+ Meer informatie

AMBTSDRAGERS UITGENODIGD DOOR DE WERKGROEP HOMOSEKSUALITEIT

14 minuten leestijd

Verzoek om steun

In de zomer van 1981 heeft de „Werkgroep homofilie in Christelijke Gereformeerde en Nederlands Gereformeerde Kring” zich tot de respectievelijke kerkeraden gewend met een verzoek om financiële (en morele) steun.

Uit de reacties bleek dat er voor het werk van de werkgroep — die op een ander officieel stuk „homoseksualiteit” heet — belangstelling bestond. Die reactie was voor de werkgroep een bemoediging om verder te gaan. Tegelijk is gebleken dat er onduidelijkheden in de brief waren overgebleven ten aanzien van „aard, doelstelling en ideeën”.

De werkgroep wil graag deze onduidelijkheden uit de weg ruimen. „De problematiek rond homofilie is ons te dierbaar dan dat daarover misverstanden tussen ons in staan”, aldus een zin uit de brief die de werkgroep aan de kerkeraden zond d.d. 2 december 1982.

„Wat we begonnen zijn noopt zo wel tot voortgang. Onze doelstellingen waren o.m. het creëren van een opvangmogelijkheid voor een ieder die over zijn homofiel-zijn wil praten en daarnaast het scheppen van een openheid binnen de kerken waarin homofilie bespreekbaar is. Om dat te kunnen bereiken moeten we eikaars gedachten en motieven weten. We moeten weten waar we aan toe zijn. Bovenal, wij — de werkgroep en u als predikant/ambtsdrager — we moeten in elkaar vertrouwen hebben dat we vanuit ons gemeenschappelijk geloof in de opgestane Heer, de Verlosser, met een goed werk bezig zijn”.

Deze passage gaat direct vooraf aan de aankondiging van en tegelijk de uitnodiging tot de vergadering op zaterdag 12 februari 1983. Van die vergadering heb ik in het vorige artikel reeds melding gemaakt.

Nu wil ik graag ingaan op wat de vergadering zelf aan de aanwezigen te horen en te denken gaf. Intussen vermeld ik nog dat de werkgroep op 15 januari met ouders van homofielen een ontmoetingsbijeenkomst organiseerde. Daar werd over het probleem van homofielen en van hun ouders gesproken.

De conferentie in Utrecht

De bijeenkomst in Utrecht was zo opgezet dat eerst door twee homofielen verteld werd hoe ze tot „zelfaanvaarding als homofiel” waren gekomen; een man en een gehuwde vrouw vertelden iets van hun levensgeschiedenis. Daarna werd de vergadering in discussiegroepen verdeeld. Vóór de broodmaaltijd werd deze discussiegroepen als opdracht meegegeven op te schrijven en te bespreken „wat wij horen en zien over homoseksualiteit”.

leder diende zich te herinneren hoe hij met dit probleem is geconfronteerd. De feiten moesten genoemd worden, achtergronden geschetst. Dit opgeschrevene moest dan in een groepsdiscussie worden uitgewisseld. „De groep moet een inzicht krijgen met welke vragen en problemen men geconfronteerd wordt en kan worden”.

In de tweede groepsbijeenkomst direct na de middag werden twee problemen geschetst, die beschreven op papier werden uitgereikt. De groep werd gevraagd antwoord te geven op de ervaringen, respectievelijk oplossingen van geschetste moeilijkheden. Daarna kwam de vergadering weer voltallig bijeen in een overvolle zaal; want er was grote belangstelling, niet alleen van de kant van de ambtsdragers. Toen heeft een van de leden van de werkgroep een uiteenzetting gegeven over bijbelse gegevens met betrekking tot homoseksualiteit. Daarna was er gelegenheid tot discussie. Er werd dankbaarheid uitgesproken voor het feit dat dit onderwerp aan de orde was gesteld; dat ambtsdragers gelegenheid kregen om met elkaar over dit probleem te praten. Er spraken ouders van homofielen, die iets van hun moeiten vertelden. De ene vader stond afwijzend tegenover de homofiele praktijk van zijn zoon. De andere vader kon zich in die praktijk vinden, zij het dat er een lange weg gegaan moest worden om samen zover te komen.

Er werd nogal wat bezwaar ingebracht tegen de manier waarop met de Schriftgegevens werd omgegaan èn tegen de eenzijdige benadering van het hele vraagstuk.

Geen aandacht voor „een andere weg”

Om met de laatste te beginnen — mij trof het dat met geen woord melding werd gemaakt van de conferentie van ambtsdragers, die op 24 oktober 1981 in Amersfoort is gehouden. Evenmin aan het daar naar voren gebrachte of besprokene. Aan de kerkeraden werd geschreven dat we „eikaars gedachten en motieven dienden te weten”.

Voor mij en vele andere aanwezigen was de vraag of er in deze kring geen aandacht is voor de andere weg die homofiele leden van de gemeente gaan dan hier wordt voorgesteld. Wij hoorden voor de discussiebijeenkomsten en in de gemeenschappelijke bespreking des middags eigenlijk alleen de stem van hen, die zichzelf hadden aanvaard als homofiel, zich zo ook door God aanvaard wisten en daarom met hun homofiele levenswijze door de ambtsdragers aanvaard wilden worden.

Mij is bekend dat in een groep heel nadrukkelijk de vraag is gesteld, waarom die „alternatieve” levenswijze van onthouding en van afwijzing van homoseksuele praktijken niet tot uitdrukking werd gebracht in de voorlichting aan de vergadering. Antwoord moet zijn geweest dat er voor die houding binnen deze groep geen belangstelling of ruimte bestond.

Zelf maakte ik mee dat de gespreksleider vertelde op dit punt nog geen duidelijk standpunt te hebben ingenomen. Hij vond het bijzonder moeilijk. Doch deze verlegenheid kwam in de gemeenschappelijke discussie niet naar voren.

Eigenlijk was die verlegenheid ook niet bij de bespreking van de Schriftgegevens op te merken. Die voorlichting ging eerder in de richting van aanvaarding van de homofiele praxis. De Here God zou in het Oude Testament bepaalde zonden door de vingers hebben gezien of daarover in elk geval geen oordeel hebben uitgesproken. Teksten die tegen homofiele praktijken worden aangevoerd, blijken anders te moeten worden verstaan. Wat we nu homofilie noemen is niet hetzelfde als waarover de Bijbel het heeft.

Ik meen dat ik zo de tendens van de behandeling van de Schriftgegevens juist weergeef. Wat bijzonder sterk opvalt is de eenzijdigheid in opvatting en uitdrukking. Het begrip vragen voor het homofiele kerklid kan in het kader van de opstelling en de uitspraken van deze werkgroep moeilijk anders uitgelegd worden dan begrip vragen voor.het goed recht van een homoseksuele levenspraxis. Een andere optiek dan deze kwam vanuit de werkgroep zelf eigenlijk niet naar voren.

De afwezigheid hiervan maakt het moeilijk deze werkgroep anders te zien dan een pressiegroep, die het vraagstuk van de homofilie in slechts één bepaalde richting bespreekbaar acht.

Dat maakt het ook zo moeilijk om met een ander standpunt dan hetwelk de werkgroep liet verwoorden, toch als gesprekspartner aanvaard te worden. In mijn vorige artikel heb ik moeite gedaan om zo duidelijk en zo betrokken mogelijk iets door te geven van wat ik als nood van homofiele gemeenteleden heb opgevangen. Daarbij heb ik gewezen op de schuld van de kerk.

Nu stel ik dat deze werkgroep met voorbijgaan van wat in onze eigen kerken is geschreven en besproken een opstelling kiest die het vragen van begrip vereenzelvigt met het aanvaarden van homoseksuele praktijken als een normaal gegeven.

Toch kan ik niet nalaten aan een andere visie dan welke in Utrecht bij de Werkgroep overheersend was, uitdrukking te geven.

Het gaat dan vooral om twee vragen. Daar is in de eerste plaats de vraag naar de betekenis van de bijbelse gegevens met betrekking tot homoseksuele daden. Vervolgens is er de vraag of er terecht een onderscheid wordt gemaakt tussen het homofiel zijn en de manier waarop hij/zij de homofiele geaardheid beleeft.

Anderen zullen wellicht de beide vragencomplexen in precies tegenovergestelde orde behandelen. Ik kies voor deze volgorde.

In de Schrift vinden we gegevens met betrekking tot homoseksuele handelingen. Ik noem ze nu alleen zonder op de details van elk der teksten of de verbanden waarbinnnen ze voorkomen, in te gaan: Genesis 19 : 8 en Richteren 18 : 25, Leviticus 18 : 22 en 20 : 13, Romeinen 1 : 26, 27, 1 Corinthe 6: 9–11, met name vers 10, 1 Timotheüs 1 : 8 — 11, met name vers 10.

Uit deze gegevens, die verspreid over Oud en Nieuw Testament voorkomen, valt naar mijn oordeel geen andere conclusie af te leiden dan dat de Schrift afwijzend staat tegenover homoseksuele handelingen.

In de meest recente discussie wordt dit erkend ook door hen die het goed recht van homoseksuele levenswijze bepleiten. Zij doen dat op grond van de overtuiging dat de Schrift het verschijnsel homoseksualiteit als een aangeboren en met de persoonlijkheid gegeven zijnswijze niet kent. Hieruit concluderen zij dat de Schrift het over iets anders heeft dan de bijbelteksten.

Een tweede argument ten gunste van een homoseksuele levenswijze binnen de christelijke gemeente is: wij hebben de wet van de liefde te volbrengen. Dan past het ons niet een oordeel te vellen over een levenswijze waarvan mensen zeggen dat die „naar hun natuur en naar hun aard” is. De liefde aanvaardt de ander en wacht zich ervoor hem te veroordelen. Dat is te meer van kracht als men bedenkt dat het gaat om een medemens wiens zijnswijze wij ons niet kunnen indenken en wiens gevoelens wij niet kunnen invoelen.

Het is goed dat in elk geval toegegeven wordt dat de Heilige Schrift de homoseksuele levenswijze niet als een gelijkwaardige variant voor een heteroseksuele levenswijze kent. Integendeel. Wie dit als variant wil verdedigen, kan zich niet beroepen op de bijbelse teksten.

In aansluiting hierbij moet met nadruk gesteld worden dat in de oudheid wel degelijk de „homoseksuele” levenswijze werd gepropageerd en gepraktizeerd. Ik verwijs nu naar gegevens welke te vinden zijn in een zeer verhelderend en inzicht gevend boekje van David Atkinson „Homosexuals in the Christian Fellowship”, Steinbeck, Packer & Beckwith, Oxford 1979; alsook Eerdmans, Grand Rapids 1981. Met name op bladzijde 93 van dit geschrift wordt herinnerd aan uitspraken die door een Atheens gerechtshof in 346 voor Christus zijn gedaan met betrekking tot een man, die in een min of meer vaste homoseksuele relatie leefde. Op dezelfde bladzijde wordt de naam van nog een andere man genoemd die in een vaste homoseksuele partnerrelatie leefde. Philo maakt van een dergelijk feit eveneens melding. Datzelfde doet — zij het bijna twee eeuwen later — Clemens van Alexandrië. Men zie de bladzijden 93 en 94 van dit geschrift.

Uit deze gegevens, die ook in andere publikaties te vinden zijn, mag duidelijk worden dat de gerichtheid op een partner van hetzelfde geslacht als „een natuurlijke neiging”, in de Grieks-Romeinse oudheid niet onbekend was. Evenmin was de vaste homoseksuele partnerrelatie onbekend. Paulus zal daarvan afgeweten hebben. Dat hij desondanks zonder uitzondering over homoseksuele relaties als door Gods gebod afgewezen schrijft, heeft ook vandaag nog betekenis. Historisch gezien is de stelling niet houdbaar dat wij pas in onze tijd zouden weten van mensen die krachtens hun aanleg homofiel zijn, en die geen enkele gerichtheid op een partner van het andere geslacht kennen of kunnen opbrengen. In de oudheid was de op een partner van hetzelfde geslacht gefixeerde gerichtheid een bekend verschijnsel. Men zal de term kernhomofilie niet hebben gebruikt. Hetgeen daarin wordt aangeduid, werd stellig door mensen die aldus leefden, verwoord.

Juist dit gegeven maakt het voor mij onmogelijk om de teksten uit het Nieuwe Testament, die ongetwijfeld op het Oude Testament teruggaan, als niet terzake terzijde te schuiven. Daar komt als beslissend gegeven bij dat uit de schepping van de mens als man en vrouw geen andere gewettigde seksuele relatie valt af te leiden dan de heteroseksuele relatie. Terecht is door meer dan een schrijver op dit feit gewezen en gesteld dat het seksuele onderscheid zijn zin zou verliezen als de relatie van man tot man of van vrouw tot vrouw een „normale” relatie zou zijn. Nergens in de Schrift is er enige grond te vinden voor de stelling dat de homoseksuele relatie een „normale variant” van de heteroseksuele zou zijn. Het omgekeerde is veeleer het geval: heel het spreken over seksuele relatie in de Bijbel zou een grondige revisie behoeven, als hetero- en homoseksuele relatie eikaars gelijken waren.

Hier staan we voor de ingrijpende vraag, hoe dan mensen die in hun hele aanvoelen en optreden homoseksueel zijn, met deze gerichtheid klaar moeten komen. Ik moet erkennen dat ik voor de oorsprong van deze gerichtheid geen verklaring ken. Alle publikaties zijn tot heden daarover zeer verschillend en vaak sterk tegenstrijdig. In elk geval is door niemand bewezen dat er een hormonale verklaring te geven is voor homoseksuele gerichtheid.

Wij horen steeds weer dat een homoseksueel geaarde man of vrouw zichzelf moet aanvaarden. Als dat geschied is, weet hij of zij zich ook door God aanvaard. Daaruit vloeit de verplichting van de gemeente voort de homoseksuele broeder of zuster ook te aanvaarden.

Implicatie van deze zelfaanvaarding is dat het leven overeenkomstig deze geaardheid geoorloofd is. Ik meen zelfs te moeten zeggen: noodzakelijk is. Wie als homoseksueel die noodzaak afwijst, aanvaardt eigen identiteit niet, wordt gezegd. Dit is eigenlijk de kern van de redenering. Ik meen deze zelfde gedachten gehoord te hebben bij hen die in Utrecht over eigen geaardheid spraken.

Eigen identiteit is alleen te vinden, als eigen homoseksuele geaardheid wordt aanvaard. Ik moet erkennen dat ik het moeilijk vind op dit punt tegenwerpingen te maken. Terecht kan men zeggen: u schrijft over iets dat u niet uit eigen ervaring kent. Hoe kunt u dan adequaat schrijven? Hoe kunt u dan de dingen waarom het hier gaat, echt invoelend benaderen? Ik erken dat ik dat zo niet kan.

Is dat echter een absolute verhindering om er over te schrijven? Een moeilijkheid is het ongetwijfeld. Ik erken dat, en ben me dat al schrijvend en, toen ik in Utrecht aan de discussie deelnam, al sprekend, ook bewust.

Niettemin, een mens wordt vaker geroepen te spreken over ervaringen die hij zelf niet heeft doorgemaakt. Dat dient ons bescheiden te maken. Het ontneemt ons echter niet het recht erover te spreken. Zo is het ook met homoseksualiteit. In het bovenstaande heb ik vrij breed geschreven over verschillende overwegingen en argumenten. Juist om deze reden meen ik tot verdere deelname aan de discussie gerechtigd te zijn.

De boven weergegeven redenering komt eigenlijk hierop neer: als ik mij zelf als homoseksueel maar aanvaard heb, ben ik met mijzelf in het reine.

Het probleem is ten diepste mijn zelfaanvaarding. Dan ben ik bijna geneigd te zeggen: op grond daarvan aanvaardt God mij ook.

Doch is dat juist? Leert de Bijbel ons niet juist dat we alleen tot echte zelfaanvaarding kunnen komen door onszelf te verliezen? Moet ik — als homo- en als heteroseksueel — niet in veel opzichten neen tegen mezelf zeggen?

Betekent dat neen zeggen niet juist dat ik door verlies van mezelf pas tot echte zelfaanvaarding kan komen? Ik beslis namelijk niet over mezelf. Ik beslis er niet over wie ik ben. Er is in ieders leven heel wat, dat wezenlijk schijnt te zijn, en toch verloren moet worden, wil ieder werkelijk de mens zijn zoals God die in hem bedoelt.

Het geldt driften en drang, het geldt begeerten en strevingen zonder welke ik mij niet of nauwelijks denken kan. Ze zijn zo verweven en vergroeid met mij, dat ik mij afvraag of ik me zelf wel ben als ik daar tegen neen zeg.

En toch is dat neen noodzakelijk. Alleen dan zal ik het leven vinden. Dat is nog meer dan dat ik me zelf vind. Want niet of ik mezelf vind is beslissend; maar of ik het leven vind en het Koninkrijk binnen ga. Men zie voor deze gedachtengang Mattheüs 5 : 29 — 30, Marcus 9 : 43 — 48 en Mattheüs 18: 8–9.

Daarom kan het niet juist zijn de hele benadering te rechtvaardigen met de gedachte van de zelfaanvaarding. Mijn zelf staat ook zelf onder kritiek van het Woord. Dat mis ik in de benadering die ons in Utrecht werd gepresenteerd. Juist het feit dat daar eigenlijk geen ruimte was voor mensen die wel kritisch staan tegenover hun homoseksuele geaardheid, doet mij zeggen dat hier niet ten overstaan van de bijbelse gegevens werd gediscussieerd. Hoe merkwaardig met de bijbelse gegevens werd omgegaan zal trouwens iedere aanwezige zijn opgevallen.

Hier ligt het beslissende punt. Ik meen dat het volstrekt onbillijk is om hen die met mij bovenstaande gedachtengang volgen, te verwijten dat ze de homoseksueel eigenlijk niet aanvaarden. Dat verwijt wordt gedaan met een beroep op de gedachte van de zelfaanvaarding. Met het niet aanvaarden van de homoseksuele levenswijze zien zij hun zelfaanvaarding bedreigd worden.

Toch mag verwacht worden dat ook homoseksuelen zich in het licht van alle bijbelse gegevens bezinnen op wat zelfaanvaarding is. Naar mijn oordeel moet de zelfaanvaarding niet als vast — bijna zou ik zeggen autonoom gegeven — buiten de discussie blijven. Ze moet juist in de discussie betrokken worden. Wie de zelfaanvaarding buiten de discussie houdt, onttrekt zich aan de discussie ten overstaan van de bijbelse gegevens.

Het is ook bij de heteroseksuele mens niet zo, dat zijn zichzelf zijn met zijn seksuele handelingen samenvalt. Ook voor heteroseksuelen geldt dat hun seksuele daden onder kritische toetsing van het Woord dienen te staan. Hun zijn valt niet samen met hun heteroseksuele daden.

Een dringend advies tot onthouding is niet per definitie een aanval op het mens zijn, noch op het broeder of zuster zijn van de homoseksuele medemens.

Uit de bijbelse gegevens wordt duidelijk dat er een weg is met Christus. Die weg elkaar voor te houden is geen uitdrukking van de afwijzing van een homofiel medemens. Dat is een pastorale hulpverlening die bijbelse gronden heeft. Juist deze weg heeft de belofte in zich van winst door verlies.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.