+ Meer informatie

KLACHTEN INZAKE MISBRUIK

8 minuten leestijd

De generale synode-2001 stelde een landelijk werkende klachtencommissie inzake ‘misbruik uan pastorale en andere kerkelijke gezagsrelaties’ in. Haar taak is ‘de bij haar of bij een kerkenraad binnengekomen klachten te bezien op ontvankelijkheid, en deze in dat geval nader te onderzoeken en te beoordelen op de al dan niet gegrondheid ervan. In zich voordoende gevallen wordt advies uitgebracht over de afdoening van de zaak aan de kerkenraad van de gemeente waartoe de aangeklaagde behoort’. Dit artikel geeft nadere informatie over het werk van deze commissie, aan de hand van een voorbeeld van een fictieve klacht.

DE AANMELDING

De secretaris van de klachtencommissie ontvangt van een zuster uit de gemeente een brief met o.m. de volgende inhoud:

Ik dien bij u een klacht in over het handelen van onze jeugdouderling. Hij heeft mij misbruikt tijdens een periode waarin ik zwak was. Ik ben 18 jaar en lid van de jeugdvereniging. Ik zit in het bestuur en vergader een paar keer per jaar samen met de jeugdouderling. Nu anderhalf jaar geleden vroeg hij na een van die vergaderingen hoe het met me ging. Op dat moment zat ik net in een crisis, mant mijn ouders hadden uer-teld dat zij wilden gaan scheiden. De vraag overviel me en ik moest huilen. De jeugd-ouderling probeerde me te troosten en sloeg zijn arm om me heen. Hoewel ik dat niet prettig vond, liet ik het toe. Ik had een goed gesprek met hem. Hij vroeg me of hij over een poosje nog eens een gesprek met mij mocht hebben. Ik stemde hier mee in en hij maakte vervolgens direct een afspraak voor over 14 dagen. Hij zou me dan na catechisatie oppikken en dan zouden we samen ergens koffie gaan drinken. We hadden opnieuw een goed gesprek waarin ik veel kon vertellen en dat luchtte me een beetje op. Ook toen kon ik m’n tranen niet binnenhouden en opnieuu; sloeg hij zijn arm om mij heen. Onderweg naar huis in zijn auto legde hij zijn hand op mijn knie en sprak bemoedigende woorden. Ik was behoorlijk in verwarring, want ik was aan de ene kant blij dat er iemand was die naar me luisterde en me kon troosten, maar die lichamelijke aanrakingen vond ik maar niets. Er zijn nog vele gesprekken gevolgd en de lichamelijke aanrakingen bleuen. Ze werden zelfs erger. Op een keer trok hij mij tegen zich aan en aaide me troostend over mijn rug, waarbij zijn hand onder mijn trui ging. Ik kan u nog meer vertellen, maar dat doe ik liever niet.

U zult misschien wel denken, het is toch je eigen schuld, dan had je er maar wat van moeten zeggen. Ik denk dat u dan eigenlijk wel gelijk hebt, maar ik durfde het niet, want het ging steeds maar een klein stukje verder. Maar op een gegeven moment ging het veel te ver.

Ik heb het later een keer tegen de voorzitter van de jeugdvereniging gezegd, maar die hoorde het wel aan, maar zei dat ik me het niet moest aantrekken. Sommige mensen zijn nu eenmaal meer ‘aanrakerig’ dan anderen, zo zei hij. Ik heb nog overwogen om het ook tegen de dominee te zeggen, maar ik was bang dat hij zal denken dat ik het misschien wel zelf uitgelokt heb. Uiteindelijk heb ik het verteld aan mijn wijkouderling.

Hij heeft het toen vertrouwelijk in het moderamen van de kerkenraad gebracht en het moderamen adviseerde een klacht in te dienen en hij attendeerde mij op uw commissie. Nadat ik uw gegevens had gelezen in het jaarboekje heb ik het Meldpunt gebeld en daar heb ik mijn verhaal kunnen houden. Die persoon aan de telefoon heeft me bemoedigd en aangeboden dat ze me wilde ondersteunen als vertrouwenspersoon om mij te helpen een klacht in te dienen. Daarom schrijf ik u deze brief.

Ik tuil u tenslotte nog zeggen dat de contacten tussen mij en de jeugdouderling gelukkig gestopt zijn, maar ik ben bang dat hij misschien ook met andere meisjes hetzelfde zal doen en daarom schrijf ik u deze brief.

Na binnenkomst van de brief kopieert de secretaris deze en stuurt hem naar de leden van de klachtencommissie. Samen met de voorzitter beoordeelt hij of deze brief ontvankelijk is. Aan de hand van daartoe opgestelde criteria komen ze tot de conclusie dat dit het geval is. Hierbij wordt er, naast een aantal formele zaken, vooral op gelet of de klacht binnen de definitie van misbruik van kerkelijke gezagsrelaties valt. De klaagster krijgt bericht dat de commissie de klacht zal behandelen. Behalve klaagster wordt ook de aangeklaagde op de hoogte gesteld; hij krijgt een afschrift van de klacht toegezonden, samen met de klachtenprocedure. Ook wordt hij er op gewezen dat hij zich kan laten bijstaan door een vertrouwenspersoon.

De behandeling

Op haar vergadering stelt de klachtencommissie een behandelcommissie in van drie personen. De leden van deze behandelcommissie zijn geen van allen afkomstig uit het ressort van de PS van de gemeente van klaagster en aangeklaagde en de commissie is ook gemengd qua geslacht. Zij krijgt de opdracht de gegrondheid van de klacht te onderzoeken en kan zich daarin desgewenst bij laten staan door een externe deskundige. Binnen de in de procedure vastgestelde termijnen belegt zij een hoorzitting waarvoor ruim van tevoren aan klaagster en aan aangeklaagde gevraagd wordt zoveel mogelijk (bewijs)materiaal aan te reiken. Het aangedragen materiaal van de een wordt ook aan de ander doorgezonden, voor zover het naar het oordeel van de commissie daarvoor in aanmerking komt.

Vervolgens vindt de hoorzitting plaats. Klaagster en aangeklaagde en/of hun vertrouwenspersonen krijgen alle ruimte om te zeggen wat ze willen zeggen. De behandelcommissie op haar beurt stelt ook haar vragen. Van de gesprekken wordt nauwkeurig verslag opgesteld. Na afloop ervan beoordeelt de commissie of ze voldoende gegevens heeft om een oordeel te kunnen geven. Even-tueel volgt een nader onderzoek.

Wanneer de behandelcommissie tot een oordeel over de gegrondheid van de klacht is gekomen, legt ze dit voor aan de gehele klachtencommissie zodat deze marginaal kan toetsen of zij haar werk goed gedaan heeft. Behalve het uitspreken van een oordeel over de gegrondheid van de klacht wordt er een advies opgesteld hoe de kerkenraad de klacht kan afhandelen. Vervolgens worden alle betrokkenen op de hoogte gesteld en ontvangt de kerkenraad het oordeel en het advies. De kerkenraad heeft dan nog een maand de tijd om de klachtencommissie te laten weten of zij het advies overneemt. Wanneer dit laatste niet het geval is dan kan de klachtencommissie besluiten de zaak voor de classis te brengen. Dit recht hebben de klaagster en aangeklaagde uiteraard ook, zoals ieder gemeentelid dit heeft nadat een kerkenraad een besluit heeft genomen.

DE PRAKTIJK

Bovenstaand voorbeeld is fictief. De commissie zal aan de GS van 2004 — helaas — moeten rapporteren dat ze zich vanaf 2002 over zeven klachten heeft moeten buigen; de commissie is dus niet voor niets in het leven geroepen. Ook in ónze kerken komen dergelijke misstanden voor. Soms moeten zaken ongegrond verklaard worden, bijv. wegens gebrek aan bewijs, waarmee niet gezegd is dat hetgeen waarover geklaagd wordt niet werkelijk gebeurd is.

Behalve het behandelen van klachten heeft de commissie zich tot taak gesteld activiteiten te organiseren gericht op het voorkomen van dergelijke klachten en op het geven van informatie over deze zaken.

PREVENTIE EN GEDRAGSCODE

Het gezegde ‘voorkomen is beter dan genezen’ gaat ook in dit opzicht op. De klachtencommissie is van mening dat het belangrijk is dat zij door middel van publicaties en toerustingsactiviteiten meer bekendheid kan geven aan haar werk. Bekendheid kan er toe leiden dat mensen weten waar zij met hun klachten terechtkunnen. Anderzijds zal bekendheid ook potentiële ‘daders’ van hun daden kunnen weerhouden. Zelfs kun je er mee bereiken dat een ieder er attent op gemaakt wordt om signalen op dit gebied op te vangen. Tegelijk met het instellen van de klachtencommissie heeft de GS 2001 een gedragscode voor predikanten aanvaard als morele richtlijn. Deze gedragscode lijkt op een beroepscode zoals die door bepaalde beroepsgroepen, bijvoorbeeld artsen of maatschappelijk werkenden, wordt gehanteerd. Hij maakt het mogelijk om predikanten (en andere kerkelijk werkenden) in de toekomst aan te spreken op hun gedrag. Bepaalde gedragingen die ontoelaatbaar zijn en waarin de predikant in de uitoefening van zijn ambt soms ongewild mee in aanraking komt, zijn daarin opgenomen. Het geeft de predikant niet alleen een richtlijn voor zijn handelen, maar het is ook de norm waaraan zijn gedrag getoetst kan worden wanneer hij onverhoopt zich in ‘leven’ te buiten mocht gaan.

SAMENWERKING

De klachtencommissie heeft van meet af aan contact gezocht met vergelijkbare initiatieven in verwante kerken. Daaruit bleek dat onze kerken terzake wat voorop lopen. Dankbaar hebben we gebruik gemaakt van de (ervarings)deskundigheid vanuit de Gereformeerde Kerken.

Er was al wel een interkerkelijk initiatief van enkele particuliere predikanten die het Meldpunt hebben opgericht, dat ondergebracht is bij de stichting De Driehoek, de (vrijgemaakt) gereformeerde instelling voor maatschappelijk werk. Er is inmiddels een vast overleg ontstaan, waarin drie kerken participeren: de Gereformeerde Kerken (vrijg.), de Nederlands Gereformeerde Kerken en onze kerken. In dit overleg wordt nauw met elkaar samengewerkt en geleerd van elkaar en wordt geprobeerd de regelingen goed op elkaar af te stemmen.

Ik ben me ervan bewust dat er in het korte bestek van dit artikel veel informatie verstrekt wordt, die misschien nog verdere toelichting behoeft. Ongetwijfeld zult u de komende tijd meer van ons vernemen, temeer ook daar we de GS zullen voorstellen om een preventiebeleid op te stellen om de kerken en haar leden te dienen.

Br. A. Heystek, lid van de kerk van van Veenendaal-Pniël, is lid van de landelijke klachtencommissie.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.