+ Meer informatie

VRAGENBUS

5 minuten leestijd

Correspondentie voor deze rubriek aan : T. MOLENAAR. Leede 18. Rotterdam Zuid

Correspondentie voor deze rubriek aan : | T. MOLENAAR. Leede 18. Rotterdam Zuid V

J. M. R. te Z. schrijft: „In de prediking hoort men raak het woord „antinomiaan" gebruiken.

Nu is mijn vraag: Wat voor een leerstelling is dit eigenlijk, en hoe komt men aan die benaming ? "

Antwoord: Over de antinomianen zou veel te schrijven Z\jn, maar in verband met de weinige plaatsruimte in ons blad, zal ik in het kort enkele dingen zeggen.

Vermoedelijk is het woord „antinomiaan" het eerst gebruikt door Maarten Luther in zijn strijd tegen Johannes Agricola. Deze laatste was eerst een ijverig volgeling van Luther, maar later een hevig tegenstander.

Een antinomiaan is eigenlijk een wetbestrijder. „Anti" toch betekent „tegen" en „nomos" heeft de betekenis van „wet."

Een antinomiaan spreekt uit, dat Christus voor de zondaar de wet Gods heeft volbracht, zowel tot rechtvaardiging als tot heiliging. Daarom is de zondaar niet anders nodig dan te geloven, d.i. in te zien, dat Christus zijn gerechtigheid en zijn heiligheid is. Welnu, zo redeneert men verder, een leven in bekering en heiligmaking is niet nodig. Men heeft met de wet niets meer uitstaande.

Hoe geheel in strijd is dit met de uitspraken van Gods Woord. David zegt: „Hoe lief heb ik Uw wet, zij is mijn betrachting de ganse dag."

De gelijkenis van de wijnstok met de ranken leert dat de Hemelse Landman ziet naar de vrucht.

Johs. de Dooper roept op: „Brengt dan vruchten voort des geloofs en der bekering waardig."

Paulus heeft in de Romeinenbrief tegen hen moeten waarschuwen, waar zij zeiden: „Laat ons het kwade doen, opdat het goede daaruit kome." En Jakobus heeft met name tegen de wetbestrijders zijn zendbrief moeten schrijven, om aan te tonen, dat de mens niet alleen uit het geloof, maar óók uit de werken gerechtvaardigd wordt.

Het antinomianisme is gevaarlijk voor de zaligheid, want zonder heiligmaking zal niemand de Heere zien.

Daarom hebben onze Hervormers, met name Calvijn, geleerd, dat hoewel Christus de wet volbracht heeft, de gelovigen de wet nodig hebben le als een spiegel der zonde en ten 2e als een richtsnoer voor het leven der dankbaarheid.

En hiermede in overeenstemming leert onze belijdenis in Art. 24 van de 37 geloofsartikelen: „Zo doen wij dan goede werken, maar niet om te verdienen, want wat zouden wij verdienen ? Ja wij zijn in God gehouden, voor de goede werken die wij doen en niet Hij in ons, aangezien Hij het is, Die in ons werkt beide het willen en het werken naar Zijn welbehagen."

J. M. R. te Z. is het niet duidelijk, waarom de verzen 24, 25 en 26 in Ex. 4 zo geheel zonder verband in deze geschiedenis zijn gezet.

Antwoord: Zouden deze verzen geen verband houden met de geschiedenis ons beschreven in Exodus 4? Ik geloof het wel.

Ex. 4 spreekt ons van de bezwaren, die Mozes inbrengt tegen de opdracht des Heeren. Als de Heere Zijn wonderen heeft getoond, eerst met Mozes' staf, daarna met Mozes' hand en zelfs gesproken heeft van water, dat bloed zou worden, en Mozes dan nog tegenspreekt, dan ontsteekt de toorn des Heeren en Hij legt Mozes het zwijgen op. In het 17e vers zegt de Heere: „Neem dan deze staf in uw hand, waarmee gij die tekenen doen zult."

Als Mozes op weg is naar Egypte, om de hem opgedragen taak te vervullen, dan komt de Heere hem tegen, zoekende hem te doden, omdat

Mozes verzuimd heeft zijn zoon te besnijden. De oorzaak uit dit verband is duidelijk.

Uit toegevendheid aan zijn Midianietische vrouw had hij de besnijdenis zijns zoons, wellicht van zijn tweede, nagelaten.

En de besnijdenis was het teken des Verbonds.

Uit kracht van dat Verbond zou Israël verlost worden, want zo lezen wij in Ex. 2 : 24: En God hoorde hun gekerm en God gedacht aan Zijn Verbond met Abraham, Izak en Jakob. En God zag de kinderen Israëls aan en Hij kende hen."

Op dit Verbond zou Mozes de kinderen Israëls wijzen. Maar dan moest hijzelf niet iemand zijn, die omtrent de tekenen des Verbonds in zijn eigen huis nalatig was geweest.

J. B. te R. vraagt ook nog de verklaring van 1 Kor. 15 : 48, waar we lezen: Hoedanig de aardse is, zodanige zijn ook de aardsen en hoedanig de Hemelse is, zodanige zijn ook de hemelsen.

Antwoord: Deze tekst moet verklaard worden uit de vorige, waar we lezen: „De eerste mens is uit de aarde aards. De tweede Mens is de Heere uit de hemel." Waar nu Adam aards was, zijn zijn nakomelingen ook aards en waar de Heere Jezus, de Heere is uit de hemel en van de hemel nederdaalde en nu weder in de hemel verhoogd is, zodanige zijn ook de hemelsen, die uit Hem geboren zijn en in het sterven tot Hem verheven worden.

Het Hoofd en de leden zijn van dezelfde natuur. Indien het Hoofd van zuiver goud is, dan zijn ook al de leden van goud.

Gods volk is zo gering in zichzelf, dat zij met het oog op hun sterfelijkheid tot de groeve kunnen zeggen: „Gij zijt mijn vader en tot het gewormte: „Gij zijt mijn zuster." Maar in Christus zijn zij hooggeëerd, zodat zij tot de Heere mogen zeggen: „Abba Vader" en tot Hem, Die Zichzelf voor hen heeft willen vernederden: „Gij zijt mijn Bruidegom, mijn Broeder."

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.