+ Meer informatie

NIEUWE LEDEN

Gave en opgave

8 minuten leestijd

“Vanmorgen heten we hartelijk welkom als nieuwe leden….” Die woorden zullen in wisselende frequentie, maar hopelijk met enige regelmaat te horen zijn in de afkondigingen. Nieuwe leden zijn een geschenk voor de gemeente.

Maar het is ook een opgave om een en ander in goede banen te leiden! Het gaat om:

• de overtuiging dat je je aan elkaar wilt verbinden

• het in beeld krijgen van noodzakelijke (pastorale of diaconale) zorg

• de integratie in de geloofsleer, het geloofsleven en het gemeentelijke leven.

Bij overkomst van leden binnen de Christelijke Gereformeerde Kerken is dat nog betrekkelijk(!) overzichtelijk, maar bij leden vanuit andere gemeentes of van buiten de kerk kan dat ingewikkelder zijn. Hoe kunnen we hier op een goede manier gestalte aan geven?

ACHTERGRONDEN

Wat vormt de aanleiding van deze bezinning?

a) Nieuw missionair bewustzijn in combinatie met het oude evangelie mondt op veel plaatsen uit in gesprekken met toetreders van buiten de kerk en met ‘herintreders’ vanuit een kerkloze periode in hun leven. Voor hen (en de gemeente!) is er veel te leren. De bedoeling is dat zij zich (weer) helemaal thuis voelen in de kerk en dat ze geestelijk kunnen groeien. Hieraan dient leiding gegeven te worden.

b) Het is een compliment voor de gemeente als zij mensen met problemen en ‘rugzakjes’ weet aan te trekken. Dit lijkt in toenemende mate voor te komen. Toch stelt dat de gemeente ook voor serieuze uitdagingen. Het is fijn daarop te kunnen anticiperen teneinde goede geestelijke en praktische zorg te kunnen (blijven) bieden. Ook bij overkomst uit een zustergemeente (cf. art. 83 K.O.).

c) Er is veel migratie tussen kerken en kerkgenootschappen. Dit heeft diverse oorzaken:

• We voelen ons over het algemeen minder verbonden aan een organisatie of traditie. Ook de belijdenis blijkt (helaas) niet altijd meer een ijkpunt. Mensen zoeken een eigen identiteit en geven die vorm. Niet: ‘wij passen ons aan, aan de gemeente’, maar: ‘we zoeken een gemeente die bij ons past’. Verwisseling van kerkverband wordt niet als een ‘big issue’ beleefd.

• Afgezien van ‘gewone’ verhuizingen: Toegenomen mobiliteit in fysieke (auto) en digitale (internet) zin vergroot de kerkelijke horizon en maakt ‘shopgedrag’ mogelijk. Soms zijn er vragen te stellen bij de afstanden die worden afgelegd en de gemeentes die daarbij zijn overgeslagen.

• Keuzes worden gemaakt op basis van een gevoel / impuls naar aanleiding van het bijwonen van enkele kerkdiensten: ‘het voelt hier goed’. Zo’n momentopname is een smalle basis. Broeders en zusters die over willen komen, blijken soms ook hun bewijs van lidmaatschap alvast maar opgevraagd te hebben… Terwijl na een ‘afkoelperiode’ zou kunnen blijken dat dat fijne gevoel niet standaard bij elke dienst voorhanden is.

• Kerkformaties zijn ten opzichte van elkaar in beweging: waar het ene kerkverband fluks van kleur verschiet, persisteert een andere denominatie bij eeuwenoude vormgeving. Dit kan een aanleiding zijn elders te gaan luisteren. Soms betekent dit ook een oprecht zoeken naar zuivere prediking en eredienst. Hopelijk heeft men de zorgen ook binnen de ‘oude’ gemeente op passende wijze kenbaar gemaakt…

• Toepassen van kerkelijke regels elders kan de achtergrond zijn van aanmeldingbij de gemeente (‘We mochten bij onze gemeente geen TV!’, ‘Doen jullie ook zo moeilijk over samenwonen?’). Het spreekt voor zich dat dit doorgaans niet de juiste motivatie vormt een gemeente te verlaten of zich bij een andere gemeente te voegen.

Dit alles vormt de achtergrond van een diverse instroom qua opvattingen en gewoontes, maar ook aan theologische en liturgische inhouden. Het resultaat is een gemeente die steeds gedifferentieerder denkt over ‘leer en leven’. Dit biedt kansen, maar behelst ook risico’s.

PRINCIPES

Leden vanuit ons eigen kerkverband (of: kerkformaties waarmee wij correspondentie onderhouden, art. 51 K.O.) komen bij inlevering van hun attestatie over. Uiteraard begint dan overigens de begeleiding pas: elk lid is immers verschillend en elke gemeente ook! Dit vraagt fijngevoeligheid.

Laat de gemeente zowel extern als intern duidelijk en eerlijk zijn over wat haar identiteit, verwachtingen en bedoelingen zijn om de eenheid van de gemeente te bewaren en de gemeente te bewaren bij Gods Woord. Denk bijvoorbeeld aan: binding aan de belijdenis (art. 82.2 K.O.), vormgeving van de eredienst, gebruik van de sacramenten (art. 61 K.O.), verwachtingen ten aanzien van een christelijk leven (zie bijv. art. 64.2 K.O.) en de aanspreekbaarheid daarop, actief zoeken van geloofsgroei en discipelschap, betrokkenheid bij het gemeentelijke leven, missionair en diaconaal besef, etc. Nieuwe leden moeten op deze punten van harte kunnen instemmen met de koers van de gemeente.

Welke principes zijn er Bijbels gezien voor het lid worden van een gemeente? Er is een aantal spanningsvelden waarbinnen we opereren:

• Spanning tussen een laagdrempelige toegang tot de gemeente (gastvrijheid) en tegelijk een veeleisende toewijding die gevraagd mag worden. Zondaren wisten zich zeer welkom bij de Heere Jezus, maar het gelovig ontvangen van Zijn genade en liefde leidde zonder uitzondering tot een radicale levensverandering. Liefde voor zondaars én liefde voor heiliging gaan samen.

• Spanning tussen binding aan Gods Koninkrijk vóór alles en aan de kerk als ‘instituut’. Dit mag nooit van elkaar worden losgemaakt of tegen elkaar worden uitgespeeld. Toch is het onderscheid nuttig om de prioriteiten helder te houden. Een kerklid wordt niet automatisch een toegewijde leerling van de Heere Jezus. Maar het kan niet anders of een toegewijde leerling van de Heere Jezus zal zich graag inzetten voor Zijn gemeente. Het is dus een valkuil om eenzijdig in te steken bij kerkelijke zaken: juist gééstelijke toewijding is de sleutel voor een gezond functioneren in de gemeente. Niettemin mag van leden wel trouwe inzet voor het gemeentelijke leven gevraagd worden.

• Spanning tussen het Bijbelse ideaal van de gemeente als veelbetekenende, veelbelovende en veeleisende gemeenschap… en de hedendaagse voorkeur voor lichte/vrijblijvende gemeenschapsvormen. Het is geen goede zaak ons hierin aan de maatschappelijke tendens te conformeren, nu het gaat om een bijbels principe. Tegelijk: ruimte voor onderwijs, groei in geloof en differentiatie in praktische vormen van binding aan de gemeente kunnen een gewenst veranderingsproces wellicht kanaliseren.

• Een ander principe dat voortkomt uit het gewicht de christelijke gemeenschap, is dat we geen leden op de proef aannemen om ze vervolgens bij tegenvallende ervaringen weer uit te schrijven. Dat is een geestelijke onmogelijkheid. Een kennismaking(-speriode) voorafgaand aan het lidmaatschap is echter wel een optie.

MOGELIJKHEDEN

In den lande wordt verschillend omgegaan met nieuwe leden: afhankelijk van de aard en de intensiteit van de zorgen die bij de instroom van nieuwe leden ervaren worden. Ik geef een aantal voorbeelden in een oplopende schaal van begeleiding:

• Nieuwe leden na een kennismakingsgesprek welkom heten (veelal wordt men voorgesteld in het kerkblad en komt de kennismaking met de gemeente verder informeel wel op gang).

• Voorafgaande aan de aanvaarding als lid een inhoudelijk gesprek voeren over wat de gemeente is, biedt én verwacht. Eventueel naar aanleiding van schriftelijke informatie aan de hand waarvan aspirant-leden zich een goed beeld (en ook eigen vragen) kunnen vormen.

• Een periode van gastlidmaatschap aanbieden waarin men deelneemt aan het hele gemeentelijk leven (afgezien van kiesrecht, doopsbediening en uitoefening van leidinggevende functies). Zo kan men zich op een gedegen beslissing voorbereiden. Tegelijk kan de kerkenraad de aspirant-leden zo wat beter leren kennen met het oog op hun lidmaatschap. De periode kent begeleidingsmomenten; aan het eind van de periode volgt een evaluatiemoment. Dergelijke regelingen moeten transparant zijn over de vereisten en perspectieven om lid te kunnen worden.

• De periode van gastlidmaatschap, óf de periode na lid worden, vergezeld laten gaan van inwijding in de gemeente via een introductiecursus of -kring. Het hele scala aan onderwerpen zoals dat in de belijdeniscatechese aan bod komt (geloofsleer, geloofsleven, kerkelijk en gemeentelijk leven), kan hierbij van nut zijn. Andere voorbeelden: inzet van mentoren en/of het opstellen van een soort ‘leefregel’.

• Sommige kerkenraden stellen toetreders in hun vergadering één of meerdere belijdenisvragen of verwachten ondertekening van een verklaring.

• Niet zelden zal geestelijke begeleiding nodig zijn in de richting van geloofsgroei, geloofsvernieuwing en geloofsbelijdenis. Kostbare momenten! Soms is geestelijk onderwijs nodig rond zaken als samenwonen, zondagsarbeid, Avondmaalsviering, etc.

AFWEGINGEN

Een (diverse) instroom mogen we zien als gave, maar ook als een opgave: We zijn geroepen de verwelkoming, introductie en intergratie van nieuwe leden zo goed mogelijk vorm te geven. Daarvoor zijn mogelijkheden genoeg, evenals spannende bijbelse principes.

Men kan het traject zo intensief maken als men wil, maar… het gaat uiteraard ommenteel binding aan de genoemde principes en om de gulden maat van het middel dat het doel zo goed mogelijk dient.

Het ene uiterste is een lidmaatschap zonder voorwaarden. Dit kan verleidelijk zijn als er nauwelijks instroom is: blij met wat komt, zetten we de deur zonder meer open. Invoelbaar, maar niet verstandig. Een lidmaatschap zonder uitdaging/toewijding zal ook niet als erg betekenisvol worden ervaren. Uiterste gestrengheid, aan de andere kant, heeft iets perfectionistisch en sektarisch. We beleven toch als ambtsdragers zelf ook dat we zondaren zijn en dat God ons gelegenheid geeft om te groeien in genade en kennis? Wee ons als we verloren zonen en dochters van de Vader de deur wijzen!

Ergens tussen deze extremen zal de gemeente dus, afhankelijk van de plaatselijke situatie, de daadwerkelijke toestroom en de draagkracht van de gemeente, een goede geestelijke weg moeten zoeken waarbij gastvrijheid én toewijding hand in hand gaan.

De aanpak dient eenduidig te zijn. Verschil naar gelang van (wel/geen) kerkelijke achtergrond valt nog uit te leggen. Maar als bij een aanmelding twijfel is over meelevendheid, levenswijze, of motivatie, zal het niet goed vallen als dan ineens ‘zwaardere eisen’ worden gesteld. Van te voren moet dus vaststaan hoe in het algemeen met toetreders wordt omgegaan. Binnen die kaders kan uiteraard wel op maat gedifferentieerd worden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.