+ Meer informatie

KWALITEITSZORG IN DE KERK

13 minuten leestijd

1. Inleiding

Kwaliteitszorg in de kerk. Het lijkt in eerste instantie bijna overbodig om hier woorden aan te wijden. Het is toch Gods Geest die Zijn Woord via predikanten uitzaait in de gemeente en Hij bepaalt uiteindelijk of dit vrucht zal geven of niet, hoe gering de kwaliteit ook is. Desondanks weten wij ook allemaal dat God hierbij gebruik wil maken van mensen, zwakke mensen als u en ik, mensen met gebreken en tekortkomingen. We zijn daar zelfs zo van overtuigd dat we in de kerkorde hebben laten vastleggen dat een predikant eerst moet studeren op kerkgeschiedenis, catechetiek, homiletiek enz. alvorens hij een gemeente kan dienen. We zijn het er dus over eens dat er gewerkt kan en moet worden aan de leraren die de gemeente als uit Gods hand zal ontvangen.

2. Bijscholing

Het bevreemt daarom ook dat dat werken en bijschaven bij wijze van spreken ophoudt bij het beëindigen van de studie in Apeldoorn. Ja, er is tegenwoordig wel sprake van mentoraat, maar dit is maar gedurende een beperkte periode en gebeurt meestal op afstand. Bijscholing in zaken waarin een predikant extra interesse heeft komt ook nog wel eens voor, maar bijscholing in de zwakke punten van een predikant is binnen mijn gezichtsveld een zeldzaamheid.

(Dit heeft wellicht ook te maken met het geringe aanbod van passende cursussen binnen ons kerkverband. In dit kader zou het daarom goed zijn als er vanuit Apeldoorn (misschien samen met Kampen?) wat meer korte cursussen worden aangeboden aan de kerkenraden, waarin predikanten kunnen werken aan de zaken waarvan zij voelen dat ze er te kort in schieten: lesgeven aan catechisanten, omgaan met gemeenteleden met psychiatrische aandoeningen, voordrachtskunst, vergadertechniek enz.)

Daarbij komt dat in de meeste gevallen mensen blinde vlekken hebben voor het eigen disfunctioneren, men ziet z’n eigen zwakke punten niet. Dit geldt trouwens niet minder voor predikanten dan voor welke andere beroepsgroep dan ook. Daarom is het goed dat elke predikant eenmaal per jaar zich met anderen bezint op zijn functioneren. Dit gebeurt als het goed is jaarlijks op initiatief van de kerkenraad, maar daarnaast is het wijs en verstandig van een predikant als hij daarvoor bij andere groepen gemeenteleden zelf het initiatief neemt.

3. Beeldvorming

De traditionele rol van predikant staat onder druk. Het klassieke beeld van een dominee, die iedereen regelmatig bezoekt, elke zondag tweemaal preekt, zelf alle catechisaties geeft, de gemeente bestuurt, een rustig leven leidt, hier en daar een praatje maakt en nog tijd over heeft voor een ingewikkelde studie, is een romantisch ideaal, maar volstrekt niet realistisch. De vraag is echter wel in hoeverre dit beeld nog een rol speelt in de gedachten van gemeenteleden en predikanten.

Elke predikant werkt vanuit zijn eigen mogelijkheden, maar voldoet toch zelden aan de verwachting van individuele gemeenteleden. Dat veroorzaakt een voortdurend gevoel van te kort te schieten, een pastorale schuldenlast, die bij tijd en wijle zwaar kan drukken.

4. Inzicht in eigen functioneren

“In de praktijk blijkt dat predikanten een gebrekkig zicht hebben op de vraag hoe hun functioneren door anderen wordt beoordeeld. Er zijn nauwelijks functioneringsgesprekken. Door chronisch gebrek aan terugkoppeling weten veel predikanten niet goed wat er van hen verwacht wordt en twijfelt men eraan of men het wel goed doet. Onzekerheid en niet op elkaar afgestemde beeldvorming veroorzaken een hoog risico op stress. Daarnaast worden predikanten en kerkenraden geconfronteerd met een sterk toegenomen werkdruk, waarbij vooral het zogenaamde ‘crisispastoraat’ veel tijd in beslag kan nemen.

Het begin van een oplossing ligt in aandacht en communicatie. Het is van het grootste belang de verwachtingen over-en-weer in alle openheid naar elkaar uit te spreken om in overleg te bekijken wat wel en niet haalbaar is. Wat heeft voorrang, hoe wordt het werk verdeeld? Het als predikant druk hebben is niet erg, als je maar niet eindeloos druk bent en weet waar je aan toe bent.”1

Het ‘beoordelen’ van de predikant door de kerkenraad gebeurt tot nu toe (als het al gebeurt) door middel van het eenmaal per jaar op een kerkenraadsvergadering aan de orde te stellen van dit onderwerp. Het is zeer de vraag (en mijns inziens zelfs te betwijfelen) of dit de goede manier is. Zoals bij de meeste kerkenraden zijn het bij deze gelegenheden meestal dezelfde broeders die het woord voeren en mocht er al wat negatiefs gezegd worden, dan zijn er altijd wel anderen die het voor de predikant opnemen en hem in tegengestelde richting prijzen. Het is ook immers een beetje sneu: één eenzame man op een moeilijke post die door zo’n grote groep mensen in alle openheid bekritiseerd kan worden.

6. Een voorbeeld uit een andere beroepsgroep

Een beroepsgroep met een vergelijkbaar probleem is die van de docenten. Een grote groep leerlingen met één te beoordelen man of vrouw ervoor. Bij evaluaties ‘in de groep’ blijkt dat ook hier een vergelijkbaar probleem naar voren komt als bij de evaluaties van een predikant binnen zijn kerkenraad: een paar leerlingen voeren het woord en als er al kritiek geuit wordt, dan zijn er altijd wel lieve leerlingen die het voor de docent opnemen omdat hij/zij anders zo zielig is. Toch is het goed-evalueren van groot belang. Om voornoemde vertekening zoveel mogelijk te voorkomen, maakt men in het onderwijs daarom steeds meer gebruik van door leerlingen in te vullen vragenlijsten, soms met mondelinge nabespreking.2 De betrouwbaarheid en de geschiktheid van leerlingen van dergelijke evaluaties zijn inmiddels grondig onderzocht.

Betrouwbaarheid betreft de vraag in hoeverre de oordelen van leerlingen voldoende stabiel zijn. Wordt de uitslag niet sterk bepaald door het toeval? Wijkt de mening van de ene leerling niet af van die van een ander? Uit onderzoek blijkt dat de variatie gering is. Een aantal van 25 leerlingen is voldoende om betrouwbare uitspraken te kunnen doen over de kwaliteit van het aangeboden onderwijs.

Geschiktheid van leerlingen betreft de vraag of een leerling wel in staat is te bepalen wat goed onderwijs is. Laat de leerling zich niet te veel leiden door niet ter zake doende factoren, zoals de zwaarte van het vak of het acteervermogen van de docent? Hoewel er soms negatieve verbanden werden gevonden tussen de leerprestaties van leerlingen en hun beoordeling van de kwaliteit van de docent, komt als conclusie uit het meeste onderzoek naar voren dat leerlingen in staat zijn tot een goede beoordeling van de kwaliteit van het onderwijs. Leerlingoordelen blijken minder vaak bepaald te worden door niet ter zake doende zaken dan men vaak aanneemt.3

In de V.S. wordt door 85% van de onderwijsinstellingen gebruik gemaakt van leerlingoordelen, ook bij personele beslissingen zoals bevordering en ontslag.4 Juist bij de te verwachten beroepszaken in die situaties blijken leerlingoordelen belangrijk. Ze zijn objectiever en minder aanvechtbaar dan persoonlijke oordelen van een onderwijsdecaan of het oordeel van een visitatiecommissie. Collega-docenten blijken veel minder betrouwbare oordelen te geven dan leerlingen en laten zich meer beïnvloeden door niet ter zake doende factoren als persoonlijke relatie met de betreffende docent en dergelijke.

6. Een voorstel tot verbetering

Met deze gegevens in het achterhoofd valt er dus ook nog wel het een en ander te verbeteren aan de beoordeling van het functioneren van een predikant. Belangrijk, want beter functioneren is winst voor Gods Koninkrijk. Het herkennen van de eigen zwakke plekken opent de weg om er aan te gaan werken. In overleg met kerkenraad en gemeente en samen met kerkenraad en gemeente.

Het functioneren blijkt dus voor een groot deel goed te beoordelen te zijn door willekeurige gemeenteleden: vrouwen van de vrouwenvereniging, catechisanten, en welke andere groep in de gemeente dan ook. Wel zal deze beoordeling op een voor iedere groep aangepaste wijze dienen plaats te vinden: aan de vrouwenvereniging zullen andere vragen gesteld worden dan aan leden van de jeugdvereniging. Het doel is wel gelijk: de predikant terugkoppeling geven, daar heeft hij recht op, dat komt hem te baat, dat komt de gemeente te baat.

Het beste kunnen deze vragen in een meerkeuzevorm gesteld worden: dat voorkomt dat mensen uit angst voor herkenning van het handschrift niet het achterste van hun tong durven te laten zien. Daarbij biedt dit het voordeel dat zo de mening van hen die moeite hebben om in het openbaar of in een grotere groep te spreken even zwaar zal tellen als die van hen die zo’n remming in het totaal niet ervaren.

Een klein voorbeeld van een dergelijke vragenlijst staat hieronder. Niet alle vragen zullen aan alle groepen gesteld moeten worden. Toch zijn er veel vragen die door alle groepen heen gebruikt kunnen worden. Als handvat bij het opstellen van de vragen kan gebruik gemaakt worden van een artikel van prof. dr. W.H. Velema.4 Zowel een kerkenraad als een predikant kunnen van een dergelijke vragenlijst gebruik maken. De kerkenraad als aanzet om jaarlijks met de predikant zijn functioneren te evalueren, de predikant om beter zicht te krijgen op de vraag hoe de gemeente in de breedte en bepaalde doelgroepen in het bijzonder hem beoordelen. Hierdoor kan aanpassing, bijscholing of bijstelling van verwachtingen gericht plaatsvinden, zodat sensitisatie6 ten opzichte van (kleine) tekortkomingen van de predikant kan worden voorkomen.

■ VOORBEELDEN VAN ALGEMENE VRAGEN

1. Spreekvaardigheid

a. stem en voordracht uitstekend

b. in orde, stoort de voordracht niet

c. slecht spreker, stoort daardoor het luisteren

d. zeer slecht spreker, grote handicap in het luisteren

2. Reageren op kritiek

a. kan goed kritiek verdragen op zijn persoon, gaat kritiek niet uit de weg

b. met hem valt wel te praten over zijn persoon en manier van werken

c. staat niet erg open voor kritiek op zichzelf en zijn manier van werken

d. duldt geen kritiek

3. Tekstkeuze bij de prediking

a. heeft een verrassende tekstkeuze, betreedt geen platgetreden paden

b. gebruikt regelmatig bekende teksten maar weet ze wel in een nieuw licht te plaatsen

c. zou best wat vaker een onbekend tekstgedeelte centraal mogen stellen

d. kiest vrijwel uitsluitend overbekende teksten uit voor de preek

4. Vaardigheid in uitleg

a. uitleg helder, kort en bondig

b. uitleg meestal in orde

c. uitleg vaak onduidelijk

d. uitleg vaak geen touw aan vast te knopen

5. Inhoud van de preek

a. de preek spreekt me vrijwel altijd aan en sterkt me in mijn geloof

b. meestal zijn de preken wat oppervlakkig

c. de preken zijn zo diepgravend dat ik ze vaak niet kan volgen

d. ik begrijp de preek wel, maar ik heb er niet zo vaak wat aan voor mijn geloofsleven

VOORBEELDEN VAN VRAGEN SPECIFIEK VOOR CATECHISANTEN

6. Houding tegenover de catechisanten

a. sympathiek, helpt veel, leeft met de catechisanten mee

b. vrij sympathiek

c. neutrale houding, mijdt individuele contacten

d. op een afstand, uit de hoogte, koel

7. Sfeer tijdens de catechese

a. een heel goede sfeer, je bent er helemaal op je gemak

b. ik kom er wel graag

c. ik voel me er soms niet op m’n gemak

d. er hangt vaak een nare sfeer

8. Houding tegenover individuele catechisanten

a. laat tijdens de catechese nooit voor- of afkeur voor bepaalde catechisanten merken

b. laat zo nu en dan merken dat hij iemand bijzonder graag mag of niet mag

c. geeft regelmatig blijk van voorkeur of afkeur voor bepaalde catechisanten

d. geeft een uitgesproken voorkeur of afkeur voor sommigen en laat dit vaak tijdens de catechese merken

9. Hoeveelheid huiswerk

a. geeft weinig huiswerk

b. geeft een redelijke hoeveelheid huiswerk

c. geeft tamelijk veel huiswerk

d. geeft abnormaal veel huiswerk

10. Orde

a. kan heel goed orde houden op een plezierige manier

b. kan heel goed orde houden, maar op een onplezierige manier

c. soms is het nogal rommelig

d. vaak is het tijdens de catechese ‘een puinhoop’

VOORBEELDEN VAN VRAGEN SPECIFIEK VOOR KERKENRAADSLEDEN

11. Krijgt het werk van de zending in de prediking voldoende aandacht

a. de zending krijgt te veel aandacht in de prediking, hierdoor raken andere zaken ondergesneeuwd

b. er is ruim voldoende aandacht voor de zending en de predikant is er erg enthousiast over

c. er is wel voldoende aandacht voor de zending, maar het komt soms wat plichtmatig over

d. zending is in onze gemeente een onderbelicht deel van het werk van de kerk

12. Besteedt de predikant voldoende aandacht aan bejaardenpastoraat

a. het bejaardenpastoraat is bij hem in goede handen, kan goed met bejaarden omgaan

b. bejaardenpastoraat heeft niet zijn liefde, maar hij spant er zich wel voor in

c. zou wat meer aandacht moeten hebben voor het bejaardenpastoraat

d. bejaardenpastoraat heeft duidelijk onvoldoende prioriteit

13. Is de predikant voldoende actief in het omgaan met de jongeren

a. het is z’n lust en z’n leven, kan enthousiast met jongeren omgaan

b. doet erg z’n best, maar mist vaak wezenlijk contact met de jongeren

c. kan goed met jongeren omgaan, maar besteedt onvoldoende aandacht aan de jeugd

d. vindt het werken met jongeren moeilijk en gaat het daarom soms uit de weg

14. Wordt er goed leiding gegeven aan de kerkenraadsvergaderingen

a. is een geboren leider, vergaderingen duren nooit langer dan strikt noodzakelijk

b. heeft de zaak goed onder controle, hoewel vergaderingen vaak te lang duren

c. weet soms niet goed sturing te geven aan de vergadering

d. kan absoluut niet goed voorzitten, zodat vergaderingen rommelig zijn en te lang duren

15. Maakt de predikant voldoende tijd vrij voor zijn gezin

a. zou best wat meer tijd aan het werken in de gemeente mogen besteden

b. kent zijn grenzen in het functioneren en weet zijn tijd goed te verdelen over gemeente en gezin

c. mag best wat meer tijd vrijmaken voor z’n privéleven, heeft soms moeite om zijn grenzen te bewaken

d. is te gewetensvol bezig in de gemeente waardoor zijn privéleven bij voortduring duidelijk veel te kort komt

Ongetwijfeld valt op elke vraag wel wat af te dingen en zijn er in dit kleine voorbeeld zaken die gemist worden. Toch denk ik dat, wanneer er met zorg en liefde een goede vragenlijst gemaakt wordt, iedereen daar uiteindelijk zijn voordeel mee zal doen.

7. En dan

Evalueren is mooi, maar hoe gaan we vervolgens met de verkregen gegevens om? Het zal voor veel predikanten al een hele zelfoverwinning zijn wanneer ze zich op deze wijze laten doorlichten. Vervolgens is het niet denkbeeldig dat ze kunnen schrikken van de spiegel die hen op deze manier wordt voorgehouden. Het is daarom van belang dat de kerkenraad hen hierin opvangt en helpt bij de noodzakelijke bijstellingen. Deze is immers het orgaan waar de predikant verantwoording aan aflegt en bij uitstek dus het orgaan om kritische notities mee door te nemen.

Moet de kerkenraad dat dan zelf doen? Nee, dat hoeft niet altijd, het is zelfs meestal niet aan te bevelen, maar de kerkenraad draagt wel de eindverantwoordelijkheid. Ik zou me kunnen indenken dat de kerkenraad hiervoor een commissie instelt van wijze broeders en/of zusters die als instructie krijgt een dergelijke terugkoppeling met de predikant voor te bereiden en ook met hem de resultaten te bekijken, te wegen en hem te helpen zo veel als in zijn vermogen ligt bijstellingen te plegen. Zo’n commissie kan van haar werkzaamheden aan de raad rapporteren. De predikant kan zich bij zo’n kleine commissie veilig voelen om eventuele frustraties aan hen kwijt te raken ten einde daarna de hand aan de ploeg te kunnen slaan.

8. Conclusie

Er is iets mis met de manier waarop predikanten terugkoppeling krijgen over hun functioneren. Te weinig zijn kerkenraad, gemeente en predikant op de hoogte van de wederzijdse verwachtingen ten aanzien van het functioneren van de predikant in de gemeente. Een meerkeuzevragenlijst gecombineerd met een ruimer aanbod aan bijscholing zou de predikant, de gemeente en het kerkverband ten goede komen.

De heer Van Amerongen is arts en is in Hoogeveen de centrale scriba van de kerkenraad.

1. Asser Kerkblad, 10 oktober 1996.

2. Cate Th.J. ten. Validiteit van evaluatieve nabesprekingen in het onderwijs. Amsterdam: Bureau Subfaculteit Geneeskunde, 1991.

3. Frey P.W. Student ratings of teaching: validity of several rating factors. Science 1973; 182:83-5.

4. Miller R. The improvement of teaching qualities in international perspective. Congresboek Het Onderwijs Meester. Utrecht: Rijksuniversiteit, 1995.

5. Velema W.H. Ambtelijk Contact 1995-581.

6. Sensitisatie is het toenemen van de ergernis bij een steeds terugkerende kleine negatieve prikkel. Als voorbeeld kan de klok in onze huiskamers dienst doen: de meeste mensen horen op den duur hun eigen klok niet meer tikken, maar het geluid van de klok van de buren zal, als men er zich aan ergert, voor het gevoel steeds luider gaan klinken.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.