+ Meer informatie

LEEFTIJDSGRENZEN BIJ (HER)VERKIEZING?

6 minuten leestijd

Het bepalen van leeftijdsgrenzen voor het uitoefenen van functies is vooral in de vijftiger en zestiger jaren sterk gestimuleerd. Er is zelfs een periode geweest, waarin moeilijk werd gedaan over kandidaten van tegen de vijftig. Zou zo’n man of zo’n vrouw nog wel capabel zijn om de overschakeling naar een andere post aan te kunnen? Men was zozeer onder de indruk van allerlei als stormachtig ervaren ontwikkelingen, dat alleen nog maar jeugdig élan in staat werd geacht om echt mee-te-komen. Men was daarnaast ook vrij algemeen van gedachte, dat de ouderen het er in voorgaande decennia niet zo best hadden afgebracht. Vernieuwing en verfrissing was het overal gehoorde parool.

Dat soort opvattingen lijkt een beetje weg te ebben. De oudere mens wordt niet meer alleen op zijn geboortejaar beoordeeld. Om verschillende redenen: de dertigers-van-toen lopen nu ook naar de vijftig en ze gevoelen zich beslist niet zo achtergebleven als ze twintig jaar geleden vijftigers veronderstelden te zijn. En zestigers, zestig-plussers, maken een soort emancipatieproces door. Ze zijn niet van plan zich aan de kantte laten schuiven, ze vragen aandacht voor het feit, dat binnenkort twaalf tot vijftien procent van de bevolking ouder zal zijn dan 65 jaar en dat ook dit bevolkingsdeel wil blijven participeren, invloed wil behouden op de zaken waar het medeverantwoordelijkheid voor wenst te dragen. Dat kan ook best, zeggen die ouderen, want al wordt de gemiddelde levensduur niet of nauwelijks langer, mensen blijven toch over het algemeen langer in een goede — lichamelijke en geestelijke — conditie. En: zo langzamerhand wordt toch wel duidelijk, dat stijging in leeftijd niet zonder meer tot achterop raken behoeft te leiden omdat, mede als gevolg van een wat betere opleiding en een gemakkelijker toegang tot de diverse informatiebronnen, ook ouderen, zo zij dat willen, zeer wel op de hoogte kunnen blijven.

De bijbel kent geen leeftijdsgrenzen. In de bijbel is oud nooit een synoniem voor afgeleefd of uitgerangeerd. Eerder het tegendeel. Oud correspondeert in de bijbel vaak met ervaren en daardoor wijs. In de bijbel worden burgerlijke zowel als kerkelijke gezagsdragers dikwijls „oudsten” genoemd. En ook de Nederlandse ouderling heet naar die „oudste” uit de bijbel.

Voor de verkiezing van kerkelijke ambtsdragers is niet het oud of jong zijn een criterium. De criteria liggen anders; het gaat bij de beoordeling voor een kerkelijk ambt om kwalificaties als goed bekend staan, een levend lidmaat, dat wil zeggen een werkelijk en merkbaar gelovig mens zijn, bekwaamheid bezitten om te besturen en geestelijk leiding te geven. Wie meer over de „afkomst” van de kerkelijke ambtsdrager en over de aan deze te stellen eisen wil weten zij het artikel van dr. J.P. Versteeg in onze nieuwe „Handreiking” aanbevolen. Naar de meest gewenste leeftijd zal men daarin overigens vergeefs zoeken.

Bij de samenstelling van een kerkeraad kan de leeftijd van de kandidaten dan ook geen toetsingsfactor zijn, zeker niet in eerste aanleg. Wat óók weer niet wil zeggen, dat de leeftijdsopbouw in kerkelijke colleges er niets toe doet. Een kerkeraad mag en moet, met inachtneming van de primaire eisen, welke men op bijbelse en kerkrechtelijke gronden aan ambtsdragers dient te stellen, ook een zekere afspiegeling van de gemeente vertonen. Vroeger kwam het nogal eens voor, dat min of meer onder de druk van de-helft-plus-één kerkeraden te eenzijdig waren samengesteld uit „soorten” kerkmensen. Om maar een paar van die „soorten” te noemen: landbouwers, autochtonen, representanten uit toonaangevende familiegroepen, niet al te kleine zelfstandigen, mensen die hun geloof op een zeer bepaalde manier beleefden …… Gecombineerd met voorkeuren van die aard werd soms ook de leeftijd een criterium, hetzij om redenen verband houdende met de consistentie van de groep, hetzij vanuit de overweging: hoe ouder, hoe „echter” en dus beter. Sommige lezers zullen zich ongetwijfeld kerkeraads-leden herinneren, die op grond van faam of verdiensten uit het verleden hun vaste plaatsje in de bank tot aan het verscheiden zijn blijven bezetten.

Het zal verstandig zijn te blijven waken tegen een keuzebeleid naar soort, welke die soort dan ook moge zijn. Zorgvuldige afspiegeling van hetgeen er in de gemeente leeft, bevordert de erkenning of herkenning als mede-christenen, bevordert het wederzijds respect, de onderlinge liefde, gebaseerd op volle aanvaarding van de ander in zijn eigenheid.

In het kader van deze gewenste afspiegeling zou ook de samenstelling naar leeftijd zeer wel mee kunnen wegen. Zowel ouderen als jongeren horen er volledig bij en dat dient dan ook uit de samenstelling van een kerkeraad te blijken.

In de praktijk van het besturen, leiden en begeleiden zullen de oudere kerkeraadsleden een specifieke en waardevolle inbreng kunnen leveren. Ouderen beschikken, althans wanneer ze bewust geleefd hebben, over een schat van ervaring, die de evenwichtigheid van het kerkeraadswerk ten goede zal komen. Oudere mensen hebben bijvoorbeeld veel van hetgeen als gloednieuw en navolgenswaardig naar binnen wordt gedragen toch al eens eerder meegemaakt, het zien slagen of mislukken en ze kunnen de gehele kerkeraad met het resultaat van hun bezinning steunen. Ouderen kunnen een mentorsrol vervullen, bemiddelend en waar nodig relativerend bezig zijn. Ouderen hebben als regel ook meer tijd voor het kerkewerk beschikbaar (Even terzijde voor wat betreft het aspect van meer beschikbare tijd: laten we bij het zoeken van mensen voor kerkelijke ambten en taken vooral ook aandacht schenken aan degenen, die als gevolg van de tijdsomstandigheden buiten het arbeidsproces zijn geraakt — werk voor de kerk kan hun leven een nieuwe en zinvolle inhoud geven.).

Ongeacht zijn samenstelling dient elke kerkeraad attent te zijn op de bezwaren van te lang achtereen in functie blijven van ambtsdragers. Het in de meeste kerken nu toch wel aanvaarde periodieke aftreden mag geen farce worden doordat tòch na twee of vier jaar „rust” vroegere kandidaten telkens weer op de lijst verschijnen. Elke nieuwe periode vraagt een ernstige beoordeling, ook op dit punt. Wat dit betreft zouden de kerken van het bedrijfsleven en andere burgerlijke verbanden kunnen leren, waar de periodieke beoordeling en het daarop volgende open gesprek met de betrokkene al volledig zijn ingeburgerd. Het opziener zijn van de ambtsdrager strekt zich ook uit tot de eigen kring van de kerkeraad. En bij zo’n beoordeling kan zeker ook met de nodige prudentie het toch wel te oud worden voor nóg een ambtsperiode in het geding worden gebracht, althans wanneer de leeftijd een goed functioneren in gevaar dreigt te brengen.

Resumerend: geen gefixeerde leeftijdsgrens voor de verkiezing of herverkiezing van ambtsdragers, wèl oog voor de gehele gemeente en haar samenstelling, wèl periodieke beoordeling van elke kandidaat-ambtsdrager, wèl wijsheid, aandacht en voortdurende zorg bij het met elkaar omgaan, waarbij de ander wel terdege óók mag worden gewezen op verschijnselen die aangeven dat individuele grenzen lijken te zijn bereikt.

Met als troost voor degenen, die wellicht opzien tegen een moeilijk eindgesprek, dat de ander zou kunnen kwetsen nog deze ervaring: verreweg de meeste mensen kennen — gelukkig — zelf hun grenzen en wachten niet tot het stopsignaal van elders komt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.