+ Meer informatie

DE DOOP, MEER DAN EEN REINIGINGSBAD

8 minuten leestijd

INLEIDING

Wanneer tijdens een doopdienst aan kinderen wordt uitgelegd wat de doop betekent, zal ongetwijfeld op de reinigende werking van water worden gewezen. Vervolgens zal het beeld van de reiniging worden doorgetrokken naar de reinigende werking van het bloed van Christus. Zoals water ons wast van lichamelijk vuil, zo wast het bloed van Christus ons van geestelijk vuil, onze zonde.

Met deze uitleg is niets mis. Het is ook de uitleg die gegeven wordt in antw. 69 van de Heidelbergse Catechismus. Dat antwoord wordt in de volgende vragen en antwoorden weer nader uitgelegd. Ook in art. 34 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis is deze uitleg te vinden.

Op zich is de wijze waarop doop en avondmaal behandeld worden in de Heidelbergse Catechismus interessant. Er is een zekere symmetrie in te ontdekken. Beide sacramenten blijken betrokken te zijn op de verzoening en de vergeving van de zonden. Beide reeksen vragen en antwoorden eindigen met iets wat controversieel is- de kinderdoop en de rooms-katholieke mis. De vraag is nu: is hiermee de betekenis van de doop voldoende uitgelegd? Of zijn er nog meer aspecten, die niet zijn genoemd, maar wel van belang zijn voor een goed verstaan van de doop?

GEEN LEER VAN DE DOOP IN HET NIEUWE TESTAMENT

De bundel ‘Rondom de doopvont’ (Goudriaan 1983) opent met een artikel van prof.dr. J.R Versteeg over ‘De doop volgens het Nieuwe Testament.’ Daarin heeft hij meer dan 120 pagina’s nodig om uit te leggen wat de doop is volgens het Nieuwe Testament. Dat doet vermoeden dat er vanuit het Nieuwe Testament meer te zeggen is dan de paar zondagen uit de Heidelbergse Catechismus en art. 34 uit de Nederlandse Geloofsbelijdenis. Zelfs een vrij uitvoerig doopformulier kan niet alles bevatten.

Algemeen kan gezegd worden dat het Nieuwe Testament geen uitgewerkte leer van de doop laat zien. Wanneer de doop ter sprake komt, dan is dat altijd vanwege een (doop)gebeurtenis die plaatsvindt of een concrete situatie die al of niet vragen oproept. In het laatste geval komen we de doop vrijwel altijd tegen in het kader van een vermaning.

Dat betekent, dat op al die plekken waar over de doop gesproken wordt niet de hele betekenis van de doop aan bod komt. Slechts het aspect dat op dat moment in het geding is, komt ter sprake.

Iets dergelijks kan ook gezegd worden over de behandeling van de doop in onze belijdenisgeschriften. Niet alles van de doop wordt uitgelegd. Men had m.b.t. de doop bijvoorbeeld een conflict met de rooms-katholieken en dopersen. Het is te begrijpen dat dan juist die aspecten worden belicht waarin de gereformeerden zich onderscheiden van die twee stromingen.

Wanneer binnen de gereformeerde gezindte eeuwen lang vrijwel alleen die onderscheiden aspecten van de doop worden belicht en geleerd, dan bestaat het gevaar dat andere aspecten, die even wezenlijk zijn, over het hoofd worden gezien of zelfs vragen oproepen.

Het is niet doenlijk om in het kader van dit artikel alle aspecten van de doop aan de orde te stellen die in de confessie of in het klassieke doopformulier niet of weinig aandacht krijgen. Eén enkel aspect wil ik hier nader belichten. Dat betreft een passage uit Romeinen 6:3 en 4. Ik noem m.?. deze tekst omdat hij een belangrijke rol speelt in één van de nieuwe doopformulieren die als een proeve door de generale synode van 2004 is vastgesteld.

WIJ ZIJN MET CHRISTUS BEGRAVEN DOOR DE DOOP IN DE DOOD

De apostel Paulus spreekt in Romeinen 6 over de doop n.a.v. iets dat in het gedeelte daarvoor aan de orde is geweest. Wat daar gezegd is, gaf sommigen aanleiding om te zeggen: ‘Het doet er niet toe hoe je leeft. Als je deelt in de genade, kun je rustig zondigen.’ Die gedachte bestrijdt Paulus in Romeinen 6.

In Romeinen 5 zet hij Adam en Christus tegenover elkaar. Adam en Christus worden beiden getekend in wat zij als de ene zijn voor de velen die tot hen behoren. Wat de ene Adam deed in zijn overtreding is beslissend voor allen die bij hem horen. Wat de ene Christus deed in zijn rechtvaardige daad is beslissend voor allen die bij Hem horen. Beiden, Adam en Christus, vertegenwoordigen allen die bij hen horen, de ene m.b.t. overtreding en dood, de Ander m.b.t. gerechtigheid en leven. Daarom kan Paulus zeggen dat de gelovigen voor de zonde gestorven zijn (Rom. 6:2). De zonde heeft over hen geen heerschappij meer. Daarbij gaat het niet om het resultaat van onze strijd tegen de zonde. Ook is het niet zo dat de doop bewerkt dat we voor de zonde gestorven zijn. De doop is in vers 2 nog niet eens genoemd. Het gaat hier om een werkelijkheid, waarbij Christus al de zijnen vertegenwoordigt. Christus is eens voor altijd voor de zonde gestorven (Rom 6:10). Omdat Hij in zijn sterven al de zijnen vertegenwoordigt, geldt ook voor hen dat zij eens voor altijd voor de zonde gestorven zijn. Deze werkelijkheid is tegelijk een opwekking om een nieuw leven te leiden.

Om die werkelijkheid te onderstrepen wijst Paulus dan op de doop. De doop verbindt aan Christus en brengt onder de zeggenschap van Christus. De gelovigen mogen weten dat ze voor de zonde gestorven zijn. ‘Wat heilshistorisch vastligt in de ene daad van gerechtigheid van Christus voor al de zijnen komt sacramenteel tot hen in de doop’ (J.P. Versteeg).

De doop verbindt aan Christus die gestorven én begraven is. Dat laatste (gestorven én begraven) geeft aan hoe radicaal het sterven van Jezus was: Hij is zelfs begraven! Zo radicaal is ook de verlossing van de zonde in Christus. Wat in de doop naar ons toekomt, is het volle heil in Christus.

WEL VASTHEID, GEEN AUTOMATISME

Dit alles betekent niet dat iemand die gedoopt is nu ook ‘automatisch’ deelt in het heil. Het is jammer dat uit vrees voor een zeker heilsautomatisme dit heilshistorische en sacramentele spreken van Paulus onder ons op de achtergrond is geraakt. Je zou zelfs kunnen zeggen dat er een zekere allergie voor dit spreken bestaat, terwijl daar toch geen enkele reden voor is.

Dit spreken van Paulus laat wel zien hoe vast het heil verankerd is in Christus en zijn verlossingswerk, en hoezeer een kind van het verbond bij dat heilswerk van Christus wordt betrokken. Het wordt hem a.h.w. op het lijf geschreven met het water van de doop. Zo wordt hij onder de zeggenschap van Christus geplaatst. Dat vraagt er ook om dat dit in de praktijk van ons leven beleefd wordt. Met Christus begraven zijn door de doop in de dood vraagt om een nieuwe levenswandel. Die nieuwe levenswandel wordt in Romeinen 6 in verband gebracht met de opstanding van Christus. ‘Wij zijn dan met Hem begraven door de doop in de dood, opdat, gelijk Christus uit de doden opgewekt is.… zo ook wij in nieuwheid des levens zouden wandelen.’ (Rom. 6:4). Het heil dat vastligt in de dood en begrafenis van Christus wil door de kracht van Christus’ opstanding hier en nu beleefd worden. Daarbij gaat het enerzijds om geloof waardoor we het ervoor houden dat we dood zijn voor de zonde en levend voor God in Christus Jezus. Anderzijds gaat het om vernieuwing van ons leven die gestalte krijgt in de gevarieerde werkelijkheid van alledag.

ROMEINEN 6 IN HET TWEEDE CONCEPTDOOPFORMULIER

In het tweede conceptdoopformulier dat als een proeve door de generale synode van 2004 is vastgesteld, wordt in het onderwijs verwezen naar Romeinen 6:3 en 4. Deze tekst is wezenlijk voor het verstaan van de doop, maar heeft in de uitleg van de doop zowel in de belijdenisgeschriften als in de klassieke doopformulieren niet zo’n grote rol gespeeld. Andere, evenzeer wezenlijke aspecten, treden daar meer op de voorgrond.

In het genoemde conceptformulier is de zogenaamde doopgedachtenis opgenomen. Daarbij wordt de gemeente herinnerd aan haar eigen doop en zo aan de relatie die gelegd is met Christus en zijn volbrachte werk. Zo wordt aandacht gevraagd voor het heilshistorische aspect van de doop. Wat in Christus is gebeurd, toen en daar, gaat ons persoonlijk aan, hier en nu. De doop laat dat zien. Dat zit helemaal in de lijn van Rom 6:3 en 4.

Die relatie vraagt om geloof en een leven waarin het geloof vernieuwend spreekt. Daartoe wordt de gemeente in zijn geheel en ieder lid in dat geheel ook opgeroepen. Ik zou me kunnen voorstellen dat de gemeente daarbij gaat staan en ieder zijn of haar doop gedenkt, blij verwonderd dat het heil in Christus tot hem of haar gekomen is. Daarna kan het geloof uitgesproken of uitgezongen worden, als iets dat ons geschonken is van Godswege. Het persoonlijke ‘ik geloof’ wordt gedragen door de gemeenschap van de kerk van alle tijden en alle plaatsen. De doopouders voegen zich in dat geloof en die belijdenis door hun hardop uitgesproken ‘ja’ voor de doop van hun kind.

Dan zal ook het gebed niet kunnen ontbreken, dat de dopelingen hun doop zullen leren verstaan. Want het volle heil in Christus is hun met doopwater op het lijf geschreven.

Ds. J. Groenleer (1949) is predikant van de gemeente van Woerden. Hij is tevens voorzitter van het deputaatschap eredienst.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.