+ Meer informatie

HET GELOOF (I)

14 minuten leestijd

Oriëntatie

We stellen voorop, dat het over het geloof in de bijbelse zin van het woord zal gaan. Wie eerst iets zegt over de roeping, dan over de wedergeboorte en daarna over het geloof, heeft daar het oog op. Deze opmerking is in onze tijd niet overbodig, want er wordt heel dikwijls generaliserend over geloof gesproken.

Als iemand op belangrijke verschillen tussen bepaalde godsdiensten wijst, zegt een ander soms dat allen toch in één God geloven, of ze nu christenen, islamieten of hindoes zijn. Een aantal jaren geleden verscheen het boek „Antwoord”, waarvan de ondertitel is: Gestalten van geloof in de wereld van nu. Het is een beschrijving van vijf grote religies. Naast het christendom staat niet alleen het jodendom, maar ook het hindoeïsme, het boeddhisme en de islam.

Dit overzicht van diverse „gestalten van geloof” vertoont een sterk relativerende tendens. Men kan er zo door bekoord worden, dat men zich afvraagt of ons geloof nog wel als het enige ware geloof te beschouwen is.

Er is nog iets dat een belemmering is voor een bijbels verstaan van het geloof. Geloven is in het gewone spraakgebruik niet veel meer dan aannemen. Als je de ander in een gesprek hoort zeggen, dat hij gelooft dat je gelijk hebt, houdt dat nog niet in, dat hij daar echt van overtuigd is. „Ik geloof het wel” kan zelfs betekenen: ik houd het wel voor gezien en voel er niet voor om er verder over na te denken.

Er bestaat een uitdrukking: Geloven doe je in de kerk, maar hier moet je het weten! Daar is uit af te leiden, dat geloven een lager niveau van zekerheid aanduidt dan weten. Dat mag men echter niet toepassen op het geloven in het Oude en Nieuwe Testament!

Geloven doe je in de kerk. Dat klinkt niet altijd positief. Maar er is dan toch nog zo iets als een besef, dat geloof en kerk alles met elkaar te maken hebben.

Nu het steeds meer voorkomt, dat men nog wel tot de gelovigen gerekend wil worden, al heeft men met de kerk van Christus gebroken, moeten we ons ook op dit punt alleen door het Woord van God laten leiden. Het geloven en het deel uitmaken van de gemeente, die de vergadering van de gelovigen is, behoren in de Bijbel bij elkaar.

In de theologie zijn allerlei onderscheidingen gangbaar geworden, die we hier kunnen laten rusten. Maar voor een goed begrip van het woord geloof is het wel nodig om op twee aspecten ervan te letten. Het is immers niet hetzelfde, of we het over het christelijk geloof dan wel over het geloofsleven van christenen hebben. In beide gevallen gebruiken we de woorden geloof en geloven. Soms geven we er de inhoud van ons geloof mee aan, zoals wanneer wij met de kerk der eeuwen ons geloof belijden. Maar soms denken we bij deze woorden aan onze eigen geloofsbeleving. Hoe functioneert ons geloof? Wat is de zekerheid van het geloof en hoe kunnen wij geloofszekerheid ontvangen?

De Heilige Schrift geeft ons licht over al deze vragen.

Er is een moderne theologie die veel invloed heeft, die van de onderscheiding tussen geloofsinhoud en functionering van het geloof bijna een scheiding maakt. Die opvatting is te herkennen aan een uitspraak als deze: Het gaat er maar om, dàt je gelooft, want ieder moet zelf weten wàt hij gelooft.

Maar mag men dat zo stellen en heeft men enig recht om zich hiervoor op de Bijbel te beroepen?

Het veelkleurig bijbels getuigenis

Vooral het Nieuwe Testament spreekt op zoveel plaatsen en op een zo gevarieerde wijze over het geloof, dat het bijna niet in een beknopt overzicht samen te vatten is.

In het Oude Testament komt het Hebreeuwse woord voor geloven (hè’èmin) betrekkelijk weinig voor. Wel ontvangt het in teksten als Genesis 15 : 6 en Jesaja 7 : 9 grote nadruk.

Het is afgeleid van een stam waarop ook het bekende woord „amen” teruggaat. Het wordt daarom wel eens omschreven als „amen op iets zeggen”. Het gaat dan niet om iemands instemming met het verstand alleen, maar om het erachter staan met zijn hele wezen en de inzet van zijn persoon. Het is het Woord van God voor waar houden en zich er dan ook aan houden. Het is „amen zeggen, amen zijn en amen doen” (Joh. de Groot).

Geloven in God is Hem betrouwbaar achten en zich aan Hem toevertrouwen. Geloven is in het Oude Testament „het karakteristieke woord voor de door God gewilde houding en verhouding der mensen jegens Hem” (F.J Pop).

We lezen in Genesis 15 : 6: En hij geloofde in de HERE, en Hij rekende het hem toe als gerechtigheid. Dat wordt in het Nieuwe Testament meer dan eens aangehaald (Rom. 4: 3; Gal. 3: 6; Jak. 2: 23).

In Genesis 15 is het al heel duidelijk, dat het geloof van de mens niet het eerste is, maar de heilsopenbaring van God. Het geloof van Abraham is het antwoord op de openbaring en de beloften van de God van het verbond. Door het geloof staat hij in de rechte verhouding tot zijn God.

De profeet Jesaja moet tot koning Achaz en tot het volk zeggen: Indien gij niet gelooft, voorwaar, gij wordt niet bevestigd (Jes. 7:9). In de grondtekst is het een woordspeling, die Luther vertaalde met: Gelooft gij niet, dan blijft gij niet. Het geloof is dus de enige weg tot behoud. Voor wie niet gelooft, ziet het er donker uit. Dezelfde gedachte ligt in de woorden van koning Josafat: Gelooft in de HERE, uw God, en gij zult bevestigd worden, gelooft in zijn profeten en gij zult voorspoedig zijn (2 Kron. 20: 20).

Sprekende woorden uit de profetische boeken die in het Nieuwe Testament terugkomen, zijn Jesaja 28:16 (in de nieuwtestamentische weergave: En wie op Hem zijn geloof bouwt, zal niet beschaamd uitkomen) en Habakuk 2 : 4.

Als gezegd wordt, dat het geloof ook in het Oude Testament al een aanduiding is van het ene nodige, is daar grond voor. Daarnaast zijn er andere woorden voor de rechte verhouding tot God, zoals kennen van de Here, vrezen van de Here, horen naar Hem, vertrouwen op Hem, hopen op Hem, de toevlucht tot Hem nemen en Hem verwachten. Het Oude Testament is er vol van!

Leven in het geloof is leven in geloofsgehoorzaamheid, geloofsvertrouwen en geloofs- verwachting. Er is terecht op gewezen, dat het geloof in de oudtestamentische zin van het woord sterk gericht is op wat de Here belooft voor de toekomst.

Het Oude Testament laat ons ook altijd weer zien wat het geloof, waartoe God mensen door zijn Woord roept en brengt, in hun leven betekent. We denken aan de geschiedenis van Abraham, Mozes, Jozua, David en de profeten. Het eigenlijke woord voor geloven ontbreekt dikwijls wel, maar in allerlei situaties komt uit, dat er een levend en krachtig geloof is. Om maar iets te noemen: Genesis 22, Exodus 14, Jozua 3, 1 Samuël 17 en 1 Koningen 18. In Hebreeën 11 wordt de lijn aangegeven die door heel het Oude Testament loopt: door het geloof!

De Bijbel tekent het leven van de gelovigen zo reëel, dat het ons niet ontgaan kan, dat er ook zwakke ogenblikken waren, waarin zij niet uit het geloof leefden, al bleef hun geloof wel bestaan (Gen. 17 : 18; 1 Kon. 19:4).

Geloofsuitspraken uit het Oude Testament zullen bij de gelovigen van alle tijden weerklank vinden: De HERE is mijn rots en mijn verlosser (Ps. 19: 15); De HERE is mijn herder (Ps. 23 : 1); Al zou mijn vlees en mijn hart bezwijken, mijns harten rots en mijn erfdeel is God voor eeuwig (Ps. 73 : 26); Mijn ziel zegt: mijn deel is de HERE, daarom zal ik op Hem hopen (Klaagl. 3 : 24).

Als de heilsopenbaring van God in Christus in de nieuwe bedeling tot haar volheid komt, ontplooit ook het geloof zich ten volle. Het geloof in God is geloof in Christus.

In het gehele Nieuwe Testament wordt met de woorden geloof en geloven de rechte verhouding van de mens tot God aangeduid. Maar er zijn nuanceringen.

In de evangeliën is Marcus 1 : 15 een centrale tekst: De tijd is vervuld en het Koninkrijk Gods is nabijgekomen. Bekeert u en gelooft het evangelie.

Er vormt zich een gemeente, die haar geloof in Christus belijdt: Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God (Matt. 16: 15-18). Soms is sprake van een groot geloof (Matt. 8 : 10; 15 : 28), maar er bestaat ook kleingeloof (Matt. 6 : 30; 17 : 20). Het geloof kan op de proef gesteld worden, zoals wanneer de satan de discipelen wil ziften als de tarwe. De Here Jezus heeft voor Petrus gebeden, dat zijn geloof niet zou bezwijken (Luc. 22 : 31,32). Het is „geloof bij de gratie Gods”.

Het vierde evangelie zou het evangelie van het geloof genoemd kunnen worden. Het is niet alleen van het geloof uit geschreven, maar het doel ervan is ook, dat de gemeente zal leven in het geloof: opdat gij gelooft, dat Jezus is de Christus, de Zoon van God, en opdat gij, gelovende, het leven hebt in zijn naam (Joh. 20:31, vgl. ook 1 Joh. 5 : 13). Geloven is weer niet het enige woord waarmee gezegd wordt waar het om gaat. Het is ook aannemen van Christus, komen tot Hem, kennen van Hem en blijven in Hem (Joh. 1 : 12; 5 : 40; 14:7; 15:7). Bij dit vierde evangelie is het zaak op de tegenstellingen te letten, zoals Hem niet kennen, en niet aannemen. Hem ongehoorzaam zijn en Hem verwerpen (Joh. 1 : 10,11; 3 : 36; 12 : 48). Beslissend is de vraag, hoe wij staan tegenover de Heiland: gelovend of ongehoorzaam (Joh. 3: 36). Dat betekent eeuwig leven of de blijvende toorn van God.

Er is geen geloof zonder openbaring. Het is de openbaring van de liefde van God in de persoon en het werk van de Here Jezus Christus (Joh. 3 : 16). Geloven en kennen gaan samen. Soms staat er geloven en erkennen, soms erkennen en geloven (Joh. 6: 69; 1 Joh. 4 : 16).

Hoe komen mensen tot het geloof? Het evangelie laat zien, dat het Gods werk is. Niemand kan tot Mij komen, tenzij de Vader, die Mij gezonden heeft, hem trekke (Joh. 6:44, vgl. ook Joh. 6: 65). De Here gebruikt het Woord als middel. Geloven is het Woord geloven en door het Woord in Christus geloven (Joh. 2 : 22; 8:31,32; 17 : 20).

In Handelingen lezen wij, dat er velen zijn die gaan geloven: Joden, proselieten en heidenen. God zorgt ervoor, dat het verkondigde woord in de harten ingang vindt. Heel treffend is dat in de geschiedenis van Lydia (Hand. 16 : 14).

Als mensen geloven, gaat Gods raad in vervulling. Er waren er die het Woord van God verstootten en zich het eeuwige leven niet waardig keurden en er waren er die het Woord verheerlijkten. Allen die bestemd waren ten eeuwigen leven, kwamen tot geloof (Hand. 13:48).

Overal gaan de gelovigen samen en komen ze samen. Zij vormen de gemeente van Christus, die blijft volharden bij het onderwijs der apostelen en de gemeenschap, het breken van het brood en de gebeden (Hand. 2 : 41-44, vgl. Hand. 4: 32). Maar er zijn ook mensen van wie het dubieus is of hun geloof echt geloof is. Simon de tovenaar kwam tot geloof en werd gedoopt, maar Petrus moest tot hem zeggen: Uw hart is niet recht voor God. Bekeer u van deze uw boosheid (Hand. 8 : 9-24).

Paulus is de apostel van het geloof. Dat blijkt al uit de woorden die de kern van de Brief aan de Romeinen vormen: Want gerechtigheid Gods wordt daarin - in het evangelie dat een kracht Gods tot behoud is voor een ieder die gelooft - geopenbaard uit geloof tot geloof, gelijk geschreven staat: De rechtvaardige zal uit geloof leven (Rom. 1 : 16,17).

De apostel Paulus stelt de weg van het geloof tegenover de weg van de werken. De mens wordt door geloof gerechtvaardigd, zonder werken der wet (Rom. 3: 28). Abraham is de vader van de gelovigen (Rom. 4 : 11,12, 16). Hij geloofde wat God hem beloofde. Aan de belofte Gods heeft hij niet getwijfeld door ongeloof, doch hij werd versterkt in zijn geloof en gaf Gode eer, in de volle zekerheid, dat Hij bij machte was hetgeen Hij beloofd had, ook te volbrengen (Rom. 4 : 20,21).

Het geloof begint niet bij ons. Zo is dan het geloof uit het horen, en het horen door het woord van Christus (Rom. 10: 17). De apostel verkondigt het woord des geloofs (Rom. 10:8). Overal moet de gehoorzaamheid van het geloof bewerkt worden (Rom. 1 : 5; 16:26).

Geloven en weten kunnen synoniemen zijn (Rom. 8 : 28, 2 Kor. 5 : 1). Er is sprake van toenemen van het geloof (2 Kor. 10: 15), van de volle zekerheid (Rom. 4:21) en van de vrijmoedigheid en de toegang met vertrouwen (Ef. 3: 12). De geloofszekerheid komt heel sterk tot uitdrukking in Romeinen 8: Want ik ben verzekerd, dat noch dood noch leven, noch engelen noch machten, noch heden noch toekomst, noch krachten, noch hoogte noch diepte, noch enig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus, onze Here.

Waar het geloof is, zal het ook beleden worden (Rom. 10: 9,10). Er is ook een samengaan van geloof, hoop en liefde (1 Kor. 13 : 13, vgl. Kol. 1 : 4,5 en 1 Tess. 1 : 3).

In enkele nieuwtestamentische brieven vallen de accenten weer anders dan bij Paulus. Dat is het geval in Hebreeën. Deze brief laat ons zien, hoe zeker het geloof is dat op Gods beloften vertrouwt. Het geloof nu is de zekerheid der dingen die men hoopt, en het bewijs der dingen die men niet ziet. Maar zonder geloof is het onmogelijk God welgevallig te zijn (Hebr. 11 : 1,6).

Men zou het geloof, dat hier zo’n grote plaats inneemt - we denken aan heel Hebreeën 11 - kunnen omschrijven als volhardend vertrouwen. Jezus is de leidsman en voleinder van het geloof (Hebr. 12:2). Hij ging zijn volk voor op de weg van volhardend vertrouwen op God. Het oog moet gericht zijn op de apostel en hogepriester onzer belijdenis, Jezus, die de grote priester is over het huis van God (Hebr. 3: 1, 10:21). Door Hem hebben de gelovigen een directe toegang tot God. Laten wij toetreden met een waarachtig hart, in volle verzekerdheid des geloofs (Hebr. 10: 22).

Jakobus houdt ons met grote nadruk voor, dat het verschil tussen een levend geloof en een dood geloof zal uitkomen in de werken. Niet alle geloof is het ware. Het geloof beheerst ons doen en laten of het is geen echt geloof.

Bij Petrus valt op dat hij erop wijst, dat de gelovigen Christus liefhebben en in Hem geloven zonder Hem thans te zien (1 Petr. 1 : 8). Het is niet zien en toch geloven - naar de regel van Joh. 20 : 29. Geloven en hopen zijn nauw verbonden (1 Petr. 1 : 21).

Een tekst die kenmerkend is voor Johannes is: En dit is zijn gebod: dat wij geloven in de naam van zijn Zoon Jezus Christus en elkander liefhebben, gelijk Hij ons geboden heeft (1 Joh. 3 : 23).

Opmerkelijk is het gebruik van de uitdrukking „het geloof dat eenmaal de heiligen overgeleverd is” (Judas 3). Daar staat het geloof voor de inhoud van het geloof. Zo is het ook bedoeld in Galaten 1 : 23: Hij verkondigt nu het geloof dat hij tevoren trachtte uit te roeien.

Ook het laatste boek van de Bijbel zegt ons, dat het op het geloof aankomt. Tot de gemeente van Pergamum zegt de Here Jezus Christus: Gij houdt vast aan mijn naam en hebt het geloof in Mij niet verloochend (Op. 2 : 13). Aan het echte geloof is standvastigheid eigen. Volharding en geloof worden in één adem genoemd (Op. 13: 10). Dat heeft in de context van dit hoofdstuk een diepe betekenis.

Het geloof staat niet op zichzelf. Daarom wordt in dit boek ook gezegd: Hier blijkt de volharding der heiligen, die de geboden Gods en het geloof in Jezus bewaren (Op. 14: 12, vgl. ook Op. 2: 19).

Het is niet mogelijk om in een kort bestek het bijbels getuigenis volledig weer te geven. Daar is het Woord van God veel te rijk voor. Schriftstudie is wel van belang om ons op een schriftuurlijke wijze over het geloof te doen spreken.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.