+ Meer informatie

VERKONDIGING OF VERHAAL Over verarming van de prediking

8 minuten leestijd

De zondagse prediking is een heel centraal geheuren in de gemeente. Dat blijkt alleen al uit het feit dat de kerkenraden hun best doen om een broeder die met speciale gaven is toegerust, deel uit te laten maken van zijn college: de predikant. Het blijkt ook uit het reglement van de kerkvisitatie, waarin de prediking en de weerklank daarop grote aandacht krijgen. De prediking, zo kan men horen, verarmt. Reden genoeg om aan een aspect van de prediking aandacht te schenken.

HET VERHAAL GEMETEN AAN DE SCHRIFT

Als ik me niet vergis, maken de predikanten meer gebruik van het verhaal om de boodschap dicht bij de hoorder te brengen dan eerder het geval was. Voor mijzelf geldt dat in ieder geval en ik herinner me dat een collega dit een aantal jaren geleden illustreerde, ongeveer met de woorden: ‘In de tachtiger jaren, wanneer ik de preek begon, viel ik gewoon met de deur in huis, onverschillig of het nu over Abraham ging of over een Paulinische brief; dat zou ik nu nooit meer zo doen’. Als ik mijn eigen preken nakijk, zeg ik het hem na. Of het toen echt nog zo kon? In ieder geval was de kennis van de Bijbel en het inzicht in de onderlinge verbanden daarin meer aanwezig dan nu het geval is. Ook was de beeldcultuur nog veel minder doorgedrongen dan vandaag. Door dit alles komen er signalen op de prediker af: houd goed rekening met de hoorder en stem de golflengte van het ‘uitzenden’ af op die van het ‘ontvangen’; anders is de kans groot dat de prediking geen doel treft.

Nu kan een dergelijke opmerking al snel gepareerd worden met de gedachte dat het doel treffen van de prediking toch in handen van de Heilige Geest is. Het is zijn werk om het hart te openen en te vernieuwen en om weerklank van het gepredikte Woord bij de hoorder te bewerken. Daar bidden we toch iedere dienst om? Niemand zal dat ontkennen, sterker nog: de predikant die dat niet beseft of er in de praktijk van het werk onvoldoende mee rekent, zal vroeg of laat wanhopig raken. Het gelovig overlaten van de vrucht van de prediking aan de Here behoedt ons voor overspannenheid.

Toch is daarmee bepaald niet alles gezegd. Wanneer wij belijden dat de zegen van de prediking niet door ons bewerkt kan worden, maar door de Geest bewerkt wordt, kunnen we daar als predikers wel onbekommerd, maar niet slordig door worden. De Here roept zijn dienaren immers tot de verkondiging van zijn Woord. De vraag is dan ook: kunnen we uit de Schrift iets opmerken van de manier waarop de Geest werkt in de prediking? En als we met dat oogmerk de Bijbel openslaan, merken we ogenblikkelijk op dat het gebruik maken van ‘verhalen’ hoort bij de wijze waarop het Woord bij de mens en bij Gods volk wordt gebracht.

ENKELE VOORBEELDEN

Wie kent uit het Oude Testament niet de fabel van Jotham uit Rieht. 9:7-15 en zijn betekenis? Wie denkt niet aan de geestelijke les die de profeet Nathan aan koning David leerde na zijn zonde met Bathseba via het verhaal van de rijke man en zijn schapen, 2 Sam. 12:1-4? Is Psalm 23, zó geliefd, niet één groot herdersverhaal? Soms werd het verhaal zelfs ‘gespeeld’, of in ieder geval in levende lijve verbeeld: in Jes. 8:1-4 loopt de profeet met een bord met de tekst: haastig buit, spoedig roof En een poosje later loopt er een jongetje rond met die naam, die zo’n duidelijke geestelijke boodschap in zich heeft. Het huwelijk van Hosea (Hos. 1:2) is een prediking op zichzelf.

En in het Nieuwe Testament is het al niet anders: de Heiland bedient zich in zijn prediking voortdurend van voorbeelden, die werkelijk uit het leven gegrepen zijn. Men denke alleen al aan de gelijkenissen van het Koninkrijk in Matt. 13. Of aan de gelijkenis van het koninklijk bruiloftsmaal in Matt. 22.

Ooit las ik als aarzeling bij de ‘verhalende prediking’: maar wij zijn de Here Jezus toch niet? Inderdaad, maar dan komt de vraag op: als de Heiland het zó doet, en als de Heilige Geest zó blijkbaar werkt, wie zijn wij dan om dat te negeren? Zijn wij betere predikers dan Hij...?

Als laatste zou te denken zijn aan de brief aan de Hebreeën, waar voortdurend de geschiedenissen van het volk Israël worden aangehaald om daar geestelijke lessen uit te leren.

HET VERHAAL ONDERSTEUNT DE BOODSCHAP

In die zin, en op deze manier gebruikt, is er niets mis met het verhaal in de prediking. Integendeel, het verhaal werkt blijkbaar verrijkend voor de prediking. Mits... het maar dienstbaar is voor het verstaan van het Bijbelgedeelte of voor de tekst, die in de prediking wordt opengelegd. Het verhaal moet naar de boodschap toe leiden, om zo te zeggen, het dient echt als voorbeeld. Zo werkt de Geest, en zo volgt de prediker gehoorzaam, al biddend om inzicht.

En zo gezien is het invlechten van een voorbeeld in een preek, of het daarmee beginnen (want daar gaat het toch om) nog niet zo eenvoudig. Niet altijd slaagt men daarin, en dat is ook geen schande. In sommige gemeenten is het de gewoonte dat de predikant op enig moment in de dienst apart met de kinderen praat. En ook dat is minder eenvoudig dan het lijkt: het komt er dan op aan dat hij de kinderen echt aanspreekt en zich van tevoren goed afvraagt: wat is nu feitelijk de boodschap die de Here op deze dag, in deze preek, aan de gemeente wil overbrengen, en hoe kies ik woorden en beeiden die echt bij de kinderen overkomen? Een eenvoudige toetssteen daarbij is het in gesprek gaan met de kinderen op dat moment: dan weet je namelijk precies wanneer ze je niet meer kunnen volgen. Is het in de preek wezenlijk anders? Zeker, we gaan daar niet letterlijk in gesprek met de gemeente. Maar anderzijds, zo leren we in Apeldoorn, toch weer wel: bij de voorbereiding heeft de prediker de gemeente die aan zijn zorg is toevertrouwd voor ogen en in het hart en probeert hij zich voor te stellen hoe men op de boodschap zal reageren. Dan kan het voorbeeld, het verhaal wezenlijk helpen om de brug tussen verkondiger en hoorder te slaan. En de Geest kan het zegenen!

DE BOODSCHAP IS MEER DAN HET VERHAAL

Het lijkt een open deur: de boodschap die in de preek zit, is meer dan het verhaal. En toch wil ik het apart benoemen. De klachten die men over de prediking hoort, gaan immers vaak dáárover: we hebben wel mooie verhaaltjes (of een mooi verhaal) gehoord, maar het was geen préék!

Nu is het nog niet zo gemakkelijk om dergelijke klachten goed te wegen. Predikanten weten dat een preek in de ene gemeente heel goed kan overkomen, en in de andere gemeente veel minder. De een heeft aan een korte opmerking als toepassing genoeg, de ander moet veel meer woorden aangereikt krijgen om brood voor het hart te krijgen. En het is aan de plaatselijke kerkenraden om samen met hun predikant op te trekken en na te gaan of de zondagse prediking doel treft of niet, of onvoldoende, en in het laatste geval: hoe daarmee om te gaan.

Toch wil ik de gedachte dat de prediking meer is dan het verhaal, nog verder uitwerken. Prediking is immers in en uit principe Christusprediking. Paulus noemt het de kern van de zaak: wij prediken een gekruisigde Christus, 1 Kor. 1:23. Door die prediking wordt mensen immers duidelijk gemaakt dat de mensheid in schuld verloren ligt, en dat de mens geneigd is tot alle kwaad, tenzij hij door de Geest van God wedergeboren wordt (HC zondag 3). En door die prediking wordt de weg getekend waardoor de mens tot bekering komt: via het knielen bij het kruis van Golgotha, en wordt duidelijk hoe er sprake is van groei in het geloof: door voortdurend ingelijfd te blijven in de wijnstok die Christus is (Joh. 15:1-8, over een beeld gesproken...). Ik durf de stelling wel aan: prediking is Christusprediking of het is geen prediking. Zelf zou ik althans niet weten hoe ik zou moeten preken zonder daarin de Heiland centraal te stellen.

Het is de heilige taak van hen die tot het preken geroepen worden, om in het gedeelte dat op een bepaalde zondag op de kansel openligt en de tekst die daarin centraal wordt gesteld, zich af te vragen: op welke wijze gaat het hier over de Here Jezus? En daar moet stevig op gestudeerd worden. Het is meer dan een aantal keren in de preek de naam van de Heiland noemen: de Schrift dient echt zó open te gaan, dat duidelijk is dat de Heilige Geest in het betreffende gedeelte Hem centraal stelt. Voor het preken uit het Oude Testament vraagt dat een aparte vaardigheid, kort gezegd een goede verhouding tussen het heilshistorische en het exemplarische in de preek (dat zou een apart artikel waard zijn).

DE KERN

De kern van de zaak is dus, samenvattend: dienen de verhalen in de preken om het tekort aan echte verkondiging te verhullen? Dan is er inderdaad sprake van verarming, hoe mooi de gemeente het misschien ook vindt... of dienen de verhalen als zinvolle voorbeelden en brengen ze zo de Heiland der Schriften dichter bij het hart? Dan zal er zegen op rusten.

Alleen via die laatste weg zal de gemeente gebouwd worden, in alle geestelijke vragen die in de harten van de mensen leven (of die in die harten levendig moeten worden): vragen over roeping, bekering, wedergeboorte, geloof, heiliging; vragen over doop en avondmaal, vragen over hemel en hei, vragen over de praktijk van het christelijk leven, vragen over de plaats van de gemeente in de wereld... Dat zijn immers allemaal vragen die op enig moment in de Schriften naar boven komen. Het is de geestelijke kunst voor de predikant (en net zo vaak een geestelijke worsteling) om die vragen niet door de verhalen onder te laten sneeuwen (daarmee wordt de gemeente niet gebouwd, maar afgebroken), maar om ze door een verhalende prediking juist open te laten vallen en er Bijbels licht over te laten schijnen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.