+ Meer informatie

VRAGENBUS

5 minuten leestijd

Correspondentie roor deze rubriek aan : | T. MOLENAAR. Leede 18. Rotterdam Zuid

C. Sp. te S. vraagt wat de verklaring is van 2 Joh. 10. In verband met deze tekst rijst de vraag of men met andersdenkenden geen omgang mag hebben.

Antwoord: De bewuste tekst, waar het hier over gaat, luidt: „Indien iemand tot u komt en deze leer niet brengt, ontvangt hem niet in huis, en zegt tot hem niet: „Wees gegroet."

In het 7e vers van deze brief wordt aan de uitverkoren vrouw het bedroevende nieuws gebracht, dat er vele verleiders in de wereld gekomen zijn, die niet belijden, dat Jezus Christus in het vlees gekomen is. Johannes zegt, dat deze is de antichrist.

Nu is het niet onmogelijk, dat die uitverkoren vrouw een edelmoedige gastvrouw is, altijd bereid om reizende dienaren en Christenen te herbergen. Deze verleiders zouden misschien dezelfde gastvrijheid voor zich ver-• wachten gelijk de besten van de anderen. De apostel staat dat echter niet toe en wil zeggen: Verwelkom hen niet in uw gezin. Ongetwijfeld mag men wel in hun dringende behoeften voorzien, maar zij mogen niet aangemoedigd worden in hun boze dienst. Dwaalleraars zijn verwoesters der zielen.

Daarom laat de apostel volgen: zeg niet: Wees gegroet!"

Hij bedoelt daarmee: Vergezelt hun arbeid niet met uw gebeden. Slechte daden mogen niet aanbevolen worden in of gewijd aan de Goddelijke zegen. God zal nooit de leugen in bescherming nemen.

Deze waarschuwing van de apostel geldt heden ten dage nog. Dit betekent echter niet als zouden wij in werkplaats of kantoor of waar ons werk ons ook roept, andersdenkenden een vriendelijk woord moeten weigeren.

Neen, ook hier geldt het woord des apostels uit Rom. 12 : 18 en 20: Indien het mogelijk is, zo veel in u is, houdt vrede met alle mensen. Indien dan uw vijand

uongeri zo spijzigt hem, indien hem dorst, zo geeft hem te eten, want dat doende, zult ge kolen vuurs op zijn hoofd hopen."

Maar als het gaat tegenover vijanden des Heeren, tegenover hen, die de vrije genade Gods in de Heere Jezus Christus aanranden, dan zij men beslist en weigere elke particuliere omgang. Men belette hen, zoveel in ons is, hun dwalingen te propaganderen en zo ons dat onmogelijk is, bestrijde men hen onder biddend opzien tot de Heere en waarschuwe onze medemens voor hun verderfelijke leer.

E. V. te V. vraagt of het goed is om voor Heere Heer te gebruiken.

Antwoord: Neen, dat vind ik niet goed. Ik vind het erg oneerbiedig om Gods grote Naam uit te spreken, alsof we tegenover een mens staan.

Als we een man tegenover ons hebben, die chique gekleed is en hij heeft fijne manieren, dan zeggen wij van hem: dat is een heer. Als we iemand ontmoeten, dan groeten wij met: „Dag mijnheer!" En zo zouden we verder kunnen gaan.

Als we tot God spreken past ons ootmoedige eerbied en als wij Zijn heilige Naam op onze onreine lippen nemen, dan zeggen wij: „Heere!"

't Is wel eigenaardig, dat naar gelang de wereld ouder wordt, de moderne Godsdienstige mens tracht, alles wat heilig is naar omlaag te trekken en alles wat betrekking heeft op de onzichtbare wereld zoveel mogelijk te betrekken in eigen gezichtskring en uitdrukkingen kiest en woorden gebruikt, die in mijn oren profaan klinken.

Br. A. V. te B. o. Z. en P. v. d. V te VI. vraagt: „Wat moeten we eigenlijk verstaan onder de onvergeeflijke zonde tegen de H. Geest. En welke zonde wordt daarmee bedoeld? "

Antwoord: e zonde tegen de H. Geest wordt ons beschreven in Matth. 13 : 31, - waar we lezen: De lastering tegen de Geest zal de mensen niet vergeven worden" en in Matth. 3 : 29 lezen wij: Zo wie gelasterd zal hebben tegen de H. Geest, die heeft geen vergeving in der eeuwigheid, maar is schuldig des eeuwigen oordeels." Ook de apostel Johannes spreekt in zijn eerste brief over een zonde tot de dood, waarmee hij bedoelt de zonde tegen de H. Geest, want hij voegt erbij: voor dezelve zonde zeg ik niet dat hij zal bidden.

Calvijn merkt op, dat zij tegen de H. Geest zondigen, die de Goddelijke waarheid, door wier glans zij zo getroffen worden, dat ze geen onwetendheid kunnen voorwenden, toch in hardnekkige boosheid weerstaan alleen met het doel om haar te weerstaan.

Verder zegt hij: „Maar zij, die in hun geweten overtuigd zijn, dat het Gods Woord is, dat ze versmaden en bestrijden, maar die toch niet ophouden het te bestrijden, die zijn het, van wie gezegd wordt, dat ze tegen de Geest lasteren, aangezien zij strijden tegen de verlichting, die het werk is van de H, Geest. Zulken waren sommigen uit de Joden, die, toen zij de Geest, die door Stefanus sprak, niet konden weerstaan, toch ernaar streefden Hem te weerstaan.

Zulken waren ook de Parizeen zelf, welke de Heere bestraft, die Hem met de naam Beëlzebub in kwaad gerucht brachten.

Dit is dus de geest der lastering, wanneer des mensen vermetelheid opzettelijk te voorschijn komt tot het smaden van Gods Naam. En dat bedoelt Paulus 1 Tim. 1 : 13, wanneer hij leert, dat hij barmhartigheid verkregen heeft, omdat hij in onwetendheid door ongeloof daden heeft gedaan, ter oorzake waarvan hij anders de genade des Heeren onwaardig geweest zou zijn. Indien onwetendheid verbonden met ongeloof gemaakt heeft, dat hij vergiffenis kreeg, volgt hieruit, dat er geen plaats is voor vergeving, wanneer bij ongeloof kennis gekomen is." Zie ook Redel. Godsdienst van Brakel, deel 1 bladz. 330—334.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.