+ Meer informatie

Kerkelijke verantwoordelijkheid in de moderne samenleving

9 minuten leestijd

Onder deze titel hield prof. dr. W. H. Velema een referaat op 5 november 1971 op de jaarvergadering van de Prof. L. Lindeboom-stichting te Zwolle *).

Ik dacht dat het juist was u eerst in het kort te informeren wat voor groep van belangstellenden daar aanwezig waren.

Gezien de functie van genoemde stichting waren daar o.m. aanwezig bestuursleden van plaatselijke of regionale stichtingen voor maatschappelijk werk, gezinsverzorgen en bejaardenzorg. Tevens waren daar vertegenwoordigd de diaconieën van de participerende kerken, t.w. de Geref. Kerken en de Chr. Geref. Kerken in Overijssel.

Vervolgens kunt u weten dat men binnen de kring van genoemde stichtingen voor de sociale dienstverlening bezig is met de vraag naar een bredere samenwerking, terwijl men binnen het diaconaat worstelt met de vraag, wat zijn onze taken? Provinciaal moet men, door de ontwikkelingen in die sociale dienstverlening, zich bezig houden met de z.g. samenlevings-opbouw (zie Ambt. Cont. febr. ’72).

Uit deze korte opsomming valt te concluderen dat hier een groep belangstellenden aanwezig was die gezien het beleid in de nabije toekomst zoeken naar een antwoord omtrent de taak van de kerk in de moderne samenleving.

Die kring van geïnteresseerden is dacht ik uit te breiden tot de kring van alle ambtsdragers van onze kerken, vandaar mijn vrijmoedigheid dit referaat te bespreken.

Er is nog een motief om dit aan de orde te stellen.

Wie kerkelijk meeleeft (en dan denk ik breder dan onze eigen kerken) weet dat de vraag naar de taken van de kerk opnieuw veelvuldig aan de orde is.

Ik wil u waarschuwen voor een reactie die er van uit gaat dat we hier te doen hebben met een theoretische-theologische onderscheiding.

Met de visie op de taak van de kerk, naar binnen en naar buiten, staat of valt het wezen van de kerk vandaag aan de dag. Wij ontkomen er dan ook niet aan hierover na te denken. Er zal een duidelijk standpunt op tafel moeten komen om vanuit deze visie praktisch te gaan werken.

Ik richt mij nu tot de inhoud van het referaat, waarbij wij het zoveel mogelijk op de voet zullen volgen en hier en daar wat letterlijk zullen citeren.

Dat er sprake is van een veranderende visie op de taken van de kerk wordt duidelijk aangetoond.

Eén van die oorzaken is de spraakverwarring rondom het diaconaat.

De vroegere ambtelijke arbeid binnen de gemeente van Christus stond vast en functioneerde. „De wending die zich voltrok, bestaat hierin dat nu het ambtelijke diaconaat niet meer de oervorm is, doch slechts exponent is van een veel breder opgezet begrip van dienst.”

Een tweede aspect moet daarop volgen, ni. de visie op de kerk.

Helder wordt omschreven wat hiermee wordt bedoeld.

Kreten als de kerk is er voor de wereld zijn theologisch goed doordacht. Het is vooral Barth geweest die grote invloed had. De apostolaats-theologie binnen de hervormde kerk is daar niet vreemd aan. Bij dit kerkbegrip wordt gesteld dat het wezen van de kerk gezocht wordt in de dienst aan de samenleving. Hier komt een verschuiving aan de orde nl. die van het getuigen naar het dienen.

Daarnaast wordt nog een derde factor genoemd, nl. het antwoord van de kerk op de secularisatie. Het diaconaat moet daarbij een grote rol spelen. Het gaat dan in eerste instantie niet om het helpen van de behoeftigen, maar het wordt dienstbetoon aan de samenleving.

De boodschap van de kerk wordt door deze structuur versmald. Het recht belijden moet dan blijken uit het rechte handelen. In deze lijn zou de individuele christen dan ook moeten handelen; zijn dienst aan de samenleving is dan diaconaat en krijgt daardoor een kerkelijke kleur.

Heel duidelijk stelt prof. Velema dat het Woord van God met alles te maken heeft, maar dat het met de kerk anders is gesteld. Dit moeten wij goed vasthouden, vooral als we dit betoog straks praktisch willen benaderen.

Het kon niet anders of in het verlengde van dit referaat moest nu aan de orde komen de vraag: wat is de kerk? Ik citeer:

„De kerk is het volk van God, dat onder leiding van de ambtsdragers samenkomt om het Woord van God te horen en de sacramenten te vieren. Zij vergadert rondom Woord en sacrament voor de lofprijzing en aanbidding, voor de smeking en de dankzegging. Deze gemeente is het lichaam van Christus.

Dat lichaam moet opgebouwd worden. Daardoor groeit het. Bij die opbouw en groei nemen de ambtsdragers een plaats in. Christus zelf heeft hen daartoe aan Zijn gemeente gegeven.

De groei van het lichaam heeft een intensief en een extensief aspect. Intensief doordat de gemeente haar geloof steeds dieper ervaart, haar christen-zijn steeds meer beleeft en haar roeping steeds duidelijker betracht. Zo krijgt Christus steeds meer gestalte in zijn gemeente. De gemeente groeit naar Hem toe (Ef. 4 : 15). Dan worden de harten getroost en worden de gelovigen in liefde verenigd tot alle rijkdom van een volledig inzicht. Zo mogen zij kennen het geheimenis Gods, Christus, in Wie al de schatten der wijsheid en kennis verborgen zijn (Col. 2 : 2v). Deze kennis is wat anders dan een beschouwing over Christus. In deze kennis is het doen opgenomen.”

„Het extensieve aspect ziet op de groei van de gemeente in aantal. Zij wordt daar gevonden waar er toegevoegd worden tot de gemeente die behouden wordt. Er komen mensen tot geloof en bekering. Tegenwoordig durft men dat bijna niet meer te zeggen. Want de wereld — zegt men — weet het beter dan de kerk. De kerk moet van haar eigenwijsheid bekeerd worden tot solidariteit met de wereld. Het eigene van de kerk moet verdwijnen ten gunste van de eenheid met de wereld. Het diaconaat is exponent en instrument van deze verandering.

Het Nieuwe Testament geeft ons een andere visie op de gemeente dan welke nu gepropageerd wordt. De gemeente is het volk van God. Zij is de Bruid van Christus. Dat is haar voorrecht en haar karakteristicum. Zij komt samen voor de dienst aan God en aan Christus. Dat is het specifieke van haar samenkomsten.

Hoe moet het dan met de wereld? Daarin hebben christenen een taak. Zij moeten een lichtend licht en een zoutend zout zijn. Tot die taak moeten de gelovigen worden opgeroepen en toegerust. De prediking van het Evangelie moet het zicht openen op het volle leven. De kerkdienst is geen getto in de samenleving, maar toerustingscentrum. De christenen verrichten hun dienst aan het Koninkrijk van God midden in de wereld”. Met opzet heb ik dit alles overgenomen. De boodschap van het heil in Christus wordt hier niet versmald tot het ingekeerde leven maar heeft zijn gevolgen voor heel het leven. Het blijkt dus wel dat de christen zijn taak in de wereld heeft te verstaan. En daarbij dienen wij goed te onderscheiden dat de gelovigen tot de taken worden geroepen en door middel van de ambten tot deze taak moeten worden toegerust.

Hier gaat een wereld van mogelijkheden open voor de ambtsdrager. Om de reeds genoemde spraakverwarring rondom het diaconaat te ontlopen maakt prof. Velema een onderscheid tussen het ambtelijke diaconaat van de kerk, terwijl de arbeid van een christen in de samenleving en aan de medemens door hem met „dienst’ wordt betiteld.

Nog veel meer zou uit het betoog te vermelden zijn. We moeten echter tot een afronding komen.

De kerk naar haar ambtelijke zijde mag en kan geen taken op zich nemen omtrent allerlei concrete vragen in deze moderne samenleving. Zij heeft toe te rusten. De christen heeft het ten aanzien van allerlei vragen vanuit de samenleving niet gemakkelijk. Men moet daarom veel meer kunnen terugvallen op de gemeente van Christus. De kerkleden moeten elkaar kunnen ontmoeten om samen te luisteren naar het Woord van God en daarbij kan en moet de ambtsdrager leiding geven. Dit alles komt de mondigheid van de gelovigen ook ten goede.

Hetgeen nu vanuit het referaat is doorgegeven zou ik als een startpunt willen betitelen. Wij kunnen daar dankbaar voor zijn, want zonder een goed uitgangspunt valt niets te beginnen, dan loopt het al vast tijdens de bezinning hierover, laat staan bij de praktische uitwerking.

Een principieel uitgangspunt is ook noodzakelijk bij al onze interkerkelijke contacten. Al zijn verschillende concrete plannen de moeite waard we zullen moeten aftasten vanuit welk principe ze worden uitgevoerd en als het nodig is een alternatief moeten stellen.

Wanneer ons tevens duidelijk is geworden dat de ambten er ook zijn om de leden toe te rusten met betrekking tot hun taak in de samenleving dan zullen wij dit ook verder moeten vullen. Hier ontbreekt nog veel aan. Het is daarom m.i. geoorloofd dat het initiatief in deze richting wordt genomen door het diaconaat. De diaken heeft, gezien zijn contacten met de sociale dienstverlening, nog het meeste zicht op deze materie. Natuurlijk zal het een en ander in samenwerking moeten gebeuren met de predikant en de ouderlingen.

Een andere vraag is, wat ontmoet men in eerste instantie, na de principiële start?

Ik ben geneigd te zeggen: alles! Dat maakt de zaak ook zo onduidelijk. Beter is om wat voorzichtiger te werk te gaan. Om te kunnen toerusten zal ik als ambtsdrager eerst een duidelijke beeldvorming moeten hebben in wat voor een wereld ik en mijn medegemeenteleden leven en werken.

Daar hebben wij onze handen voorlopig vol aan. Dit is aan te duiden als „terreinverkenning”.

Om in het kader van het referaat maar wat te noemen: in ons industriële tijdperk zien wij een verschuiving van materiële nood naar sociale nood, en van de sociale nood naar de bestaansnood die de totaliteit van ons menszijn raakt. Wij hebben het tegenwoordig druk over ons „welzijn”. Via gezondheidszorg, de maatschappelijke dienstverlening wordt hier aan gewerkt. Maar hoe wordt er aan gewerkt? Verschillende antwoorden worden daarop gegeven. Kreten als revolutie, transformatie, evolutie en totale vernieuwing van de huidige structuren worden gehoord.

Dit alles gaat onze gemeenteleden niet voorbij. Ook onze jongeren komen hiermee in aanraking op de scholen en via het vormingsonderwijs.

De reformatorische kerken zullen alle krachten waarover zij beschikken moeten bundelen om hier iets tegenover te stellen.

Het is derhalve onze roeping om na deze goede start nu op weg te gaan.

*) Er zijn nog exemplaren van het gestencilde referaat te verkrijgen bij het bureau, Van Karnebeekstraat 93a, Zwolle.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.