

Van de voorzieningen die in de eerste plaats voor de bejaarden bedoeld zijn staat momenteel het „dienstencentrum” in het middelpunt van de belangstelling.

Om een optimale werking te hebben zal de dienstverlening overzichtelijk, efficiënt en binnen redelijk bereik van de bejaarden moeten zijn aangebracht.

Het is het dienstencentrum dat bij uitstek een mogelijkheid biedt tot bundeling van voorzieningen en activiteiten, bereikbaar voor zelfstandig wonende bejaarden.

Het centrum kan verschillende functies hebben, waarbij hier aan de ene, daar aan de andere functie extra aandacht wordt gegeven.

In de eerste plaats de zgn. confrontatiefunctie: het centrum zal een ontmoetingspunt zijn voor de samenleving met het bejaard-zijn en de bejaarde mens. Opzet is dat diverse leeftijdsgroepen oog krijgen voor de categorie bejaarden voor welke het centrum is bedoeld.

Dan de functie van voorlichting en informatie, in het bijzonder omtrent allerlei activiteiten van organisaties op het terrein van het maatschappelijk welzijn. Vervolgens is te noemen de schakel- en bemiddelingsfunctie. Dat gaat verder dan een eenvoudige verwijzing naar personen en organen. Bemiddeling betekent dat gezorgd wordt dat bepaalde voorzieningen de bejaarde ook inderdaad bereiken.

In de vierde plaats de „sociabiliserende” functie. Het centrum fungeert als communicatiepunt voor bejaarden èn andere leeftijdsgroepen. mede gericht op een meer bevredigend participeren in de samenleving. Het gaat hierbij om vormen van tijdsbesteding en sociaal-culturele evenementen van allerlei aard.

Voorts: concrete dienstverlening. Daarbij denkt men aan het verstrekken van warme maaltijden, huishoudelijke hulp, de aanwezigheid van een pedicure, een wasserette, etc.

Tenslotte de coördinatiefunctie, nl. het bijeenbrengen en bij elkaar houden van een veelvormig geheel van dienstverlening, gebundeld aangeboden door uiteenlopende organisaties en instellingen, in samenwerking met of door middel van het dienstencentrum.

Het dienstencentrum — in zekere zin het paradepaard van het bejaardenbeleid — kan verschillende vormen aannemen: in de wijk, „ingebouwd" bij een complex bejaardenwoningen. ingebouwd en tevens voor de wijk, gekoppeld aan een buurthuis of wijkcentrum, gecombineerd met andere accommodaties (bijv. een kruisgebouw) en in combinatie met een bejaardentehuis. Er worden thans 29 dienstencentra gesubsidieerd in 27 gemeenten, terwijl een rijksbijdrage is toegezegd voor centra in nog 13 gemeenten. Dat niet alleen gedacht wordt aan de meer stedelijke gebieden bewijst de aanwezigheid van een centrum in de noordhollandse gemeente Hoogwoud, een combinatie met een kruisgebouw en een bibliotheek. 11

Van belang is dat in het instituut van de dienstencentra de gezamenlijke verantwoordelijkheid van overheid en particulier initiatief tot uitdrukking komt voor het welzijn der bejaarden. Tevens wordt een verruiming van mogelijkheden bereikt op uitvoerend terrein, waartoe noch de overheid noch het particulier initiatief alleen, in staat zouden zijn. 12)

Gymnastiek

Gvmnastieklessen worden veelal gegeven in bejaardensociëteiten, wijkgebouwen en gymnastieklokalen. Ook hier staat de UW voorop; voorts organiseren kruisorganisaties en bejaardentehuizen cursussen.

Aparte vermelding verdient het experiment ..Meer bewegen voor ouderen” dat zich in hoofdzaak in Drenthe afspeelt. Deze cursussen hebben ten doel de bejaarde door middel van oefeningen en door gesprekken betreffende de oudere bewegende mens mobiel, actief en fit te houden. In anderhalf jaar tijd werd in 71 plaatsen in Drenthe aan 80 groepen wekelijks een les gegeven.

Voorbereiding pensionering

Van een systematisch voorlichtingsbeleid ten aanzien van de naderende pensioengerechtigde leeftijd is nog nauwelijks sprake. Incidenteel doen enkele bedrijven er iets aan. In het licht van wat gezegd is over de derde levensfase van de mens — het niet meer participeren in het arbeidsproces — is het duidelijk dat een tijdige en goede voorbereiding op de naderende pensioendatum voor de aanstaande bejaarden van grote betekenis is.

Kruisverenigingen

De plaats die de kruisverenigingen hebben op het terrein van de hulpverlening aan bejaarden zal algemeen bekend zijn. Men denke niet alleen aan de verpleging, maar ook aan hygiënische verzorging, voetverzorging, gezondheidsvoorlichting, etc.

Functionarissen bejaardenwerk

Op provinciaal en grootstedelijk niveau is een aantal regionale functionarissen — in dienst van organen van het maatschappelijk werk — hoofdzakelijk ten behoeve van het werk voor de zelfstandig wonende bejaarden werkzaam. 13

Er zijn nu dertien van deze maatschappelijk werkadviseurs werkzaam. Ze hebben een stimulerende, adviserende en coördinerende functie. Zo geven zij bijv. concrete adviezen met betrekking tot het op te zetten bejaardenwerk ter plaatse.

De nieuwe bejaarde

Na deze globale opsomming van dienstverleningsvormen voor de bejaarden, nog een enkele opmerking ter afsluiting. Bejaard-zijn wordt door velen nog steeds gezien als een nood in drievoud: de bejaarde is lichamelijk hulpbehoevend, hij verkeert financieel en materieel hooguit in fatsoenlijke armoede en hij komt vroeg of laat in aanmerking voor opneming in een tehuis. 14)

Dat dit een onjuist beeld is werd reeds summier aangetoond. Genuanceerder denken is gewenst.

Daar komt bij dat er in deze tijd een ander type bejaarde bezig is te ontstaan. Men zou kunnen spreken van ,,de nieuwe bejaarde” niet meer de man die van z’n twaalfde tot z’n ijf-en-zestigste hard gewerkt heeft om een minimuminkomen te halen en zo mogelijk te overschrijden. De nieuwe bejaarde is in staat geweest een voortgezette opleiding te volgen, heeft zich een inkomen weten te verwerven waaruit gespaard kon worden, heeft meer vrije tijd genoten en deelgenomen aan het culturele leven, heeft — vooral — buitenlandse reizen gemaakt. 15)

Hij is ook de bejaarde die niet alleen in bepaalde opzichten afhankelijk is van de dienstverlenende samenleving, maar omgekeerd zèlf een zinvolle bijdrage aan verschillende facetten van het maatschappelijk leven kan geven.

Dat is een factor waarmee wellicht met name de kerk (het diaconaat) rekening zal moeten houden. Kunnen oudere mensen, die nog vitaal zijn en over veel vrije tijd beschikken actief worden betrokken bij de opbouw van de gemeente? Is een minder „bevoogdende" benadering van de bejaarden aan te bevelen?

Intussen hoede men zich ook voor generalisering naar déze kant. De diaconie zal blijvend oog moeten hebben voor allerlei zaken waar oudere mensen nu eenmaal op een gegeven moment voor komen te staan. Wordt er voldoende gelet op kleine dingen als de vuilnisemmer buiten zetten, de kachel nakijken, boodschappen doen, stofzuigen, de tuin verzorgen, haar opmaken, brieven schrijven, formulieren invullen, etc? Karweien waarvoor weer anderen moeten worden ingeschakeld. Men kent dat wel.

Dat een goede relatie tussen diaconie en instelling(en) voor maatschappelijk werk tegenwoordig onmisbaar is behoeft geen betoog. Diaconieën moeten profiteren van de mogelijkheden die er zijn. Dat is niet hetzelfde als afschuiven van verantwoordelijkheid. Veel zaken vragen nu eenmaal om een meer professionele benadering.

Blijvend is voor het diaconaat, om door het werk der kerk aan de mensen in al zijn levensomstandigheden te doen zien dat hij niet alleen gelaten is, maar door Gods zorg omringd wordt. Ook de bejaarde (het „oude" of het „nieuwe" type) mag zich door de gemeente gedragen weten, als een teken van de zorgende liefde Gods voor zijn leven. 16)

’s-Gravenhage.

1.) Rapport Dienstencentra voor bejaarden (Min. v. CRM), 1968.

2.) Rapport Thuiswonende bejaarden (Kath. Nat. Fed. v. Bej. zorg). 1964.

3 ) Het Parool, 25-09-69.

4.) o.m. Elsevier. 27-09 69; De Tijd, 03-10-69: NHC. 25-10-69.

5.) aldus Het Parool, 25-09-69.

6.) geïntroduceerd door dr. F. J. G. Oosvogel, in: Op Leeftijd (Ned. Fed. v. Bej. zorg), sept. 1963.

7.) conferentieverslag. NHC. 25-10-69.

8.) R van Bochove. in: Konvooi (Ger. Soc. Arb.), april 1968; uitvoeriger: dr. W. H. Velema, in: Konvooi. Juli/aug. 1968.

9.) Voor een uitvoerige beschrijving van de verschillende voorzieningen zij verwezen naar de publicatie Maatschappelijk en culturele dienstverlening t.b.v. bejaarden (Min. v. CRM), 1969.

10.) Op één lijn met de bejaarden: gehandicapten en chronisch zieken.

11.) Sociaal bestek (DIVOSA), 02-10-69.

12.) Zie het aangehaalde rapport Dienstencentra voor bejaarden.

13.) Er is een streven om de functie van bejaardenconsulent aan de maatschappelijk werk-organen te ontnemen en onder te brengen bij de opbouworganen.

14.) Mr. P. J. Blommestijn, in: Trefpunt (Min. v. CRM), mei 1969.

15.) idem.

16.) J. Swijnenburg. De zorg voor de bejaarde mens (Gen. Diac. Raad). 1968.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.