+ Meer informatie

Openingswoord door de Voorzitter

14 minuten leestijd

Met zekere spanning heb ik deze dag tegemoet gezien en ben ik vanmorgen naar hier gekomen. Hiermee bedoel ik dan niet de spanning die wellicht elke voorzitter kent wanneer een vergadering moet worden geleid en toegesproken maar meer de vraag: hoe zal het deze keer met de opkomst zijn. Vorig jaar vergaderden wij op zaterdag en dat bleef beneden de verwachting welke het komité zich had gesteld op grond van de verzoeken in vorige vergaderingen gedaan.

Dit is dan ook de oorzaak dat het komité dit jaar teruggekeerd is naar de donderdag, zowel voor de diakenen- als ouderlingen konferentie.

De voorjaarskonferentie van de diakenen was, voor wat de opkomst betreft zeker geen sukses. Niettemin hebben wij gemeend eerst het resultaat van deze konferentie te moeten afwachten om daarna opnieuw dit punt onder de ogen te zien.

Er zijn mensen die willen beweren dat al dit soort vergaderingen zal gaan verdwijnen omdat daar nu eenmaal geen belangstelling meer voor is.

En inderdaad, vele besturen zitten met het probleem: hoe krijgen we onze leden ter vergadering. Men doet zijn best allerlei attrakties te bedenken zowel voor vergaderingen op maatschappelijk als politiek terrein en ik meen te mogen zeggen dat verenigingen en bonden op het kerkelijk erf vaak met dezelfde moeilijkheden hebben te kampen.

’k Geloof dat het goed is dat we elkaar daar vandaag maar eens op wijzen. Niet om nu eens heerlijk af te geven op lauwheid en slapheid, op alles wat wèl of niét gebeurd en daarbij zelf buiten schot te blijven. Dat moderne farizeïsme kennen we maar al te goed.

Neen, als we moeten vaststellen dat er een tekort is aan belangstelling, óók voor de arbeid in Gods Koninkrijk, dan zullen we elkaar moeten opwekken om daarin verandering te brengen en moeten proberen wegen te zoeken om een nog grotere lauwheid en onverschilligheid tegen te gaan.

Ik hoop van harte dat deze dag ertoe mag medewerken om ons weer duidelijk te doen zien dat wij niet zo maar bezig zijn met partikuliere liefhebberij zoals b.v. een bond van konijnenfokkers of postzegelverzamelaars, hoe belangrijk dit voor mensen die daarvan houden misschien ook is.

De arbeid in Gods koninkrijk vraagt een andere instelling en wij zullen ons steeds weer moeten afvragen of wij die juiste instelling wel hebben en of onze ambtelijke arbeid wel altijd zó is dat wij anderen tot een voorbeeld zijn.

Wie zal zichzelf niet moeten beschuldigen maar al te vaak te zwijgen over bepaalde verontrustende ontwikkelingen omdat bij voorbaat vast staat dat men voor ouderwets wordt aangezien? Verschillende broeders hebben mij gezegd dat het vaak teleurstellend is zo weinig begrip te ontmoeten, óók in eigen kring, wanneer het gaat om dingen waarvan zij menen dat die niet in overeenstemming zijn met een echt christelijke levenswandel.

„U moet wat ruimer denken” zegt men dan „het is tegenwoordig toch allemaal zo anders”.

Ja, zo kan veel weggeredeneerd of goedgepraat worden maar met al dat z.g.n. ruimer denken en soepel zijn komen we, dacht ik, toch nog steeds niet tot meerdere bloei van ons kerkelijk- en verenigingsleven.

Ajax—Real Madrid schijnt soms meer invloed te hebben dan mannenvereniging of huisbezoek.

Een „kniesoor” die daarover valt. Probeer maar eens om serieus bezwaar te maken wanneer blijkt dat een belangrijke voetbalwedstrijd de vergadering van een of andere vereniging onmogelijk maakt.

Misschien krijgt u ten antwoord dat u dat niet zo zwaar moet nemen en dat u zelf toch ook liever zou luisteren of kijken dan op huisbezoek te gaan.

Maar zelfs al zou dit laatste niet helemaal ontkend kunnen worden daarom mogen we toch niet zwijgen of verslappen in onze aktiviteiten.

Wij zijn toch niet bezig voor ons eigen genoegen, maar we zijn „gegevenen” met een opdracht. Lees het bekende doch altijd weer sprekende Efeze 4 er nog maar eens op na.

Ik heb even overwogen om het onderwerp dat tijdens onze konferentie van 1957 werd behandeld opnieuw onder uw aandacht te brengen. Ik zal dat niet doen maar wil u er toch wel op wijzen dat daarin dermate belangrijke dingen gezegd werden dat het goed zou zijn om nu, tien jaar later de „handelingen” van deze vergadering nog eens uit de kast te halen en op de kerkeraadsvergadering te bespreken.

Het kan immers niet ontkend worden dat er iets dreigt mis te gaan, óók in ons kerkelijk leven. Het vertoont heus allemaal niet zo’n fleurig beeld.

Mag ik eens een voorbeeld noemen? Regelmatig wordt in de samenkomsten en als ’t goed is in de gezinnen gebeden om meer predikanten. Wij vragen dan (of zijn het traditionele woorden?) of de Here arbeiders in Zijn wijngaard wil uitstoten. De nood is immers groot?

Ik dacht, dat wij dit jaar wel van gebedsverhoring mochten spreken. Tien kandidaten waren beroepbaar doch hoe ging het met beroepen? Ik zou hier veel over willen zeggen, maar: alle dingen zijn wel oorbaar doch alle dingen stichten niet. Laten we hopen dat God bewaart voor hoogmoed en minderwaardigheidskom-plexen en geve Hij al deze jonge broeders met rijke zegen des evangelies te arbeiden op de plaats waar Hij hen gesteld heeft.

Tanende belangstelling voor het kerkelijk leven blijkt ook wanneer, zoals in één van onze kerken, de manslidmaten worden opgeroepen voor zeer belangrijke zaken welke niet alleen die plaatselijke kerk, doch ook het bredere kerkverband raken, slechts 50 % der leden de moed opbrengt om aan die oproep gehoor te geven.

Wanneer door zo’n klein aantal leden dan gestemd moet worden rijst de vraag of de procedure zoals ook in onze kerken bij het stemmen gevolgd wordt wel juist is. Het zou m.i. beter zijn opnieuw een vergadering uit te schrijven en de leden daarbij op hun verantwoordelijkheid te wijzen. Het recente gebeuren in Amsterdam west, alsmede het kommentaar daarop in één der, in onze kringen verschijnende bladen, maken bezinning hierop, dacht ik, noodzakelijk. Temeer geldt dit, waar het er op lijkt dat, terwijl kerkelijke berichten in onze publiciteitsmedia heus niet zo’n grote plaats toebedeeld krijgen, men dan wel speciaal aandacht schenkt aan de negatieve dingen al of niet met sensationele koppen.

Begrijpelijk is dan ook dat bij velen een gevoel van onbehagen groeit mede doordat Chr. dag- en weekbladen zich hoe langer hoe minder onderscheiden van de z.g.n. neutrale bladen. Denk aan verslagen van de zondagssport enz. Zij die aan bepaalde redakties daarvan blijk geven lopen de kans in een al of niet vet gedrukt onderschrift een behoorlijke „kat” te krijgen.

Ik noem zo maar een paar dingen, niet om nu eens wat kritiek te spuien maar wel om eraan te herinneren dat deze, en wellicht nog veel meer en veel ernstiger zaken voortdurend onze aandacht vragen. Hoe zult u leiding en voorlichting kunnen geven als u alles zonder meer aan u laat voorbijgaan?

Het gevaar bestaat dat wij gaan toegeven aan moedeloosheid, we zien veel veranderen en hebben soms het gevoel er niet meer tegenop te kunnen. Als dat gebeurd dan zijn we bezig uit het oog te verliezen dat Christus onze Opdrachtgever is en dat moet natuurlijk nooit want dan wordt het alles menselijk gedoe. Dan èrgeren we ons aan ontrouw kerkbezoek inplaats van degenen die zich daaraan schuldig maken op te zoeken en in liefde te vermanen. Dan worden kerkeraadsvergaderingen vervelende avonden want er zijn immers niet minder kwesties aan de orde dan bij welke organisatie ook? We konstateren gebrek aan kerkelijk besef, een zekere onverschilligheid t.a.v. de geschiedenis van onze kerken en zijn dan geneigd ons daarbij neer te leggen. Het behoeft geen betoog dat we hiermee op de verkeerde weg zijn. Mogelijk moeten we ons wel afvragen of we er niet mee schuldig aan zijn. Leeft b.v. de geschiedenis bij alle ambtsdragers wel voldoende? Over het 75 jaar voortbestaan van onze kerken, na de vereniging van 1892 is, naast de artikelen in „de Wekker” niet zoveel of misschien wel niets geschreven. De historie is toch wel belngrijk? Meerdere jeugdouderlingen gaven kort geleden als hun mening te kennen dat, naarmate de jeugd minder afweet van deze historie zij ook minder belangstelling heeft voor de kerk waartoe zij behoort.

Jeugd zowel als ouderen zullen niet alleen moeten weten dát, maar ook waaróm onze kerken nog steeds staan achter wat onze vaderen èn in 1834 èn in 1892 hebben gedaan en bedoeld.

Ik noem daar onze jeugd, deze is door een onzer predikanten (die enkele artikelen in het kerkblad van het Noorden schreef) genoemd: „de kerk van morgen”. Die kerk van morgen gróeit vandaag en vraagt daarom nu reeds ons aller aandacht.

Wat krijgt die jeugd mee? Een serie klachten? afkeuringen? sombere voorspellingen? of bemerkt zij onze warme belangstelling en weet zij van ons gebed bij het opgroeien, óók als kerklid?

Weten onze jonge mensen dat niet alleen bondsbesturen en een jeugdwerkleider dagelijks bezig zijn om toch maar zo goed mogelijk leiding te geven? Merken zij óók bij huisbezoek en in prediking dat zij leden der kerk zijn en dat naar hen geluisterd wordt?

Ik ben wel eens bang dat op deze vragen maar al te veel een ontkennend antwoord moet worden gegeven en dat er niet zoveel oog is voor het goede, het verheugende, dat bij onze jonge mensen gevonden wordt.

Of is het geen verheugend verschijnsel dat uitgerekend bij de jeugd zoveel belangstelling leeft voor het evangelisatiewerk in de rekreatie-gebieden zowel in ons land als in België?

Ik weet niet of u met deze arbeid wel eens van nabij kennis hebt gemaakt, maar ik kan u uit eigen waarneming verzekeren dat daar hard gewerkt wordt en elke gelegenheid wordt aangegrepen om het Evangelie van Jezus Christus uit te dragen. U heeft daarvan wellicht ook het verslag in het laatste nummer van „de Sleutel” gelezen.

Inplaats van te klagen en te zuchten zullen we ons eens moeten afvragen of wij wel altijd op de juiste en meest duidelijke wijze leiding hebben gegeven,

’t Zou interessant doch misschien ook beschamend zijn om van hier eens te horen hoeveel uren per jaar er op uw kerkeraadsvergadering besteed worden aan de vorming der jonge leden, de kerk van morgen dus.

Het vraagstuk van de opvolging houdt vele besturen van maatschappelijke organisaties bezig. Politici verzuimen niet de konferenties der jeugdorganisaties bij te wonen.

Mogelijk weet u allemaal wel hoelang onze jonge mensen moeten studeren om onderwijzeres, politieagent, predikant, maatschappelijk werkster of kruidenier te worden, maar realiseert u het zich wel eens dat de kerk het maar nauwelijks kan opbrengen om 20 à 22 uur per jaar uit te trekken voor het catechetisch onderwijs?

In plaatsen waar (om welke reden?) de catechisaties nog steeds gehouden worden in de periode van dankdag tot biddag betekent dit voor het komende seizoen 16 uur of misschien zelfs maar 16x3 kwartier.

Is u er verder van overtuigd dat uw predikant op bevattelijke en eigentijdse wijze dit onderwijs geeft, dat hij de jeugd verstaat en weet welke vragen er in jeugdland leven?

Evenals voor al zijn ambtelijke arbeid zult u ook belangstelling voor dit belangrijke onderdeel moeten tonen en uw predikant niet als een eenzame figuur zijn werk laten doen.

Hetzelfde geldt ook voor uw jeugdouderling, zo u die heeft.

Bij dat alles zullen we aan de vragen en diskussies in andere kerken niet schouderophalend voorbij mogen gaan.

Wie meent dat alleen in de Gereformeerde Kerken vragen zijn over de eerste hoofdstukken van Genesis heeft nog nooit goed in eigen kring geluisterd. Onze Theologen zullen niet te lang moeten wachten met duidelijk en objektief hun visie over deze vragen te geven en ik ben dankbaar dat in de artikelen in de Wekker, over „Assen 1926” hiermee een begin is gemaakt. Verder zal het goed zijn het onderwerp „Schriftgezag” op onze regionale konferenties te bespreken.

U zult met elkaar over een aantal vragen móeten spreken want u kunt er op rekenen dat in catechisatie-lokaal en bij huisbezoek vragen gesteld zullen worden en het bekende „Jantje van Leiden” is er bij onze jonge mensen niet meer bij.

Wie evenals ik o.a. in „Kerknieuws” gelezen heeft wat ter Synode van de Gereformeerde Kerken (vrijgem.) is gezegd over- en aan het adres vàn onze kerken heeft zich zeker de ogen uitgewreven want dat liegt er niet om.

Ik noem enkele willekeurige punten daaruit:

„de Chr. Geref. zien eenheid wel als een eis des Heren, maar achten de tijd nog niet gekomen”.

„De vrijgemaakte kerken moeten de Chr. Geref. Kerken tonen waarin zij dwalen”. „De Chr. Geref. Kerken eigenen zich vrijblijvendheid toe en dat wil de Here niet”. „Zij (de Chr. Geref.) hebben geweldige bezwaren tegen de Gereformeerde kerken maar zetten het gesprek voort om getuigenis te geven van het chr. geref. beginsel”. Zo stelt men zich ook tegenover de vrijgemaakte kerken op zonder „met het gebod Gods ernst te maken”. Men doet het voorkomen of alleen bij de chr. geref. kerken de ware belevingsleer te vinden is”.

En om niet meer te noemen: „de chr. geref. kerken hebben zich opgesteld als centrumpartij binnen het Geref. volksdeel. Dat is niet in overeenstemming met de belofte in de akte van Afscheiding gedaan. Na twintig jaar een beroep op de chr. geref. kerken te hebben gedaan moeten we konstateren dat de koers, die de vaderen in 1892 gingen, wordt bestendigd door de zonen, die een centrum-plaats begeren. Niet wij zijn er verantwoordelijk voor dat het kontakt zou worden verbroken.” Aldus een aantal uitspraken welke ik las in „Kerknieuws” van 6 oktober j.l.

Ik meende ook dát te moeten noemen want wij zullen als ambtsdragers moeten weten waar het om gaat. Lees daarom toch ook de akta van de Generale Synoden die in elke kerkeraadskast moeten staan en waarin u alle rapporten vindt welke door deputaten voor samenspreking zijn uitgebracht. Wilt u het wat beknopter en toch duidelijk, lees dan wat Ds. J.H. Velema hierover geschreven heeft in zijn boek: de Kerk tussen klem en knoop” bldz. 88 e.v.

Sommige, of moet ik zeggen: vele mensen maken er zich van af door uit te zien als een duivenhouder op zijn til of er niet een vreemde duif komt binnenvliegen. Men redeneert dan in de trant van: in dié kerk spant het en dáár kraakt het, dat kan nooit goed gaan, daar komt scheuring van en als dat gebeurd dan zal er zeker een deel van die leden naar onze kerken komen.

Ik dacht dat dit toch wel een heel verkeerde en zondige instelling was en in strijd met de bede: „Bewaar en vermeerder uw kerk.

Ten slotte:

Aan het eind van een vergadering van jeugddeputaten met jeugd-ouderlingen werd door een der broeders opgemerkt dat hij dankbaar was voor alles wat hij gehoord had, doch dat hij nu nog meer tegen het werk opzag, want zei hij: hoe kan ik dat ooit allemaal goed doen.”

Misschien zijn hier meerdere of velen die hetzelfde zouden willen zeggen. Ik mag er dan misschien op wijzen welk een voorrecht het is dat Christus Die U riep, dit al van tevoren wist.

Wij hebben aan het begin gehoord hoe Jezus Zijn discipelen riep. Dit waren gewone, eenvoudige mensen.

Tot diezelfde mensen zegt Hij even later wát zij zijn, wát zij hebben te doen en waarom zij dat moeten doen.

En Simon èn Andreas eh al die anderen zullen wel met hun oren hebben staan klapperen. Zij, eenvoudige, gewone vissers, „het zóut der aarde en het licht der wereld?” Zullen zij ooit zo’n invloed op anderen kunnen hebben?

Ongetwijfeld hebben zij de zwaarte van die opdracht gevoeld en toch zijn zij niet weggegaan. In hun oren klonk nog na wat Jezus hen even tevoren geleerd had en daarom durfden zij het met Hem aan, Jezus Christus is gisteren en heden Dezelfde.

Zou Hij dan vandaag ambtsdragers, door Hem geroepen, alléén laten? Zoeken wij de kracht die wij nodig hebben dan bij Hem, lettende op wat Paulus schreef aan de Thessalonicenzen hfdst. 5 : 14-24.

Laten wij zó, acht gevend op de trouw Gods, die ook een waarborg is voor de verhoring van het gebed, getrouw zijn.

Wij kunnen de kerk niet in stand houden doch dat behóeft ook niet. Was dat wel zo dan zag het er droevig uit, dan was de kerk reeds lang verteerd. Gelukkig, de Koning der Kerk waakt voor Zijn Kerk, de eeuwen door en daarom kan en mag die kerk zingen

„Een vaste burcht is onze God” … en:
„Gods Woord houdt stand in eeuwigheid
en zal geen duimbreed wijken.”

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.